Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3523

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
C/03/288698 / HA RK 21-60
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking – hoor en wederhoor – vrees objectief gerechtvaardigd - toewijzing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/03/288698 / HA RK 21-60

Beslissing van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GESUNDHEITS-KONTOR BV,

gevestigd te Kerkrade,

vertegenwoordigd door de heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] ,

verzoekster,

gemachtigde drs. P.J.A.A. Wassen

dat strekt tot wraking van mr. P.H.M. Kuster, rechter in de rechtbank Limburg, (hierna: de rechter)

1 De procedure

De gemachtigde van verzoekster heeft op 19 februari 2021 een verzoek tot wraking van de rechter ingediend in de zaak met nummer 8990107 CV EXPLO 21- 542 tussen mevrouw [naam] , als eiseres en verzoekster (verder ook wel aangeduid als: GK) als gedaagde.

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft op 19 februari 2021 een schriftelijke reactie ingediend. Verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

De mondelinge behandeling van het verzoek was oorspronkelijk gepland op 19 maart 2021. Deze behandeling heeft in verband met de verhindering van gemachtigde en de vertegenwoordiger van verzoekster geen doorgang gevonden. Daarop is de mondelinge behandeling van het verzoek bepaald op 8 april 2021.

Op 7 april 2021 is er bericht van gemachtigde gekomen dat de vertegenwoordiger van verzoekster, de heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] , ter zitting niet kan verschijnen vanwege de aangescherpte maatregelen in Duitsland voor Covid-19.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 8 april 2021 waar gemachtigde van verzoekster is verschenen. De rechter was met bericht verhinderd.

De datum voor de uitspraak is bepaald op heden.

2 De gronden van het verzoek

Namens verzoekster is aangevoerd dat de vertegenwoordiger van GK een Duits staatsburger is die naast het Duits in staat is om het Nederlands op hoofdlijnen te begrijpen. Hij is echter ter zitting in het geheel niet aan het woord geweest terwijl er wel vragen zijn gesteld aan eiseres als wederpartij. De indruk bestond dat de rechter de Duitse taal onvoldoende beheerste. Op het door de gemachtigde gedane aanbod om de vragen aan de heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] te willen vertalen werd door de rechter geantwoord dat dit niet hoefde omdat er geen vragen waren. De vertegenwoordiger van GK werd niet betrokken in de procedure wat een vooringenomen standpunt van de rechter weergeeft. De vertegenwoordiger is in staat om Nederlandse vragen te interpreteren en deze in de het Duits te beantwoorden waarbij een eventuele aanvullende noodzakelijke vertaling door de gemachtigde mogelijk was. Verder geeft de rechter er blijk van geen kennis te hebben van de specifieke regelgeving en lijkt zij aan te haken bij verouderde wettelijke standpunten of inzichten. Verzoekster is in de lijn van artikel 6 EVRM geschaad in haar belangen.

3 Het standpunt van de rechter

De rechter merkt op dat het klopt dat zij geen vragen heeft gesteld aan de vertegenwoordiger van GK over de feiten. Zij had, na de uitvoerige uitleg van de gemachtigde en na hetgeen al daarover was gezegd in de stukken, geen vragen over de feiten. Wel had zij aan de gemachtigde van GK opheldering gevraagd bij enkele juridische punten. Dat er wel vragen zijn gesteld over de feiten aan eiseres en dat eiseres daar uitgebreid op heeft geantwoord, klopt ook. Aan het einde van de zitting is door de rechter aan de vertegenwoordiger van GK de gelegenheid geboden om via zijn gemachtigde nog iets toe te voegen of op te merken. Daarop is door de vertegenwoordiger gezegd dat alles was gezegd en dat hij niets toe te voegen had.

De rechter brengt verder naar voren dat zij in de grensstreek is opgegroeid en dat zij de Duitse taal zeer goed machtig is. Tegelijkertijd zegt zij dat in Nederland het Nederlands de rechtstaal is en dat zij, ondanks dat zij goed Duits spreekt en verstaat, de zitting in het Nederlands laat verlopen temeer daar het de vraag is of de griffier, de wederpartij en haar gemachtigde de Duitse taal ook goed beheersen. Het had de vertegenwoordiger vrijgestaan om een tolk mee te nemen en hij is ook in de gelegenheid gesteld om via zijn gemachtigde aan de zitting deel te nemen. Dat de zitting in het Nederlands heeft plaatsgevonden brengt niet met zich dat de rechter de schijn van partijdigheid kan worden verweten. En de mate van de beheersing van de buitenlandse taal evenmin.

