Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3395

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
9117027 CV EXPL 21-1727
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Huur. Overlast. Ontruiming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 9117027 CV EXPL 21-1727

Vonnis in kort geding van de kantonrechter / voorzieningenrechter van 19 april 2021

in de zaak van

de stichting WONINGSTICHTING SERVATIUS

statutair gevestigd in Maastricht en kantoorhoudend aan het Wim Duisenbergplantsoen 41 (6221 SE) Maastricht

eiseres

gemachtigde mr. G. Vansant, advocaat in Maastricht

t e g e n

1 [gedaagde sub 1]

wonend aan het [adres] [woonplaats]

gedaagde sub 1

gemachtigde mr. W.G.M.M. van Montfort, advocaat in Heerlen

2 [gedaagde sub 2]

3. [gedaagde sub 3]

beiden handelend onder de naam [handelsnaam], in hun hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde]

zaakdoend in [vestigingsplaats]

gedaagden sub 2 en 3

gemachtigde [naam gemachtigde] van [handelsnaam] in [vestigingsplaats] .

Partijen worden hierna Servatius respectievelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en sub 3] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties 1 tot en met 23

  • -

    de door Servatius nagezonden productie 24

  • -

    de pleitnota van mr. Van Montfort

  • -

    de schriftelijke reactie van [naam gemachtigde]

  • -

    de mondelinge behandeling van 15 april 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] heeft met Servatius een schriftelijke huurovereenkomst gesloten op grond waarvan hij sedert 22 januari 2018 van Servatius de woonruimte aan het [adres] te [woonplaats] (verder: de woning) in huur gekregen heeft. Op deze overeenkomst zijn de ‘Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte’ van toepassing.

2.2.

In deze algemene bepalingen staat voor zover relevant:

“(…) 13.7 Huurder zal omwonenden of huurders van hetzelfde gebouw of complex geen hinder of last bezorgen en er voor zorgdragen dat de bij hem met zijn goedvinden aanwezige derden alsmede zijn of hun bezoekers dit evenmin doen. (…)

13.9

Huurder zal zich gedragen en het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt. (…)”

2.3.

Bij beschikking van 28 augustus 2017 zijn de goederen van [gedaagde sub 1] onder bewind gesteld met benoeming van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , vennoten van [handelsnaam] , tot bewindvoerders.

3 Het geschil

3.1.

Servatius vordert de veroordeling van [gedaagde sub 2 en sub 3] - de facto [gedaagde sub 1] - en [gedaagde sub 1] voorwaardelijk (voor het geval tussen de datum van het vonnis en de datum van ontruiming het bewind beëindigd mocht worden) bij wege van onmiddellijke voorziening bij voorraad tot ontruiming van de woning en betaling van de proceskosten en nakosten.

3.2.

Servatius legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 1] ernstig tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en zich niet als goed huurder gedragen heeft. Daartoe voert Servatius aan dat [gedaagde sub 1] vanaf 2018 overlast aan omwonenden veroorzaakt, welke overlast bestaat uit geluidsoverlast (stampend / luid door trappenhuis lopen, kloppen op / hard dichtgooien van en intrappen / vernielen van deuren), het vervuilen van algemene ruimten en agressief, intimiderend en bedreigend gedrag (door met een mes rond te lopen, met een bezemstok op de voordeur van de woning van andere huurders in het complex te slaan, met een stok tegen muren en vloeren te slaan, te schelden en bedelen om geld bij omwonenden). Servatius heeft [gedaagde sub 1] bij brieven van 28 september 2020, 18 december 2020 en 5 februari 2021 er op gewezen dat omwonenden forse overlast van hem ondervinden en [gedaagde sub 1] gesommeerd de overlast te staken, bij gebreke waarvan zij rechtsmaatregelen zou nemen die kunnen leiden tot ontruiming van de woning en ontbinding van de huurovereenkomst. Volgens Servatius is er sprake van een onhoudbare situatie en kan zij niet meer instaan voor het rustige en ongestoorde woongenot van haar andere huurders aan het [straatnaam] .

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 en sub 3] hebben verweer gevoerd, waarop hierna voor zover relevant nader ingegaan wordt.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag of Servatius in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening dient beantwoord te worden aan de hand van afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Voor wat betreft deze belangenafweging staat voorop dat een bij onmiddellijke voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende maatregel is, die diep ingrijpt in het woonrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Om die reden moet telkens van geval tot geval en met inachtneming van alle betrokken belangen beoordeeld worden of er voldoende (zwaarwegende) bijzondere omstandigheden zijn, die de toepassing van een dergelijke, in de praktijk vaak definitieve maatregel, rechtvaardigen.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat een huurder geen overlast of hinder mag veroorzaken aan medebewoners en omwonenden.

