Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3609

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
03.004709.21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 46 en 46b van het Wetboek van Strafrecht (Sr);

voorbereiding afpersing in vereniging en/of diefstal met geweld in vereniging;

geen vrijwillige terugtred minderjarige

Uit de bewijsmiddelen blijkt afdoende dat de gedragingen van de verdachten strekten ter voorbereiding van het overvallen van de Aldi en dat hun opzet op het begaan daarvan was gericht.

Toen de verdachten de eerste keer in de Aldi waren heeft de verdachte aan de medeverdachte aangegeven niet meer te durven/ willen. Mede om die reden is de overval toen niet doorgegaan. Dit verklaart ook de medeverdachte.

In beginsel zou dit vrijwillige terugtred kunnen opleveren. De verdachte lijkt immers expliciet afstand te doen van wat hij en de medeverdachten zich hadden voorgenomen; de overval op de Aldi.

De voorbereiding zou gelet op het bepaalde in artikel 46b Sr daarmee geacht kunnen worden niet (meer) te bestaan.

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen echter ook blijkt dat de verdachte niet daadwerkelijk afstand heeft gedaan van zijn voornemen de Aldi te overvallen. De verdachte en de medeverdachte zijn een week later immers weer - voorbereid als eerder - naar de Aldi gegaan om een overval te plegen. Dat maakt dat de vrijwillige terugtred de eerste keer niet aannemelijk is geworden.

Dat de verdachte de tweede keer in de winkel wederom afstand heeft genomen van het plegen van een overval en vrijwillig is terug getreden is niet aannemelijk geworden omdat enkel de verdachte dit verklaart en dit verder niet wordt ondersteund door andere verklaringen of relevante feiten of omstandigheden.

Dat de verdachte pas 14 jaar was en denkt als een 14-jarige, kan aan dit oordeel niet afdoen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd, jeugdstrafrecht

Parketnummer : 03.004709.21

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te Sittard-Geleen op [geboortegegevens] 2005,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A. Carli, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 april 2021 en na onderbreking daarvan gesloten op 14 april 2021. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn op 13 april 2021 verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Tevens zijn de ouders van de verdachte op 13 april 2021 gehoord.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

samen met anderen in of omstreeks de periode 28 juni 2020 tot en met 4 juli 2020 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor een misdrijf waarop een gevangenisstraf staat van acht jaar of meer, te weten afpersing in vereniging of diefstal met geweld in vereniging.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden .

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit conform haar pleitnotitie. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er op beide tijdstippen sprake is geweest van vrijwillige terugtred door de verdachte. De verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bewijs

De verklaring van aangever [naam ] 2 ;

Hij deed aangifte van een overval op de [supermarkt] in Elsloo die plaatsvond tussen vrijdag
17 juli 2020 om 20:05 uur en vrijdag 17 juli 2020 om 20:35 uur.

De jongen was voor mijn gevoel nog een kind. Ik schat 13 - 14 jaar oud. Ik had het idee dat ik de jongen herkende van een eerder voorval. Toen ik hem zag bekroop mij een gevoel van alertheid. Zo'n 2 weken geleden probeerden twee jonge jongens zich te laten insluiten in ons filiaal. Toen we hen ontdekten vlak na sluitingstijd, vertelden ze dat ze nog geen 14 jaar waren en geen identiteitsbewijzen bij zich droegen. Ik had het idee dat de jongen van vanavond, een van die twee jongens betrof.

De verklaring van getuige (later medeverdachte) [naam medeverdachte/getuige] 3 op 17 juli 2020:

De jongen herkende ik van ongeveer 2 weken geleden: toen had hij zich met een andere

jongen ingesloten. Ik ging toen sluiten en zag dat [naam ] met twee jongens naar de uitgang liep. Ik meen dat ik een van de jongens herkende als de jongen die ons vandaag heeft overvallen. Ik herkende hem aan zijn haren: hij had zwart haar. Deze jongen was ook klein. De tweede jongen heb ik toen niet goed gezien.

De bevindingen van de verbalisant 4;

Op de parkeerplaats sprak ik kort met de filiaalleider, dhr. [naam] . [naam] was ten tijde van de overval niet aanwezig in het filiaal. Hij was vlak na de overval gebeld door zijn personeel en was zojuist aangekomen bij het filiaal. Hij vertelde tegen mij dat hij twee weken geleden op een zaterdagavond in de winkel een jongen op de toiletruimte achter het magazijn had aangetroffen. De jongen had een donkere rugzak bij zich, had een pak ijs in zijn handen en was zich in de spiegel aan het bekijken. Dit was vlak na sluitingstijd, de voordeur van de winkel was al gesloten op dat moment. [naam] zei tegen mij dat deze jongen een getinte huidskleur had, haren netjes opgeschoren, ongeveer 15 jaar oud was en 1.65 meter groot. [naam] zei tegen de jongen dat hij hier niet mocht komen en dat de winkel al gesloten was. De jongen heeft toen nog als laatste klant iets mogen afrekenen. Volgens [naam] had dit zich afgespeeld op 4 juli 2020, rond 20:00 uur.

De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] 5;

V= vraag verbalisant

A= antwoord verdachte

De vorige keer wilde je niet meer zeggen toen we je een foto lieten zien. We laten je de foto nogmaals zien.

V: Wie is dit?

A: [verdachte] .

V: We hebben het over een overval gehad. Hoe komt [verdachte] in dit plaatje naar voren?

A: We gingen nog een keer proberen. Toen was hij erbij en werden we gepakt.

V: Wanneer was dit?

A: Een maand voor de vorige overval.

V: Vertel nog eens over de keer dat je door [naam ] op de WC van de [supermarkt] werd betrapt. Je zat daar toen samen met nog een persoon op de WC. Wie was dat?

A: Dat was [verdachte] waar ik mee samen was. Ik zat zelf op de WC, [verdachte] was in de winkel.

V: Over welke keer hebben we het nu?

A: Het was de eerste keer.

V: Wat had de WC ermee te maken?

A: [naam medeverdachte/getuige] had gezegd dat we ons op de WC het beste konden verstoppen.

V: Weet je nog op wat voor soort dag het was?

A: Dat weet ik niet zeker?

V: Weetje nog welk tijdstip?

A: 19.50 uur gingen wij, [verdachte] en ik, naar binnen.

V: Vertel eens wat er gebeurde?

A: We gingen contact maken met [naam medeverdachte/getuige] . Hij kwam met ons praten. [naam ] was in het magazijn. Hij zei ons wat we moesten doen. Hij zei dat we naar de WC moesten. Ik ging snel naar de WC maar [verdachte] was een beetje langzaam. Hij bleef in de winkel achter. De baas moest naar de WC en deed de deur open van de WC. Ik zat er 1 a 2 minuten toen hij mij daar zag. Toen hij vroeg wat ik daar deed zei ik: “Ik moet naar de WC”. Hij zei: “Dat mag niet zonder toestemming”, waarop ik antwoordde: “Dat heb ik de vorige keer ook gedaan.”

[verdachte] was nog in de winkel. Daarna ging ik naar huis.

V: Hoe ging dat?

A. [verdachte] kwam naast me staan toen ik samen met de baas van de [supermarkt] naar de kassa liep. [naam medeverdachte/getuige] was op dat moment nog in de winkel.

V: Wat was het plan?

A: Hetzelfde plan als de echte poging.

V: Wat was het plan?

A: [verdachte] zou [naam ] pakken met een mes. Ik bedoel daarmee dat hij [naam ] zou bedreigen. Dan zou het verder hetzelfde gaan als de overval. Het vastmaken moest van [naam medeverdachte/getuige] .

V: Maar de 'baas' was dan toch ook nog in de winkel.

A: Ja maar. [naam medeverdachte/getuige] heeft niet alles verteld. Er waren drie pogingen.

V: Waarover hebben we het nu dan?

A: De eerste keer met [verdachte] .

M: We moesten even goed op papier krijgen wat je nu zegt.

V: Dus wat heeft er echt gespeeld.

A: De eerste keer was met [naam ] . Dit was een week voor het ‘WC’ incident.

Toen stonden [verdachte] en ik in de winkel. [naam ] had ons toen achter in de winkel ‘gepakt’. Wij, [verdachte] en ik, moesten ons verstoppen van [naam medeverdachte/getuige] . We zouden toen hetzelfde plan uitvoeren van de werkelijke overval. We wilde een overval plegen. We wilde dit met een mes doen. We hadden allebei zeker één mes bij ons per persoon.

V: Waarom ging het niet door?

A: [verdachte] durfde niet meer.

V. Wat was het plan met [naam medeverdachte/getuige] .

A: [naam ] pakken.

V: Hoe besprak je dat met [naam medeverdachte/getuige] ?

A: Via internet.

V: Via welk medium?

A: Instagram.

V: Vertel eens gedetailleerd over het maken van de plannen.

A: Ik hoefde niets te maken. [naam medeverdachte/getuige] deed het maken van het plan. Hij had een heel lang verhaal. Dit was kort voor de eerste keer. Ongeveer twee weken voordat ik voor de eerste keer probeerde.

V. Wie kwam er met het plan voor de [supermarkt] te overvallen?

A: Hij vroeg mij: “Wil jij een overval doen op de [supermarkt] ?" Ik zei meteen: “Ja”. Hij zei toen niet meteen wat het plan zou zijn. Het plan werd mij verder medegedeeld via instagram.

M: Goed, [verdachte] wilde niet meer. Het was de eerste keer.

V: Wat hebben jullie toen gedaan?

V: Hebben jullie daarna nog contact gehad met [naam medeverdachte/getuige] ?

A: [naam medeverdachte/getuige] vroeg waarom het niet doorging via Instagram. Ik legde het hem uit.

V: Verder sprak je niet na de overval met [verdachte] ?

A: Nee.

V: Was [verdachte] de tweede keer niet bang?

A: Jawel een beetje.

V: Wat maakte het verschil deze keer dan? De kans was natuurlijk dat [naam ] er weer was.

A: We wisten dat de baas er zou zijn. We wisten dat [naam ] er niet zou zijn. We wisten dit van [naam medeverdachte/getuige] .

V: Als [naam ] er wel zou zijn. Zou [verdachte] dan niet meegaan?

A: Jawel. [verdachte] wilde ook geld.

V: Hoelang zat er tussen de tweede poging en de werkelijke overval?

A: Ongeveer twee weken.

V: En de gesprekken tussen jou en [verdachte] ?

A: Die zijn er wel nog.

V: Ben je bereid om de gesprekken te delen met ons?

A: Ja kopie ervan wel. (Zie hierna).

V: Hoe kwam [verdachte] in jullie verhaal tevoorschijn?

A: [naam medeverdachte/getuige] had aangegeven dat hij het verstandiger vond om een extra man erbij te hebben. Ik benaderde [verdachte] ervoor.

V: Van alle mensen die je kent benaderde je [verdachte] ?

V: Dus, als we je laten inloggen mogen we printscreen maken van de gesprekken tussen jou en [verdachte] ?

A: Ja6

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 13 april 2021 7;

Ik kende [medeverdachte] . Ik noem hem [medeverdachte] . Hij heeft op 17 juli 2020 in Elsloo de [supermarkt] overvallen.
Daarvóór ben ik samen met [medeverdachte] twee keer rond sluitingstijd naar de [supermarkt] in Elsloo gegaan. Een keer heeft [medeverdachte] zich opgesloten in de WC, ik zou dat ook doen, maar heb dat niet gedaan. [medeverdachte] is toen betrapt en naar buiten geleid. Ik ben toen onopvallend met [medeverdachte] meegelopen naar buiten.

De eerste was ongeveer een week daarvoor. [medeverdachte] stuurde mij een berichtje dat er geen camera’s hingen. Het klopt dat ik een mes heb gekocht en [medeverdachte] had ook een mes. Zijn mes had hij zelf aangeschaft, dat heb ik niet gekocht voor hem. Ik weet niet of [medeverdachte] een taser had. Hij zei wel dat hij een medewerker zou taseren. We hadden allebei een capuchon op en we hadden ook tape om de medewerkers vast te binden. Vooraan in de winkel durfde ik niet meer en dat heb ik ook tegen [medeverdachte] gezegd. We zijn toen weggegaan. De tweede keer durfde ik eigenlijk niet maar [medeverdachte] heeft mij overgehaald, daarom ben ik weer meegegaan. Hij zei dat ik geen man was als ik niet mee ging. Ik wilde ook geen watje zijn, In de winkel heb ik me ook bewust niet op de WC ingesloten. Ik heb me toen opvallend gedragen en naar producten in de winkel gekeken. Mijn capuchon heb ik wel opgehouden. Ik ging toen [medeverdachte] op de WC zat niet weg, omdat ik [medeverdachte] niet alleen wilde achterlaten in de winkel.
In de Appjes met [medeverdachte] heb ik mij stoerder voorgedaan dan ik echt ben.

De verklaring van de verdachte bij de politie 8:

Ik wil zeggen met betrekking tot die pogingen, daar heb ik wel aan meegedaan. Ik kreeg een berichtje via Insta van [medeverdachte] . Hij had een plan om de [supermarkt] te overvallen. Hij vroeg aan mij of ik mee wilde doen?

We spraken een keer buiten af en toen zei hij dat er geen camera’s hingen bij de [supermarkt] te Elsloo. We zouden dan tegen sluitingstijd, ik meen 19.00-20.00 uur naar binnen gaan.

Van tevoren is afgesproken dat ik een van de werknemers zou pakken, een zak over het hoofd doen en dan naar het magazijn lopen.

Toen we naar binnen gingen zei ik dat ik niet meer wilde. Ik ben toen niet gelijk naar buiten gegaan. Ik liep achter die jongen aan en toen liep een werknemer langs ons. En ik deed mijn best om op te vallen, omdat ik niet meer durfde, maar ik durfde ook geen nee te zeggen tegen die andere jongen.

Die andere jongen had een rugzak bij zich en daarin zat mijn tasje en weer daarin mijn telefoon. Ik was bang dat zij mij zouden herkennen aan het tasje. Ik heb dat vaker om.

Ik had mijn jas aan met mijn capuchon, die had ik op. Ik heb die capuchon niet afgedaan.

Die medewerker sprak ons aan en zei dat we met hem mee moesten lopen. Hij nam ons mee naar de deur en zei dat ze dicht gingen. We zijn toen ook weggegaan.

Ik heb tegen die andere jongen kenbaar gemaakt dat ik het eigenlijk niet wilde. Hij zei dat we niet meer terug konden.

De verklaring van [medeverdachte] klopt als hij zegt dat de eerste keer met [naam ] was. Dit was een week voor het WC-incident. Toen stonden hij en ik in de winkel. [naam ] had ons toen achter in de winkel gepakt. Wij moesten ons daar van [naam medeverdachte/getuige] (rechtbank: medeverdachte [naam medeverdachte/getuige] ) verstoppen. We zouden toen hetzelfde plan uitvoeren van de werkelijke overval. We wilden een overval plegen. We wilden dit met een mes doen. We hadden allebei zeker een mes bij ons per persoon.

Het mes had ik in mijn zak. Ik had dat eerder gekocht bij de Blokker. Het mes dat [medeverdachte] bij zich had heb ik in de [supermarkt] niet gezien, wel daarvoor. Ik wist dat hij een mes bij zich had.

Het WC-incident was poging 2. Dat ging eigenlijk hetzelfde als de eerste keer, maar mij hebben ze niet gezien. [medeverdachte] zat op de WC. Ik had weer een mes bij mij in mijn zak. Mijn tasje zat weer in zijn rugzak. Zodat ik niet herkend zou kunnen worden. [medeverdachte] had ook weer een mes bij zich. We liepen een beetje door de winkel en toen rende [medeverdachte] de WC in. Ik niet. Hij rende de WC in om na sluitingstijd weer de winkel in te gaan. Dan zouden wij de medewerkers bedreigen met de messen. Daarmee wilden wij bereiken dat zij de kassa en de kluis open zouden doen. Ik heb mij niet in de WC verstopt. Ik was gewoon in de winkel. Ik keek naar de producten in de winkel. Ook nu durfde ik niet, maar ben niet de winkel uitgelopen omdat ik [medeverdachte] niet alleen wilde laten. [medeverdachte] werd toen betrapt door een andere medewerker. Wij zijn toen samen de winkel uitgegaan.

Bij de 2e poging had [medeverdachte] een taser bij zich, maar die was niet compleet opgeladen. Ik heb die toen gezien, maar niet in de [supermarkt] zelf.

Overweging ten aanzien van het bewijs

De raadsvrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd inhoudende dat er sprake is van (telkens) vrijwillige terugtred door de verdachte, waarbij zij benadrukt dat daarbij in aanmerking moet worden genomen dat de verdachte destijds 14 jaar was.

De officier van justitie verzoekt het verweer te verwerpen omdat volgens haar van vrijwillige terugtred geen sprake is.


De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Ingevolge artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bestaat voorbereiding noch poging indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.

Als aan het vorenstaande is voldaan, wordt van vrijwillige terugtred gesproken. In casu zijn voorbereidingshandelingen tenlastegelegd.

Voor de strafbaarheid van voorbereiding is niet vereist dat het door de verdachte beoogde misdrijf kan worden voltooid. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte(n) strekten ter voorbereiding van dat misdrijf en dat zijn/hun opzet op het begaan daarvan was gericht (vgl. HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233, NJ 2014/338).”

Dat betekent ook dat de vraag of het in [supermarkt] tot een (begin van) uitvoering is gekomen, op zichzelf niet bepalend is. Uit de bewijsmiddelen blijkt afdoende dat de gedragingen van de verdachten strekten ter voorbereiding van het overvallen van de [supermarkt] en dat hun opzet op het begaan daarvan was gericht.

De eerste keer als de verdachten zich naar de [supermarkt] begeven, zo stelt de verdachte, durfde/ wilde hij bij binnenkomst niet meer en zei hij dit ook tegen [medeverdachte] . De verklaring van de verdachte wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte] die bovendien verklaart dit later ook nog zo aan [naam medeverdachte/getuige] te hebben uitgelegd toen die wilde weten waarom de overval niet was doorgegaan. Geconcludeerd kan worden dat de overval mogelijk niet enkel niet doorgegaan is omdat de verdachten werden betrapt.

In beginsel zou dit vrijwillige terugtred kunnen opleveren omdat de verdachte expliciet afstand lijkt te doen van wat de verdachte en de medeverdachten zich hadden voorgenomen; de overval op de [supermarkt] . De voorbereiding zou gelet op het bepaalde in artikel 46b Sr daarmee geacht kunnen worden niet (meer) te bestaan. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen echter ook blijkt dat de verdachte niet daadwerkelijk afstand heeft gedaan van zijn voornemen de [supermarkt] te overvallen. De verdachte en de medeverdachten zijn een week later immers weer - voorbereid als eerder - naar de [supermarkt] gegaan om een overval te plegen. Dat maakt dat de vrijwillige terugtred de eerste keer niet aannemelijk is geworden.

Dat de verdachte de tweede keer in de winkel wederom afstand heeft genomen van het plegen van een overval en vrijwillig is terug getreden is niet aannemelijk geworden omdat enkel de verdachte dit verklaart en dit verder niet wordt ondersteund door andere verklaringen of relevante feiten of omstandigheden. Zo is de verdachte in de winkel gebleven totdat de verdachten - nadat de medeverdachte was ‘betrapt’ in de WC - naar buiten werden gestuurd en heeft hij zijn capuchon opgehouden in de winkel.

Dat de verdachte pas 14 jaar was en denkt als een 14-jarige, kan aan hetgeen hiervoor is overwogen niet afdoen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Dat betekent dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

omstreeks de periode van 28 juni 2020 tot en met 4 juli 2020 in de gemeente Stein

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

meermalen, telkens ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten afpersing in vereniging en/of diefstal met geweld in vereniging (artikel 317 jo. 47 en/of artikel 312 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk voorwerpen, te weten messen en een taser en een rugzak en capuchons bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Medeplegen van voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten afpersing in vereniging en/of diefstal in vereniging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van
5 maanden met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de medeverdachten en een locatieverbod voor de [supermarkt] .

Daarnaast moet aan de verdachte een taakstraf worden opgelegd in de vorm van de leerstraf Tools4U van 25 uren, subsidiair 12 dagen jeugddetentie en een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit, voor zover de rechtbank tot een veroordeling komt, dat de leerstraf Tools4U een voldoende bestraffing vormt. Daarnaast, rekening houdende met de straf die de verdachte al van zijn ouders heeft gehad, nog een voorwaardelijke straf opleggen is te zwaar.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van voorbereidingshandelingen voor een overval op de [supermarkt] in Elsloo. Er is een plan waarbij de medeverdachte [naam medeverdachte/getuige] – die werkzaam is in de [supermarkt] - gedetailleerde informatie omtrent de winkel, de juiste medewerker om te overvallen en de locatie van de kluis heeft verstrekt aan [medeverdachte] . [medeverdachte] betrekt de verdachte er vervolgens bij. [medeverdachte] en de verdachte willen samen de [supermarkt] overvallen en hebben daartoe in de tenlastegelegde periode voorbereidingshandelingen verricht als in de tenlastelegging genoemd.

De verdachte gaat ook daadwerkelijk samen met [medeverdachte] twee keer kort voor sluitingstijd naar de [supermarkt] , waarbij beiden een mes en/of een taser bij zich hebben, een rugzak voor de buit en de capuchons over het hoofd. Het komt beide keren gelukkig niet tot een overval. Beide keren worden ze de winkel uit gestuurd omdat het sluitingstijd is.

Het is een feit van algemene bekendheid dat er bij slachtoffers van winkelovervallen, lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid (kunnen) blijven bestaan, waardoor zij in hun deelname aan het maatschappelijk verkeer ernstig kunnen worden belemmerd. Het zorgt daarnaast voor gevoelens van angst en onveiligheid, voor de in de winkel aanwezige klanten en de samenleving in het algemeen. De verdachte heeft zich om deze (mogelijke) gevolgen in het geheel niet bekommerd. Bovendien heeft de verdachte door voorbereidingshandelingen te plegen voor een overval laten blijken geen respect te hebben voor andermans eigendommen en alleen maar gedacht aan eigen financieel gewin.

De rechtbank houdt ten voordele van de verdachte rekening met de ondergeschikte rol die de verdachte bij het bewezenverklaarde feit heeft gehad en dat door de medeverdachte een zekere druk is uitgeoefend waarvoor de verdachte is gezwicht door zijn jongere leeftijd.

De persoon van de verdachte

Bij de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van het strafblad van 5 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die op de zitting zijn besproken en zoals die ook volgen uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 25 februari 2021.

De Raad acht de kans op recidive laag. De verdachte lijkt er minder van doordrongen dat het voorbereiden van een overval ook een ernstig strafbaar feit is. De verdachte heeft met de Raad open over de voorbereidingshandeling gepraat en niet gehinderd door schuldgevoel gepraat over wat hij heeft gedaan. Hij heeft een mes gekocht, de plannen doorgesproken met de mededader en twee keer het voornemen gehad om de geplande overval daadwerkelijk te plegen.

