Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3544

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
ROE 21/908 en ROE 21/411
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Betreft beroep van een aantal milieuorganisaties tegen een door Gedeputeerde Staten (GS) verleende ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming ten behoeve van de ontwikkeling van een bedrijventerrein in het plangebied Klaver 14 in Venlo. Tevens is een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter volgt de milieuorganisaties niet in hun betoog dat de dassenpopulatie in het gebied Zaarderheiken op het plangebied is aangewezen om te kunnen foerageren. Daarvoor was geen ontheffing vereist. De verleende ontheffing ziet op het op termijn afsluiten van een aantal dassenpijpen die worden gebruikt door dassen ten oosten van het plangebied om in het plangebied te foerageren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat GS deze ontheffing hebben kunnen verlenen. Er is voorzien in voldoende compensatiegebied en de aan de ontheffing verbonden voorschriften waarborgen dat de dassen die compensatiegronden goed kunnen bereiken en dat die ook in de toekomst functioneel blijven. Het beroep is ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 21/908 en AWB/ROE 21/411

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Dassenwerkgroep Limburg te Margraten, Stichting Das en Boom te Ubbergen en de Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg te Maastricht, eiseressen,

(gemachtigde: drs. J.W.M. Baars),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder,

(gemachtigden: P.G.W. Janssen-Limpens en mr. J. Jansen-Schoonhoven).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo, te Venlo,

(gemachtigde: mr. J.L. Stoop).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo (hierna: vergunninghoudster) een ontheffing verleend van de verbodsbepalingen als bedoeld in artikel 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Eiseressen hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 9 maart 2021 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit onder verbetering van de motivering in stand gelaten.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Vergunninghouder heeft nadere stukken ingediend en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Eiseressen hebben een notitie ‘Regenwormen en territoriumgrootte’ van dr. ir. J.J. Schröder ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Feiten en omstandigheden

2. Op 20 februari 2020 heeft vergunninghoudster een ontheffing aangevraagd van de verbodsbepalingen in de artikelen 3.5 en 3.10 van de Wnb in verband met de realisatie van Business Park Greenport Venlo, omgeving Heierkerkweg (voorheen bekend als Klaver 14). De planlocatie (+/- 28 ha) aan de Heierkerkweg is onderdeel van de gebiedsontwikkeling Klaver 4 / Greenport Venlo en bestaat uit voormalige akkerpercelen die worden gebruikt als grasland en evenemententerrein. Bovendien bevat de locatie een voetgolfterrein. De hele planlocatie heeft de bestemming ‘Bedrijventerrein’. De initiatiefnemer is voornemens om op de planlocatie een bedrijventerrein met de daarbij behorende infrastructuur te realiseren. Ten behoeve van deze ontwikkeling zullen de graslanden verdwijnen en is een gedeelte van een bosschage gekapt. Voor de aanleg van toegangswegen worden enkele bomen gekapt. Uit de ecologische onderzoeken is gebleken dat diverse vleermuissoorten de planlocatie als vliegroute en foerageergebied gebruiken en dat de das de planlocatie als foerageergebied gebruikt. De ontheffing is gevraagd tot 10 jaar na de verlening. Bij de aanvraag zijn het ‘Activiteitenplan Greenport Business Park (Klaver 14) Heierkerkweg ong. te Venlo’ van 10 februari 2020, het rapport ‘Aanvullende Ecologische Onderzoeken t.b.v. Toekomstige Klaver 14, Heierkerkweg Ong. te Venlo’ (eindrapportage) van 4 november 2019 en een ‘Quickscan Flora en Fauna Klaver 14 te Venlo’ van 4 februari 2019 gevoegd. Daarna is de aanvraag aangevuld met een (aanvullende) rapportage ‘Activiteitenplan Greenport Business Park (Klaver 14) Heierkerkweg Ong. te Venlo’ van 20 juli 2020 (hierna: Activiteitenplan). Deze rapporten zijn in opdracht van vergunninghoudster opgesteld door Econsultancy, een ecologisch advies- en onderzoeksbureau.

Besluitvorming

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan vergunninghoudster een ontheffing verleend op grond van artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb van het verbod op het opzettelijk verstoren van de Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Gewone grootoorvleermuis en Watervleermuis en op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb heeft verweerder aan vergunninghoudster ontheffing verleend van het verbod op het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de Das voor de realisatie van bedrijventerrein ‘Business Park Greenport’ (Klaver 14) aan de Heierkerkweg in Venlo met een geldigheidsduur tot 1 augustus 2030. In de ontheffing is bepaald dat de voorschriften betreffende de permanente compenserende maatregelen van kracht blijven na afloop van de periode van de ontheffing en dat de aanvraag en de daarbij behorende stukken ontvangen op 20 februari 2020 en aangevuld op 20 juli 2020 deel uitmaken van deze ontheffing, behoudens voor zover daarvan bij het besluit niet wordt afgeweken. Aan de ontheffing zijn 26 voorschriften verbonden, waaronder het voorschrift dat de maatregelen zoals opgenomen in hoofdstuk 7 van het Activiteitenplan en de voorschriften van het besluit uitgewerkt moeten worden in een ecologisch werkprotocol, dat altijd op de locatie aanwezig is en waarmee het uitvoerend personeel bekend is. Verder is onder meer als voorschrift aan de ontheffing verbonden dat de werkzaamheden gefaseerd plaatsvinden buiten het broedseizoen en buiten de kwetsbare periode van de das (dus tussen juli t/m november).

4. Op 1 september 2020 is conform voorschrift 10 de eindrapportage ‘Rapportage ecologisch werkprotocol Greenport Business Park te Venlo’ door Econsultancy opgesteld en aan verweerder toegezonden. Het ecologisch werkprotocol is opgesteld voor de das (diverse vluchtpijpen en functioneel leefgebied) en de vliegroute met zijdelings foerageergebied voor de diverse vleermuissoorten. Het afrasteren van de planlocatie en afsluiten van de dassenpijpen op het oostelijk deel van de planlocatie is vanaf augustus, respectievelijk september 2021 gepland ervan uitgaande dat de te realiseren compensatiegronden voor het verlies van foerageergebied binnen de planlocatie dan minimaal zes maanden gereed zijn. De planning in verband met de aanleg van faunatunnels onder de Venrayseweg is daarna aangepast bij het ‘Ecologisch Werkprotocol Greenport Business Park te Venlo’ van

27 november 2020.

5. Eiseressen hebben bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Onder meer is aangevoerd dat de berekening van de omvang van de compensatiegronden voor het foerageergebied van de das, dat binnen het projectgebied verloren gaat, onjuist is uitgevoerd. Volgens eiseressen is daarbij het ‘kennisdocument Das’ niet juist toegepast. Verder is aangevoerd dat de compensatiegronden niet voldoen en dat de geplande dassenroutes en de aan te leggen kunstburcht niet zullen functioneren. Tevens is onder meer aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de ontwikkelingen rond Parc Zaarderheiken en dat de staat van instandhouding van de das regionaal zeker niet gunstig is.

6. Op 23 oktober 2020 heeft verweerder ten behoeve van de Adviescommissie bezwaarschriften Provincie Limburg (de bezwaarcommissie) een verweerschrift opgesteld naar aanleiding van de ingediende bezwaren. Hierop heeft eiseres bij schrijven van

2 december 2020 gereageerd. Verweerder heeft op verzoek van de bezwaarcommissie bij schrijven van 21 december 2020 aanvullend verweer gevoerd. Op de reactie van verweerder van 21 december 2020 heeft eiseres op 27 december 2020 gereageerd.

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren, die eiseressen tegen het primaire besluit hebben aangevoerd, ongegrond verklaard.

Beroep

Beroepsgronden

8. Eiseressen voeren in beroep aan dat de ontheffing niet verleend had mogen worden en dat de daartegen aangevoerde bezwaren ten onrechte zijn gepasseerd. Daartoe betogen zij dat het onderzoek van het onafhankelijke adviesbureau Econsultancy niet volledig is geweest en dat daarbij het Kennisdocument Das niet is gevolgd, waardoor onjuiste conclusies zijn getrokken. Eiseressen wijzen op het door hun gemachtigde opgestelde rapport “De dassenpopulatie en het toekomstige golfterrein Parc Zaarderheiken” d.d. 21 september 2020 (hierna ook: het rapport Zaarderheiken). In dit rapport wordt het grote belang van het gebied Klaver 14 voor de dassenpopulatie in Zaarderheiken beschreven. Volgens eiseressen heeft verweerder dat rapport niet in zijn heroverweging betrokken, althans daar niet op gereageerd, terwijl ook de bezwaarcommissie verweerder de vraag heeft gesteld in hoeverre dat rapport in de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar van eiseres is betrokken. Eiseressen concluderen dat Econsultancy, noch verweerder inhoudelijk is ingegaan op hetgeen in haar rapport naar voren is gebracht omdat er geen tegenonderzoek heeft plaatsgevonden naar haar bevindingen.

Standpunt vergunninghoudster

9. Vergunninghoudster heeft vervolgens nog een memo van Econsultancy van 1 april 2021 overgelegd waarin wordt gereageerd op hetgeen in bezwaar en in beroep is aangevoerd. Verder is onder meer een geactualiseerd ‘Ecologisch werkprotocol’ van 11 maart 2021 van Econsultancy overgelegd, alsmede aanvullende stukken waarin is aangegeven wat de stand van zaken is. Daarin is vermeld wat aan compensatiegebied is uitgevoerd en wat nog uitgevoerd moet worden ter uitvoering van de verleende ontheffing. Ten slotte is een brief en controlerapport naar aanleiding van een verzoek om handhaving overgelegd. Daarna heeft de gemachtigde van vergunninghoudster nog een schriftelijke uiteenzetting gegeven naar aanleiding van de geformuleerde bezwaren tegen de ontheffing.

Notitie eiseressen

10. Eiseressen hebben nog een notitie ‘Regenwormen en territoriumgrootte’ van dr. ir. J.J. Schröder (hierna: notitie) in het geding gebracht, waarin het belang van de aanwezigheid van bemeste en begraasde graslanden voor het voedselaanbod van de das is onderbouwd en benadrukt.

11. De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader

Beschermingsregime dassen

12. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb is het, onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, verboden: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

In artikel 3.10, tweede lid, van de Wnb is bepaald dat artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing is op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:

a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde;

(...)

h. in het algemeen belang,

(…).

Beoordeling beroepsgronden

13. Het beroep van eiseressen komt er in de kern op neer dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en genomen omdat het onderzoek van Econsultancy dat daaraan ten grondslag ligt, onvolledig is geweest en dat daarbij niet is ingegaan op de bevindingen in het rapport Zaarderheiken, althans dat de daarin beschreven bevindingen onvoldoende zijn weerlegd.

14. De gemachtigde van eiseressen (hierna: Baars) heeft bij de behandeling van het beroep ter zitting desgevraagd verduidelijkt dat het beroep zich richt tegen de verleende ontheffing voor de das als bedoeld in artikel 3.10 van de Wnb. Daartoe voert Baars aan dat de aan te leggen compensatiegebieden niet voldoen en met name dat niet is verzekerd dat die in de toekomst hun functie zullen blijven vervullen. Daarvoor is een beheerplan noodzakelijk. Tevens heeft Baars verduidelijkt dat hij in zijn rapport Zaarderheiken heeft aangegeven dat de ingrepen in Klaver 14 ook gevolgen zullen hebben voor de dassenpopulatie in Zaarderheiken, waarvan de kraamburcht is gelegen in een bosje ten zuiden van de Heierhoevenweg in de nabijheid van de Buurtvereniging Heierhoeven. Volgens Baars zitten in deze burcht 5 à 6 dassen. In zijn rapport heeft Baars kritiek geuit op de rapporten van Meerveld en erop gewezen dat die populatie door de ontwikkeling van Parc Zaarderheiken ten noorden van hun burcht leef- en foerageergebied heeft verloren. Daardoor is er nu in Zaarderheiken een kleine, geïsoleerde dassenpopulatie die in de toekomst niet kan blijven bestaan zonder gebruik te kunnen maken van het plangebied Klaver 14 als foerageergebied. Hiermee is geen rekening gehouden, aldus Baars.

Gevolgen van de inrichting van Klaver 14 voor de dassenpopulatie in Zaarderheiken

15. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het beschermingsregime voor andere ‘nationale’ soorten, zoals de das, onder de Wnb ten opzichte van de voorheen geldende Flora- en Faunawet is gewijzigd. Voor genoemde soorten geldt nu een kleiner aantal verbodsbepalingen. Zo is het verbod op het verstoren van deze soorten vervallen. Daarnaast kennen de ‘nationale’ andere soorten ruimere ontheffingsmogelijkheden dan de soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Het foerageergebied van de das valt als zodanig niet langer onder de wettelijke bescherming ook niet wanneer dat samenvalt met een vaste voortplantingsplaats of rustplaats van de das. Wanneer foerageergebied verloren gaat maar vaste rust- of voortplantingsplaatsen niet worden aangetast, is pas sprake van het overtreden van een verbod, waarvoor ontheffing is vereist, indien door een ingreep essentieel foerageergebied voor de das verloren gaat, waardoor de das wordt gedwongen zijn burcht te verlaten. In dat geval is sprake is van het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust- of voortplantingsplaatsen als bedoeld in artikel 3.10 van de Wnb, waarvoor een ontheffing is vereist.

16. De voorzieningenrechter stelt vast dat de onderhavige besluitvorming is gebaseerd op de onderzoeken van Econsultancy. Daaruit blijkt dat de dassenpopulatie in Zaarderheiken niet foerageert in het plangebied van Klaver 14 omdat er door de ecologen geen wissels zijn aangetroffen die daarop duiden. Wel zijn latrines in het bos gevonden die erop duiden dat daar de grens van hun territorium ligt. Verder is de afstand van de burcht tot de rand van de planlocatie ongeveer 1,1 kilometer. Econsultancy heeft vastgesteld dat deze dassen nu vooral in het landbouwgebied ten zuiden van hun burcht foerageren. Econsultancy is te beschouwen als deskundig op dit gebied en heeft gedocumenteerd waarop hun bevindingen en rapporten zijn gebaseerd. Namens eiseressen is weliswaar in zijn algemeenheid aangevoerd dat het onderzoek van Econsultancy onvolledig is geweest, maar zij hebben niet concreet gemaakt, laat staan onderbouwd, dat Econsultancy van onjuiste feiten is uitgegaan. Voor het oordeel dat verweerder de rapporten van Econsultancy niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen, bestaat volgens de voorzieningenrechter geen grond.

17. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat in het rapport Zaarderheiken ook niet staat dat deze dassen thans zijn aangewezen op Klaver 14 om te foerageren of voor het uitwisselen van genetisch materiaal. In dat rapport wordt geconcludeerd dat de dassen in Zaarderheiken ten opzichte van het verleden een kleine, sterk geïsoleerde populatie is geworden en dat die populatie door alle ontwikkelingen sterk is aangewezen op het huidige gebied Zaarderheiken als leef- en foerageergebied. Naar aanleiding van het betoog ter zitting dat deze dassenpopulatie op termijn het plangebied van Klaver 14 nodig zal hebben als laatste uitwijkmogelijkheid nadat Parc Zaarderheiken is gerealiseerd, overweegt de voorzieningenrechter dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat door de ontwikkeling van Klaver 14 tot bedrijventerrein essentieel foerageergebied voor de dassen in Zaarderheiken verloren gaat waardoor deze gedwongen zullen worden hun burcht te verlaten. De nadelige invloed op de leefomgeving van deze dassenpopulatie is gelegen in de ingrepen in Parc Zaarderheiken en niet in de ontwikkeling van Klaver 14. De vraag of voor die ingrepen een ontheffing is vereist, is in een andere, thans aanhangige procedure, aan de orde. In het kader van die procedure kan overigens ook met de ontwikkeling van Klaver 14 voor deze populatie rekening worden gehouden voor zover die voor deze populatie van belang is. De beroepsgrond slaagt niet.

De ontheffing voor de dassen ten oosten van het plangebied Klaver 14

18. De voorzieningenrechter stelt vast dat de verleende ontheffing ziet op het op termijn, nadat het compensatiegebied volledig is ingericht en functioneel is, onbruikbaar maken van 4 dassenpijpen binnen het plangebied en 3 erbuiten. Ter compensatie wordt onder meer een grondhoop aangebracht die als potentiële burchtlocatie kan dienen en wordt een faunatunnel onder de N295 en een kleine faunatunnel onder de Venrayseweg aangelegd om de aan te leggen compensatiegronden goed en veilig bereikbaar te maken. Met andere maatregelen, zoals het plaatsen van dassenrasters (met ontsnappingspoortjes) wordt op termijn onmogelijk gemaakt dat deze dassen binnen het plangebied Klaver 14 kunnen foerageren. In de tussentijd worden de dassen ontmoedigd het plangebied te gebruiken. Aan de verleende ontheffing heeft verweerder de voorwaarde verbonden dat minimaal 15,9 ha nieuw optimaal leefgebied wordt aangelegd, zoals beschreven in paragraaf 7.2 van het Activiteitenplan. In de rapporten die deel uitmaken van de ontheffing is opgenomen dat (onverplicht) in totaal 23 ha compensatie zal worden gerealiseerd. De ontheffing geldt tot 1 augustus 2030 en de voorschriften betreffende de permanente compenserende maatregelen blijven van kracht na afloop van de periode van de ontheffing. De aanvraag en de daarbij behorende stukken (Activiteitenplan en Werkprotocol) maken deel uit van de ontheffing. De gemachtigde van vergunninghoudster heeft verder op zitting verklaard dat er een voorstel is gedaan aan de raad van de gemeente Venlo om de compensatiegebieden voor de das in het nieuwe bestemmingsplan “Greenpark Business Park” als zodanig te bestemmen. Vergunninghoudster is voor het grootste deel eigenaar van deze gronden en met de Pelgrimshoeve wordt privaatrechtelijk via een kwalitatieve verbintenis overeengekomen dat de gronden in de toekomst compensatiegebied voor de das blijven. Zo is ook planologisch gewaarborgd dat de gronden in de toekomst in gebruik blijven als compensatiegebied.

19. Baars heeft bij de behandeling van het beroep ter zitting zijn standpunt herhaald dat het maar de vraag is of de compensatie voldoende is en vooral of die ook in de toekomst functioneel blijft. Dit is essentieel voor de gunstige staat van instandhouding van de das en daarvoor acht hij een beheerplan noodzakelijk. Ervaringen uit het verleden leren dat compensatiegebieden weer verloren gaan als die niet goed worden beheerd. Daartoe heeft Baars foto’s getoond die betrekking hebben op een eerdere ontheffing bij de Californische weg. Volgens Baars gaat het bij de onderhavige ontheffing om een kleine burcht met 3 daarbij behorende pijpen en een populatie van waarschijnlijk 2 of 3 dassen. Het is de bedoeling dat die ten noorden van de locatie gaan foerageren. Omdat er ten noorden een andere dassenpopulatie tunnels onder de A73 bewoond, zullen die met elkaar gaan concurreren. Migratie van de dassen ten oosten van Klaver 14 naar het noorden om daar te foerageren wordt vanwege de daar aanwezige dassen moeilijk, aldus Baars.

20. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het Activiteitenplan dat bij de aanvraag hoort en dat deel uitmaakt van de ontheffing, afdoende blijkt dat de compensatie is berekend conform het Kennisdocument Das van Bij12. Eiseressen hebben weliswaar aangevoerd dat dit document niet is gevolgd, maar hebben niet concreet gemaakt dat er van dit document is afgeweken. Tot de compensatiegronden behoort ook bemest en begraasd grasland, zoals in de door eiseressen overgelegde notitie wordt bepleit. Uit het onderzoek van Econsultancy is verder gebleken dat de dassen al gebruik maken van de gronden gelegen ten noorden van de Greenportlane om te foerageren. Er zijn door de ecologen diverse wissels aangetroffen tussen het plangebied en het noordelijk deel. Daarbij zijn in het aangewezen zoekgebied voor compensatie geen andere dassen aangetroffen. Uit het rapport Zaarderheiken blijkt dat de meest dichtbijgelegen burcht of pijp die nog in gebruik is (of de laatste 3 tot 4 jaar is gebruikt) aan de oostzijde van de A73 ligt op ruim 1,5 kilometer van het voorgestelde compensatiegebied. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat er, mede in aanmerking genomen dat het thans om een populatie van 2 of 3 dassen gaat, voldoende compensatiegebied wordt ingericht en functioneel wordt gemaakt om de gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Door de planning, gefaseerde uitvoering van de werkzaamheden en verplichte monitoring, waarover door Econsultancy wordt gerapporteerd, is er geen aanleiding om aan te nemen dat er onvoldoende leefgebied en voedsel voor deze dassen is, waardoor die hun burcht zouden moeten verlaten. Verder geven de onderzoeken geen aanleiding om aan te nemen dat die dassen van de compensatiegronden geen gebruik kunnen maken vanwege andere dassen die in dat gebied (gaan) foerageren. Ten aanzien van de gestelde noodzaak van een beheerplan om ook in de toekomst de functionaliteit van de compensatiegebieden te waarborgen, heeft verweerder terecht gewezen op de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee de instandhouding van de compensatiegronden afdoende verzekerd. Daarbij is van belang dat, zoals onder 18 is weergegeven, de voorschriften betreffende de permanente compenserende maatregelen ook na afloop van de periode van de ontheffing van kracht blijven. Wanneer die voorschriften door vergunninghoudster niet worden nageleefd kan worden gevraagd om daartegen handhavend op te treden. Deze beroepsgronden slagen niet.

Conclusie

21. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 april 2021.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 april 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.