Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3180

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
8637246 CV EXPL 20-3281
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering achterstallig loon toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0482
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 8637246 CV EXPL 20-3281

Vonnis van de kantonrechter van 7 april 2021

in de zaak van

[eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam] en in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van

[naam onderbewindgestelde] ,

wonend in [woonplaats] aan de [adres 1] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. R.H.L. van de Laar

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde],

gevestigd en kantoorhoudend in [vestigingsplaats] , aan de [adres 2] ,

gedaagde partij,

in rechte vertegenwoordigd door [naam] .

Partijen worden hierna [eiseres] , [naam onderbewindgestelde] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 1 juli 2020

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de rolbeslissing waarbij een mondelinge behandeling is gelast

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 17 november 2020, waar [gedaagde] niet is verschenen en waarbij de zaak is verwezen naar de rol van 25 november 2020 voor akte vermeerdering van eis

  • -

    de akte vermeerdering van eis

  • -

    de rolbeslissing waarbij de zaak is verwezen naar de rol van 9 december 2020 voor antwoordakte, van welke gelegenheid [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam onderbewindgestelde] is sinds 14 januari 2019 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van [gedaagde] in de functie van chauffeur / medewerker reiniging.

3 De vordering en het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – na eisvermeerdering – de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

  1. het achterstallige loon over de periode 14 januari 2019 tot en met 31 december 2019 ad € 2.635,06 netto

  2. het achterstallige loon over de periode 1 januari 2020 tot en met 31 oktober 2020 ad € 959,36 netto, onder verstrekking van een specificatie over de maand mei 2020;

  3. de vakantiebijslag over 2019/2020 ad € 1.110,72, onder verstrekking van een specificatie;

  4. de wettelijke verhoging over voornoemde bedragen;

  5. de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de vervaldag tot aan de dag van voldoening;

  6. de buitengerechtelijke incassokosten ‘conform de staffel WIK’;

  7. de proceskosten met rente en de nakosten.

Daarnaast vordert [eiseres] de veroordeling van [gedaagde] tot - kort gezegd - het verstrekken van deugdelijke specificaties van ‘het loonbedrag’ op straffe van verbeurte van een dwangsom. Van de vorderingen onder 1 tot en met 5 vordert [eiseres] betaling binnen 48 uur na betekening van dit vonnis.

3.2.

[gedaagde] heeft bij antwoord de vordering onder 1 erkend, maar wel verweer gevoerd tegen het bij exploot gevorderde loon over de maand mei 2020 (volgens [gedaagde] had hij dat reeds betaald). Tevens merkt [gedaagde] ten aanzien van de eveneens reeds bij exploot gevorderde vakantiebijslag op dat ‘veel ondernemers uitstel hebben gekregen om het vakantie geld uit te betalen ivm covid 19’. Ten slotte stelt [gedaagde] dat zij over 2020 € 1.020,30 teveel loon heeft betaald, onder verwijzing naar productie 1 bij antwoord.

4 De beoordeling

4.1.

Nu [gedaagde] het onder 1 gevorderde (het achterstallig loon over 2019) erkent, zal dit onderdeel worden toegewezen.

4.2.

Het verweer ten aanzien van het onbetaald gelaten loon over mei 2020 is achterhaald, nu bij eisvermeerdering het geheel aan onbetaald loon over de eerste tien maanden van 2020 gemotiveerd en onderbouwd is gevorderd en [gedaagde] die vordering – hoewel daartoe naar behoren in de gelegenheid te zijn gesteld – daarna onweersproken heeft gelaten. Daar komt nog bij dat de productie 1, waar [gedaagde] in haar antwoord naar verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat zij over 2020 (althans tot op dat moment) € 1.020,30 teveel aan loon heeft betaald, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk voorkomt, nu daarin over de maand februari 2020 geen recht op loon is berekend. Daarmee is de door [eiseres] gestelde betalingsachterstand over de eerste tien maanden van 2020 onvoldoende betwist gebleven, zodat die achterstand in deze procedure tussen partijen vaststaat. Ook dit onderdeel zal derhalve worden toegewezen. De verstrekking van een specificatie van het loon over mei 2020 zal eveneens worden toegewezen.

4.3.

De post vakantiebijslag over 2019/2020 is eveneens toewijsbaar nu het onbetaald laten daarvan niet is weersproken en daarmee in deze procedure tussen partijen vaststaat. Dat veel ondernemingen uitstel hebben gekregen om vakantiegeld uit te betalen, wordt door [gedaagde] niet nader onderbouwd (wie heeft dat uitstel dan verleend, volgens [gedaagde] ?), nog daargelaten dat zij niet eens stelt dat zij een van de ondernemers is aan wie daarvoor uitstel is verleend.

4.4.

De wettelijke verhoging en de wettelijke rente over voornoemde posten zijn verder onweersproken gebleven en zullen eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf datum dagvaarding, nu [eiseres] in het midden laat vanaf welk(e) moment(en) [gedaagde] met het betalen van de onderscheiden onderdelen in verzuim is en eerdere verzuimdata (dan datum dagvaarding) daardoor niet aan te wijzen zijn.

4.5.

De vordering ter zake van het verstrekken van ‘een schriftelijke of elektronische opgave van het loonbedrag’ - zoals dit in algemene termen is geformuleerd onder VI van het petitum in het exploot - heeft betrekking op een verplichting van [gedaagde] die reeds voortvloeit uit de wet. [eiseres] heeft evenwel onweersproken gesteld dat [gedaagde] zich normaliter niet aan die verplichting houdt. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] de specificaties over de periode 2019 tot en met april 2020 pas na dagvaarding in kort geding aan de gemachtigde van [eiseres] heeft gestuurd en bij de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] de specificaties over de periode januari tot en met juni 2020 gevoegd. Dat de specificaties die [gedaagde] in de periode nadien had moeten verstrekken zijn verstrekt, is niet gebleken. De kantonrechter zal deze vordering daarom als in het dictum vermeld toewijzen.

4.6.

Nu dit vonnis een executoriale titel oplevert en uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, heeft [eiseres] onvoldoende separaat belang bij de gevorderde veroordeling tot betaling van de toe te wijzen posten binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, zodat dat onderdeel niet wordt toegewezen.

4.7.

De gevorderde betaling (vergoeding) van buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar nu [eiseres] verzuimt om die post ook maar enigszins van een feitelijke onderbouwing te voorzien (de post komt in het petitum uit de lucht vallen) en [eiseres] noemt zelfs geen concreet bedrag. Dat is ontoereikend om een vordering in dat kader toe te kunnen wijzen.

4.8.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de datum van dit vonnis begroot op € 728,89, bestaande uit € 545,00 aan salaris gemachtigde (2,5 salarispunt x € 218,00), € 83,00 aan griffierecht en € 100,89 aan explootkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening.

4.9.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] € 2.635,06 netto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 en met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] € 959,36 netto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 en met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag van voldoening en onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie van het loon over mei 2020;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] € 1.110,72 netto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 en met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag van voldoening en onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot verstrekking aan [eiseres] van een deugdelijke bruto/netto specificatie voor elke periode (maand of vier weken) die [naam onderbewindgestelde] vanaf 1 juli 2020 voor [gedaagde] gewerkt heeft en in de toekomst nog zal werken zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per keer (maand/vier weken) dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis in gebreke blijft met de verstrekking van de specificatie op het gebruikelijke tijdstip, met een maximum van € 2.500,00;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de datum van dit vonnis begroot op € 728,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, tot betaling van de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 109,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening;

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken.

RK