4.3.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat [gedaagde sub 1] kampt met ernstige psychische problemen en dat hij (hoogstwaarschijnlijk mede als gevolg van die problemen) ontoelaatbare overlast veroorzaakt. Uit de verklaringen en/of klachtmeldingen van omwonenden aan Servatius blijkt dat er over een geruime periode, te weten vanaf een moment kort na aanvang van de door [gedaagde sub 1] aangegane huurrelatie in 2018, veelvuldig meldingen binnengekomen zijn en herhaaldelijk klachten van omwonenden geweest zijn omtrent misdragingen van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft niet gemotiveerd bestreden dat de door Servatius gestelde overlast veroorzakende gedragingen plaatsgevonden hebben. De kantonrechter ziet ook geen aanleiding om aan de juistheid van de gestelde aard, omvang en ernst van de door omwonenden geuite klachten te twijfelen. De aard van de klachten is in de klachtmeldingen voldoende geconcretiseerd. Er is sprake van een onhoudbare situatie, waarbij Servatius niet meer kan instaan voor het rustige en ongestoorde woongenot van haar andere huurders in het wooncomplex. Het voorgaande brengt met zich dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de uit art. 7:213 BW en art. 13.7 en 13.9 van de algemene bepalingen voortvloeiende huurdersverplichtingen.

4.4.

De overlast is zowel wat betreft aard en duur als omvang zodanig dat van Servatius niet gevergd kan worden [gedaagde sub 1] langer het gebruik van het gehuurde te verschaffen en dat van de omwonenden (eveneens huurders van Servatius) niet gevergd kan worden zijn aanwezigheid als buurman nog langer te dulden. Afweging van het belang van [gedaagde sub 1] bij behoud van deze woonruimte tegen het belang van Servatius bij de gevraagde ontruiming (veiligheid van omwonenden en respectering van hun rustig en ongestoord woongenot), leidt niet tot het oordeel dat de ontruiming achterwege dient te blijven. Hoe dan ook weegt het belang van Servatius en de omwonenden om op korte termijn gevrijwaard te worden van (de dreiging van) overlast zwaarder dan het belang van [gedaagde sub 1] om juist deze woning te behouden. Gelet op het voorgaande is er voldoende spoedeisendheid om de gevorderde ontruiming toe te wijzen. Het gegeven dat [gedaagde sub 1] sedert 26 maart 2021 – op basis van een zorgmachtiging van 15 maart 2021 – in de gesloten ggz-instelling Mondriaan opgenomen is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Van de zijde van Servatius is onweersproken gesteld dat [gedaagde sub 1] ook na zijn opname nog regelmatig in en rondom het gehuurde gesignaleerd is. Het is aan [gedaagde sub 1] en zijn diverse hulpverleners om in de verblijfstijd die hem resteert, te gaan zoeken naar een vorm van alternatieve huisvesting in de toekomst. Servatius behoeft geen machtiging van de kantonrechter om het bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (art. 555 e.v. Rv in verbinding met art. 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat Servatius bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.

4.5.

Nu niet gebleken is dat het bewind over de goederen van [gedaagde sub 1] binnenkort zal worden opgeheven, is de voorwaarde waaronder Servatius de vordering tegen [gedaagde sub 1] ingesteld heeft, niet vervuld. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan.

4.6.

[gedaagde sub 2 en sub 3] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Servatius worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op:
- exploot van dagvaarding € 111,89

- griffierecht € 126,00
- salaris gemachtigde € 747,00

Totaal € 984,89.

4.7.

De door Servatius tevens gevorderde vergoeding van nakosten en van wettelijke rente over de proceskosten zal op de hierna in de beslissing weergegeven wijze toegewezen worden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 2 en sub 3] te bewerkstelligen dat [gedaagde sub 1] de woonruimte aan het [adres] [woonplaats] , binnen twee weken na betekening van dit vonnis met al hetgeen dat / degenen die zich daar zijnerzijds bevindt / bevinden zal verlaten, ontruimen en onder afgifte van alle sleutels ter vrije beschikking van Servatius zal stellen;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2 en sub 3] hoofdelijk tot betaling van de aan de zijde van Servatius gevallen proceskosten, bepaald op € 984,89, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na die betekening tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 2 en sub 3] hoofdelijk, onder de voorwaarde dat niet binnen twee weken na aanschrijving door Servatius volledig aan de veroordelingen voldaan mocht zijn, tot vergoeding van de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 124,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de kosten van het betekeningsexploot;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

CJ