Voor zover de vertegenwoordiger of de gemachtigde de indruk heeft gekregen dat de rechter (onderdelen van) het arbeidsrecht onvoldoende beheerst, merkt de rechter op dat dit geen reden is om te twijfelen aan de onpartijdigheid. Partijen zijn vrij om, mocht de rechter een onjuiste beslissing nemen, hoger beroep in te stellen. De kennis van het arbeidsrecht heeft niets te maken met de schijn van partijdigheid.

4 De beoordeling

De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van die partij daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

De wrakingskamer is van oordeel dat die uitzonderlijke omstandigheden die die vrees objectief rechtvaardigen zich hier voordoen en dat het verzoek tot wraking gegrond is. Zij overweegt het volgende.

Het recht op een eerlijke behandeling (“fair trial”) is een fundamenteel processueel beginsel, ook in het burgerlijk recht. Er vloeit o.a. uit voort dat beide partijen het recht hebben om gehoord te worden èn om te reageren op wat door de wederpartij of derden aan de rechter is voorgelegd.

Uit het verzoek tot wraking, de reactie daarop van de rechter en hetgeen ter zitting van de wrakingskamer is toegelicht leidt de wrakingskamer af dat de rechter eiseres uitgebreid in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de feiten die kennelijk - zo mocht daaruit worden afgeleid - van (meer of minder) belang waren voor de rechterlijke beoordeling van het geding tussen partijen en welke uitlatingen van eiseres een negatief beeld van GK schetsten en bepaald ook niet overeenkwamen met door GK overgelegde verklaringen.

De rechter heeft hierna de heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] van GK niet in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, ondanks het feit dat de gemachtigde van GK had aangeboden om bij vragen van de rechter aan de heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] te “tolken”. De rechter stelt dat zij geen vragen had over de feiten, nadat de gemachtigde de feiten die aan het verweer ten grondslag lagen uitgebreid uit de doeken had gedaan en daarover ook al het een en ander was gezegd in de conclusie van antwoord met bijbehorende producties.

Naar het oordeel van de wrakingskamer brengt het beginsel van hoor en wederhoor evenwel met zich dat de rechter al dan niet vragenderwijs de heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] dan wel de gemachtigde toch in de gelegenheid had behoren te stellen te reageren op deze uitgebreide en kennelijk voor GK negatief gekleurde uitlatingen.

Tegen het einde van de zitting, en nadat nog een discussie was gehouden over juridische punten, heeft de rechter wel gevraagd of de heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] , via zijn gemachtigde, nog wat wilde zeggen. De heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] heeft toen in het Duits tegen zijn gemachtigde gezegd dat alles gezegd was en dat hij niets had toe te voegen. De gemachtigde heeft ter zitting van de wrakingskamer hierover opgemerkt dat deze opmerking van de heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] voortkwam uit het gevoel dat het geen zin meer had nog iets toe te voegen omdat het ‘een gelopen race’ was, veel meer dan dat feitelijk ‘alles was gezegd’ en ‘hij niets meer toe te voegen had’.

Hoewel voorop staat dat het in het burgerlijk recht in de eerste plaats de rol en taak is van een gemachtigde om aandacht te vragen voor het standpunt van zijn of haar partij (en daarvoor eventueel ook een tolk mee te nemen naar zitting), ontslaat dat een rechter niet van de verplichting om (ook zelfstandig) oog te hebben en houden voor het toepassen van hoor en wederhoor.

In het licht van de concrete omstandigheden, zoals hiervoor aangegeven (kort gezegd de combinatie van: het wel uitgebreid feitelijk laten reageren van eiseres, het tegelijkertijd passeren van het aanbod van de gemachtigde van GK om in het Duits te tolken bij feitelijke vragen aan- en antwoorden van de heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] en slechts het enkel ruimte bieden aan de heer [naam vertegenwoordiger verzoekster] voor een beperkte slotopmerking), kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet gezegd worden dat er door de rechter uiteindelijk voldoende aandacht is geweest voor het toepassen van hoor en wederhoor.

Hierdoor kon de bij GK ontstane vrees voor vooringenomenheid een zodanige vorm krijgen dat die vrees objectief gerechtvaardigd is, wat de wrakingskamer tot het oordeel brengt dat het verzoek tot wraking gegrond is. De wraking zal worden toegewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking van de rechter toe.

Deze beslissing is gegeven door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. P. Hoekstra en mr. M.B. Bax, leden, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2021.1

1 type: coll: