Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3226

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
AWB/ROE 20/1043
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opleggen onderzoek naar geschiktheid om te rijden en schorsing van de geldigheid rijbewijs. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/1043

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.G.P. Voragen),

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder gelast dat een onderzoek wordt gedaan naar eisers drugsgebruik en dat de geldigheid van zijn rijbewijs wordt geschorst.

Bij besluit van 28 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2021. Eiser is – met bericht van verhindering – niet verschenen. Verweerder heeft zich voorafgaand aan de zitting telefonisch afgemeld.

Overwegingen

1. Eiser is op 19 november 2019 als bestuurder van een auto bij een algemene verkeerscontrole staande gehouden door de politie. De speekseltest gaf een positief resultaat voor de stof cannabis. De politie heeft ook geconstateerd dat bij eiser de geur van cannabis waarneembaar was. Vervolgens is eiser overgebracht naar het politiebureau. Hier is bloed afgenomen voor een bloedonderzoek. Volgens de uitslag van het bloedonderzoek is in het bloed van eiser de stof THC aangetroffen met een waarde van 11 microgram per liter bloed. De politie heeft vervolgens een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw) gedaan. Dit heeft geleid tot het primaire besluit.

2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij (mondelinge) uitspraak van 12 februari 2020 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de artikelen 5, aanhef en onder a, 6 en 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling), terecht aan eiser een onderzoek naar zijn geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig is opgelegd en dat zijn rijbewijs terecht is geschorst. Volgens verweerder blijkt uit de feiten en omstandigheden van dit geval dat eiser onder invloed van drugs heeft gereden. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen, aldus verweerder.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de feiten en omstandigheden in deze zaak niet het vermoeden van ongeschiktheid rechtvaardigen. Eiser blijft van mening dat hij geen drugs heeft gebruikt, zodat het onmogelijk is dat de test dat heeft aangegeven. Volgens eiser was er geen enkele aanleiding om hem te verdenken van iets, zodat er geen reden was om hem te onderwerpen aan een speekseltest. Door hem te verplichten mee te werken aan een speekseltest, wordt volgens eiser de onschuldpresumptie overtreden en het beginsel dat een verdachte niet aan zijn eigen veroordeling hoeft mee te werken (het nemo tenetur beginsel). Dit klemt temeer nu er naar de mening van eiser geen enkele aanleiding was om hem staande te houden. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij strafrechtelijk niet is vervolgd. Eiser wijst erop dat in de regelgeving staat dat er aanvullende gegevens moeten zijn om iemand te testen op het gebruik van cannabis. Volgens eiser was dit niet het geval en is dus niet voldaan aan de regelgeving met als gevolg dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Er was geen enkele aanleiding om hem staande te houden, aldus eiser. Dat er een geur van cannabis is waargenomen door de politie is volgens eiser een leugen en is absoluut onjuist. Eiser heeft aangegeven dat hij graag de verbalisanten op dit punt zou willen horen, maar dat de namen van deze verbalisanten zijn weggelakt. Eiser is verder van mening dat het ruiken naar hennep niet wil zeggen dat er cannabis is gebruikt. Volgens eiser kan hij ook ergens geweest zijn waar cannabis is gerookt en als gevolg daarvan naar cannabis is gaan ruiken. Bovendien is volgens eiser de cannabisgeur pas geroken nadat de speekseltest is uitgevoerd. Dit is de omgekeerde volgorde, zodat het besluit ook om deze reden voor vernietiging in aanmerking komt, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt dat artikel 5, aanhef en onder a, van de Regeling bepaalt dat een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de Wvw, geschiedt als de betrokkene een motorrijtuig heeft bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol.

Artikel 6 van de Regeling, voor zover hier van belang, bepaalt dat in gevallen, bedoeld in artikel 5, het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de Wvw de geldigheid van het rijbewijs schorst.

Artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling bepaalt dat het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw, indien ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wvw of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens reisgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

6. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat er geen enkele aanleiding was om hem te verdenken van iets ten tijde van de verkeerscontrole op 19 november 2019, niet afdoet aan het feit dat de politie een bestuurder op grond van de Wvw staande mag houden en mag onderwerpen aan een speekseltest. Bovendien volgt uit het op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal met nummer PL2300-2019182813-1 dat de verbalisanten bij eiser de geur van cannabis hebben waargenomen. Eisers betoog dat de geur van cannabis een leugen is en absoluut onjuist is, is niet onderbouwd met objectieve gegevens. Daarnaast mag volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1319) verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor enige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw ten grondslag kunnen worden gelegd. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan het proces-verbaal. De rechtbank ziet – gelet hierop – dan ook geen aanleiding om de opstellers van het proces-verbaal te horen als getuige en wijst het verzoek van eiser af. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eisers stelling dat de geur van cannabis eerst is geroken na de speekseltest niet uit het proces-verbaal kan worden opgemaakt. Dat deze geur is waargenomen acht de rechtbank niet onvoorstelbaar, gelet op het resultaat van het bloedonderzoek waarbij de stof THC is aangetroffen met een waarde van 11 microgram per liter bloed, terwijl de grenswaarde 3 microgram per liter bloed is.

7. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het opleggen van het onderzoek in strijd is met de onschuldpresumptie, zoals neergelegd in artikel 6 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM), overweegt de rechtbank dat het opleggen van een onderzoek naar het drugsgebruik geen maatregel is die gebaseerd is op een “criminal charge”, zoals bedoeld in voornoemd artikel. Het is een bestuursrechtelijke maatregel die erop gericht is deelname aan het onderzoek naar de lichamelijke of geestelijke geschiktheid af te dwingen, ter bevordering van de verkeersveiligheid. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2330). Het beroep van eiser op het nemo tenetur-beginsel kan om dezelfde reden evenmin slagen, omdat de onderhavige procedure nu eenmaal geen strafrechtelijke procedure betreft. Verder merkt de rechtbank nog op dat verweerder terecht stelt dat de strafrechtelijke procedure losstaat van de bestuursrechtelijke invorderingsprocedure en is het daarom niet van belang dat eiser, zoals hijzelf stelt, niet strafrechtelijk is vervolgd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2551).

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de waarnemingen van de verbalisanten in het proces-verbaal over de cannabisgeur bij eiser, de uitslag van de speekseltest en de uitslag van het bloedonderzoek zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser bij zijn aanhouding onder invloed van drogerende stoffen (in dit geval cannabis) was.

9. Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, en het bepaalde in de artikelen 5, aanhef en onder a, en 6 van de Regeling. Dit betekent dat verweerder aan eiser terecht een onderzoek naar zijn geschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig heeft opgelegd en zijn rijbewijs terecht heeft geschorst. Het beroep van eiser is daarom ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 14 april 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.