Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3624

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
C/03/274618 / HA ZA 20-104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of gedaagde het relatiebeding dat opgenomen is in artikel 6 van de raamovereenkomst geschonden heeft. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde het relatiebeding niet heeft geschonden en dus geen boetes heeft verbeurd. Gedaagde mocht ervan uitgaan dat eiseres de samenwerking met haar had beëindigd en erin toestemde dat zij zonder haar tussenkomst bij ASR ging werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/274618 / HA ZA 20-104

Vonnis van 21 april 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMBRI CONTRACTING B.V.,

gevestigd te Maastricht,

eiseres,

advocaat mr. M.J.A. Gaber te Maastricht,

tegen

[gedaagde] , tevens h.o.d.n.

[handelsnaam] ,

wonende en zaakdoende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.M. Brouwers te Maastricht.

Partijen zullen hierna Imbri en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 5 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met 9 producties;

  • -

    de rolbeslissing van 15 april 2020;

  • -

    de akte uitlating verder procederen van Imbri;

  • -

    de akte van [gedaagde] ;

  • -

    de dagbepaling van de mondelinge behandeling van 3 juni 2020;

  • -

    de producties 6 tot en met 12 van Imbri;

  • -

    de productie 10 van [gedaagde] ;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 januari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Imbri is een gespecialiseerd bemiddelingsbureau in met name de ICT-branche.
[gedaagde] is HR-manager van beroep.

2.2.

Op 1 augustus 2017 is [gedaagde] via Imbri door bemiddeling van Between B.V. (hierna: Between), ook een arbeidsbemiddelaar, als HR-manager ingezet bij APG-Loyalis op het kantoor van Loyalis te Heerlen. [gedaagde] had van 1 augustus 2017 tot 1 juni 2019 meerdere arbeidsovereenkomsten met de firma Fixed Today, een payroller en onderaannemer van Imbri.

2.3.

Vanwege belemmeringen in de Uitzendcao is [gedaagde] vanaf 1 juni 2019 als zelfstandige zonder personeel (een eenmanszaak onder de naam [handelsnaam] ) gaan werken voor Imbri, via Between, bij APG-Loyalis. Daartoe hebben Imbri en [gedaagde] een raamovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten en een deelovereenkomst voor de periode van 1 juni 2019 tot en met 31 december 2019, behorende bij deze raamovereenkomst. Beide overeenkomsten zijn op 12 juni 2019 aangegaan.

In de raamovereenkomst is in artikel 6 een relatiebeding opgenomen dat luidt:

  1. Het is de Opdrachtnemer alsmede de aan haar gelieerde ondernemingen verboden om behoudends voorafgaande schriftelijke toestemming van Opdrachtgever gedurende de looptijd van deze Raamovereenkomst en/of de Deelovereenkomst, alsmede gedurende 12 maanden na beëindiging daarvan, direct of indirect contact te zoeken met, zaken te doen en/of werkzaamheden te verrichten voor of ten behoeve van de in de deelovereenkomst(en) genoemde Derde of van een aan Opdrachtgever gelieerde onderneming. Het betreft hier zowel de eindklant als ook de tussenpersoon waarvoor Opdrachtnemer is ingezet via Opdrachtgever.

  2. Bij overtreding van het in dit artikel bepaalde verbeurt Opdrachtnemer aan Opdrachtgever een direct opeisbare niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van EUR 25.000,00 per overtreding en EUR 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. Deze bepaling laat onverlet het recht van opdrachtgever op aanspraak van volledige schadevergoeding.

2.4.

Op enig moment is APG-Loyalis overgenomen door ASR. Hays huurt voor ASR alle zelfstandigen zonder personeel in.

2.5.

[gedaagde] is op 8 oktober 2019 een overeenkomst aangegaan met Hays vanaf

1 augustus 2019 voor haar werk bij ASR.

3 Het geschil

3.1.

Imbri vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat mevrouw [gedaagde] , handelende als eenmanszaak onder de naam [handelsnaam] , in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 het tussen Imbri Contracting BV. en [handelsnaam] overeengekomen relatiebeding in de tussen partijen gesloten Deelovereenkomst heeft geschonden waardoor contractuele boetes zijn verbeurd door mevrouw [gedaagde] , handelende als eenmanszaak onder de naam [handelsnaam] ;

II. mevrouw [gedaagde] , handelende als eenmanszaak onder de naam [handelsnaam] te veroordelen tot betaling van de door haar verbeurde contractuele boetes voor een bedrag van in totaal € 178.000,--, althans tot betaling van een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling;

III. bij vonnis mevrouw [gedaagde] , handelende als

eenmanszaak onder de naam [handelsnaam] te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een beloop van € 2.555,--;

IV. bij vonnis mevrouw [gedaagde] , handelende als eenmanszaak onder de naam [handelsnaam] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn

plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt Imbri dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomsten met Imbri. Volgens Imbri heeft [gedaagde] het relatiebeding, dat opgenomen is in artikel 6 van de raamovereenkomst, geschonden door in augustus 2019 feitelijk te vertrekken bij Imbri, terwijl zij haar werkzaamheden bij ASR heeft voortgezet via Hays. Volgens Imbri heeft
daardoor boetes verbeurd.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [gedaagde] het relatiebeding dat opgenomen is in artikel 6 van de raamovereenkomst (zie r.o. 2.3.) geschonden heeft.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] het relatiebeding niet heeft geschonden en dus geen boetes heeft verbeurd. [gedaagde] mocht ervan uitgaan dat Imbri de samenwerking met haar had beëindigd en erin toestemde dat zij zonder haar tussenkomst bij ASR ging werken. De rechtbank licht dat oordeel toe mede aan de hand van onderstaande correspondentie waarvan de inhoud niet betwist is door Imbri.

4.3.

[gedaagde] stuurt op 2 september 2019 een e-mail naar Imbri waarin zij middels een bijgevoegde factuur haar uren voor de maand augustus 2019 declareert (productie 1 bij conclusie van antwoord).

4.3.1.

Imbri reageert hierop in haar mail van 16 september 2019 aan [gedaagde] . Zij schrijft dat er geen uren zijn goedgekeurd voor de maand augustus en zij vraagt aan
of het kan zijn dat er iets te laat is ingevoerd (productie 2 bladzijde 6 bij conclusie van antwoord).

4.3.2.

In haar mail van 17 september 2019 om 14.00 uur (productie 2 bladzijde 3 bij conclusie van antwoord) schrijft Imbri aan [gedaagde] :

“Het misverstand over de uren is ontstaan doordat de contracten vanaf augustus anders geregeld zijn. Wij kunnen de factuur over de uren van augustus helaas niet in behandeling nemen gezien jouw inzet vanaf augustus rechtstreeks via Between loopt en niet meer via Imbri maar Between. Between zou contact met jou hierover opnemen om de contracten op te stellen.

Zou je een creditfactuur kunnen sturen voor augustus?”

4.3.3.

[gedaagde] stelt dat zij na deze mail op 17 september 2019 contact opneemt met de directeur van Imbri die haar geen uitleg geeft anders dan dat [gedaagde] nog zal worden benaderd. Daarna neemt [gedaagde] op 17 september 2019 contact op met Between en de manager van Between deelt haar mee dat zij haar uren vanaf augustus 2019 bij Between dient te declareren. Haar inlening loopt vanaf 1 augustus 2019 namelijk rechtstreeks via Between omdat Imbri uit de inleenketen is gestapt, omdat dit niet langer door ASR werd toegestaan. Between moet de contracten met [gedaagde] nog opmaken. Between verwijst naar haar mail van 30 juli 2019 aan [gedaagde] (productie 8 bij conclusie van antwoord) waarin een en ander is aangekondigd en excuseert zich daarbij dat deze mail [gedaagde] niet (eerder) heeft bereikt omdat dit naar het verkeerde mailadres is gestuurd. [gedaagde] krijgt daarnaast op of rond 17 september 2019 van de Hays te horen dat haar functioneren bij ASR zonder grondslag is omdat formalisering nog niet heeft plaatsgevonden. [gedaagde] verkeert dus in onzekerheid wie haar gaat betalen. Omdat Between het vervelend vindt dat
in een lastig parket is gekomen, neemt zij contact op met Hays en wordt afgesproken dat [gedaagde] rechtstreeks door Hays aan ASR kan worden uitgeleend. Bij e-mail van 19 september 2019 om 12:01 uur (productie 3 conclusie van antwoord) bevestigt Between aan [gedaagde] : “Als eerder telefonisch aangegeven stappen wij betreffende jouw inzet met overgang van Loyalis naar Hays/ASR er tussen uit.”

Dit alles wordt niet betwist door Imbri.

4.3.4.

Bij mail van 18 september 2019 om 16:47 uur (productie 2 bladzijde 2 bij conclusie van antwoord) bericht [gedaagde] , naar aanleiding van de e-mail van Imbri van
17 september 2019 om 14:00 uur, dan aan Imbri:

Ik ga ervan uit dat na het lezen van onderstaand bericht mijn contract met Imbri met ingang van 1-8-2019 is beëindigd.

4.3.5.

Bij mail van 19 september 2019 om 08:26 uur (productie 2 bladzijde 1 bij conclusie van antwoord) bericht Imbri aan [gedaagde] :

Zover mij momenteel bekend heb jij voorkeur gegeven de samenwerking met Imbri te beëindigen en de inzet verder te laten verlopen via Between. (…)

Wat betreft de betalingen. De factuur met hierop de uren van juli is inmiddels voldaan. Voor de factuur van augustus ontvang ik graag nog de creditnota.”.

4.3.6.

Hierop antwoordt [gedaagde] bij mail van 19 september 2019 om 8:40 uur (productie 2 bladzijde 1 bij conclusie van antwoord):

Ik weet niet waar dit vandaan komt, maar vind het nog veel vreemder dat hier niet met mij over wordt gecommuniceerd. Erg amateuristisch allemaal.

4.3.7.

Bij mail van 20 september 2019 om 16:48 uur (productie 5 bij de conclusie van antwoord) deelt [gedaagde] aan Imbri mee:

Hierbij stuur ik je de creditfactuur over de uren van augustus 2019. Ik ga ervan uit dat hiermee alle verplichtingen over en weer zijn voldaan. Het contract is zoals eerder aangegeven opgezegd aan Imbri door Between per 1-8-2019. Daarmee komen alle rechten en verplichtingen uit het contract te vervallen.

4.3.8.

Bij mail van 20 september 2019 om 17:14 uur (productie 6 bladzijde 2 bij conclusie van antwoord) deelt Imbri aan [gedaagde] mee dat [gedaagde] een contract heeft met Imbri en niet met Between en dat zij het contract met [gedaagde] niet heeft opgezegd en haar aan het contract houdt.

4.4.

De rechtbank stelt op basis van de toelichting van Imbri tijdens de mondelinge behandeling vast dat het de bedoeling van Imbri en Between was dat [gedaagde] per
1 augustus 2019 naar Between zou overgaan en dat Imbri als schakel er tussenuit zou vallen. Zij hebben hier achter de schermen over gesproken en dit niet met [gedaagde] gecommuniceerd. De rechtbank is van oordeel dat deze gang van zaken vanaf augustus 2019 tot eind september 2019 onduidelijkheid voor [gedaagde] opleverde. Dat is door Imbri ook erkend in de e-mail van 24 september 2019 aan [gedaagde] (productie 7 bij conclusie van antwoord).

4.5.

Kennelijk zijn Imbri en Between financieel niet tot overeenstemming gekomen betreffende de overgang van [gedaagde] naar Between. Er was echter al wel een aanvang gemaakt met de overgang van [gedaagde] van Imbri naar Between. Dat blijkt uit de informatie die [gedaagde] van Imbri kreeg bij de mail van 17 september 2019, het verzoek van Imbri aan [gedaagde] om een creditnota voor de werkzaamheden voor de maand augustus 2019 toe te sturen, de informatie die [gedaagde] van Between kreeg kort na de mail van 17 september 2019 en de inhoud van mail van Between van 30 juli 2019 waar
dan op gewezen wordt. Imbri had [gedaagde] dus al weggestuurd zonder dat zij zelf een en ander met Between definitief had afgewikkeld.

4.6.

Aan al deze feiten en omstandigheden mocht [gedaagde] het vertrouwen ontlenen dat Imbri de rechtsrelatie met haar wilde beëindigen want zij maakt tenslotte kenbaar dat zij per onmiddellijk niet meer betaald wordt. Ook de reeds gewerkte uren vanaf 1 augustus 2019 zouden niet meer worden vergoed. Aldus gaf zij aan haar eigen verplichtingen niet meer na te zullen komen. Daarmee zijn zowel de raamovereenkomst als de deelovereenkomst geëindigd en stond het [gedaagde] vrij met Hays te contracteren, waarvoor ze overigens toestemming had van Between.

4.7.

Dat Imbri er niet in is geslaagd haar rechtsverhouding met Between af te wikkelen en dat het haar wens was [gedaagde] alsnog te behouden door zelf met Hays een contract aan te gaan – wat Hays niet wilde – doet er niet aan af dat de rechtsrelatie tussen partijen geëindigd is, waarop [gedaagde] ook mocht vertrouwen. Dat er door Imbri is opgezegd zonder een opzegtermijn in acht te nemen, is verder niet relevant. [gedaagde] heeft zich daar ook niet tegen verzet.

4.8.

In een situatie waarin Imbri zelf haar verplichtingen niet nakomt en kenbaar maakt dat het contract vanaf augustus 2019 via een ander loopt, kan zij geen boete claimen omdat [gedaagde] binnen twaalf maanden na afloop van het contract is blijven werken bij de opdrachtgever (Loyalis/)ASR. Zij heeft door haar wijze van handelen immers, al dan niet indirect, zelf toestemming daarvoor gegeven.

4.9.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande alle vorderingen van Imbri afwijzen.

4.10.

De rechtbank overweegt ten slotte dat [gedaagde] terecht heeft aangevoerd dat Imbri in haar dagvaarding in strijd heeft gehandeld met de verplichting van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door de feiten onvolledig aan te voeren. Imbri vermeldt niets over de verwarring over het einde van de overeenkomsten tussen partijen, die zij zelf heeft veroorzaakt en legt de van belang zijnde correspondentie daarover niet over. [gedaagde] vordert vanwege die schending en omdat zij van mening is dat Imbri door het instellen van een kansloze vordering onrechtmatig ten opzichte van haar handelt, veroordeling van Imbri in de feitelijke proceskosten. Hoewel artikel 21 Rv is geschonden, gaat het toewijzen van reële proceskosten als sanctie naar het oordeel van de rechtbank te ver. Ook anderszins is niet voldaan aan de vereisten die in de jurisprudentie worden gesteld om reële proceskosten toe te kunnen wijzen.

4.11.

Imbri zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten, die mede gebaseerd zijn op het gebruikelijke liquidatietarief, worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

- griffierecht 1.639,00

- salaris advocaat 3.540,00 (2,0 punten × tarief € 1.770,00)

Totaal € 5.179,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Imbri in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 5.179,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.1

1 type: TN