Het valt op dat de [verdachte] tussen het moment dat hij werd benaderd door de mededader en de daadwerkelijke overval niemand in vertrouwen heeft genomen om over deze plannen te praten terwijl hij op zitting wel heeft aangegeven dat het voor hem een dilemma was om al dan niet mee te doen aan de overval. Ook is de verdachte verwonderd als hij hoort dat de overval op 17 juli 2020 daadwerkelijk is gepleegd en is gelukt. Hij heeft in het onderzoek niet laten zien dat hij op enig moment de overval heeft willen voorkomen; hij heeft blijkbaar de loyaliteit naar zijn vriend en mededader een hogere waarde toegekend. Dit laat zien dat [verdachte] denkfouten maakt.

Uit het onderzoeksinstrument komen echter geen grote zorgen naar voren. Op school laat [verdachte] wel een minimale inzet zien maar thuis zijn er volgens moeder en de verdachte geen zorgen over zowel de ontwikkeling als het gedrag van de verdachte. Het valt de Raad hierbij wel op dat de verdachte dagelijks door zijn moeder naar school wordt gebracht zodat er geen problemen kunnen ontstaan maar dat hij anderzijds soms tot 24.00 uur of later op straat mocht blijven.

Ondanks dat het onderzoeksinstrument laat zien dat het risico om te recidiveren laag is en een gedragsinterventie niet aan de orde, vindt de Raad het van belang dat [verdachte] leert om goede keuzes te maken, leert om nee te zeggen en leert om hulp te vragen. De Raad vindt het van meerwaarde en noodzakelijk dat de verdachte dit gaat leren. De leerstraf TOOLS4U Plus (25 uur) is hiervoor een passende interventie waarbij zijn ouder(s) ook betrokken worden. De verdachte is een first-offender en de kans op recidive is laag. De Raad acht een jeugddetentie gelet hierop niet passend. De raad heeft ook overwogen of inzet van jeugdreclassering noodzakelijk is. Er zijn in het onderzoek echter onvoldoende gronden en domeinen naar voren gekomen waarop jeugdreclassering zou moeten toezien. Een (deels) voorwaardelijke werkstraf is vooral bedoelt als stok achter de deur voor [verdachte] om niet te recidiveren.

Ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte oprecht spijt heeft over wat hij heeft gedaan.
Ook de ouders geven aan dat ze ten zeerste afkeuren wat er is gebeurd en hebben aangegeven er alles aan te doen dat dit niet nog een keer gebeurt.

De straf

De rechtbank houdt eveneens rekening met de landelijke rechterlijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting die gelden voor dit soort feiten.

De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat het strafadvies van de Raad moet worden gevolgd. Een jeugddetentie acht zij niet passend gelet op de leeftijd van deze verdachte en de (kleine) rol die deze verdachte in het geheel heeft gehad. De rechtbank zal aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een leerstraf van 25 uren, subsidiair 12 dagen jeugddetentie, bestaande uit de cursus Tools4U regulier opleggen. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren, opleggen, als stok achter de deur. Het verbinden van bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf als door de officier van justitie geëist, acht de rechtbank niet opportuun.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 46, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77z, 77gg van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van de leerstraf Tools4U regulier van 25 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 12 dagen;

  • -

    veroordeelt de verachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 30 dagen;

  • -

    bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, mr. C.M.J. van den Acker en mr. E.J.M. Boogaard-Derix, kinderrechters, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2021.

Mr. C.M.J. van den Acker en mr. E.J.M. Boogaard-Derix zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 28 juni 2020 tot en met 4 juli 2020 in de gemeente Stein, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten afpersing in vereniging en/of diefstal met geweld in vereniging (artikel 317 jo. 47 en/of artikel 312 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een of meer voorwerpen, te weten messen en/of een taser en/of een rugzak en/of een of meer capuchons bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

( art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB3R020128, gesloten d.d. [geboortegegevens] 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 371.

2 Proces-verbaal van aangifte van [naam ] , pagina 24.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 30.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 34.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 253-257

6 Bijlage bij het Proces-verbaal verhoor verdachte (pagina’s 253-257), pagina’s 261-271, inhoudende gesprekken tussen [medeverdachte] en [verdachte] in de tenlastegelegde periode.

7 Proces-verbaal van de terechtzitting van 13 april 2021.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 362-368.