Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3158

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
8223455 \ CV EXPL 19-8371
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Restwaarde warmwatertoestel afwijzen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8223455 \ CV EXPL 19-8371

Vonnis van de kantonrechter van 7 april 2021

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOLTA LIMBURG B.V.,

gevestigd te Schinnen,

eisende partij,

gemachtigden M.M.J. Hafkamp, R.J.H. van de Ven, R.W.H. van Dijk, A.H. Groenewegen en E.B.H. Verdult,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende [adres] M,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 februari 2020

- de akte informatieformulier.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de verdere beoordeling

2.1.

Eisende partij vordert, samengevat, de veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 2.009,83, vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

Aan haar vordering heeft eisende partij de tekortkoming in de nakoming van het tussen partijen tot stand gekomen huurovereenkomst, met betrekking tot het door gedaagde partij gehuurde warmwatertoestel, ten grondslag gelegd. Gedaagde partij is in gebreke gebleven met een correcte betaling van de huurtermijnen groot € 102,36, waarop eisende partij de overeenkomst overeenkomstig haar algemene voorwaarden buitengerechtelijk heeft ontbonden. Omdat gedaagde partij de verwijdering van het toestel vervolgens niet mogelijk heeft gemaakt, is conform de algemene voorwaarden de restwaarde van het huurtoestel groot € 1.640,52 in rekening gebracht.

Daarnaast is gedaagde partij aan haar de wettelijke rente verschuldigd. Eisende partij berekent de wettelijke rente van de vervaldag(en) op € 5,52. Voorts stelt eisende partij dat gedaagde partij aan haar een vergoeding van € 261,43 voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is

2.3.

De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand dan wel buiten de verkoopruimte tussen een handelaar en een consument. Het betreft een duurovereenkomst. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument worden voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen van de artikelen 6:230m en 6:230t (voor overeenkomsten buiten de verkoopruimte) respectievelijk artikel 6:230m en artikel 6:230v (voor overeenkomsten op afstand) Burgerlijk Wetboek (BW). Kort gezegd bepaalt artikel 6:230m BW welke informatie moet worden verstrekt en artikel 6:230t respectievelijk artikel 6:230v BW de wijze waarop die informatie moet worden gegeven. Eén en ander kan verschillen naar gelang de aard en de inhoud van de overeenkomst. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er op dat punt geen verweer is gevoerd.

2.4.

Volgens genoemde bepalingen moet de handelaar de consument voordat deze gebonden is aan de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze informeren over onder meer de voornaamste kenmerken van de zaak of dienst, de identiteit van de handelaar, waar en hoe de handelaar kan worden bereikt, de totale prijs en eventuele bijkomende kosten, de mogelijkheid van herroeping en de kosten van retournering. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat dit slechts een samenvatting is van de kern van deze bepalingen en dat handelaren gehouden zijn om de toepasselijke bepalingen steeds volledig na te leven. Verwezen wordt naar hetgeen in de genoemde bepalingen verder is vermeld. Afhankelijk van de aard van de overeenkomst wordt meer of minder informatie verlangd, maar in het algemeen kan worden gezegd dat ter zake de onderhavige overeenkomsten in ieder geval de informatie als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 sub a, b, e, h, i, j, o, p en – indien de aard van de overeenkomst daartoe aanleiding geeft – r en s essentiële (dat wil zeggen: cruciaal voor de wils- en besluitvorming van de consument) informatie betreft en dat die informatie dus zonder meer moet worden verstrekt.

2.5.

Wat de wijze van verstrekking van de informatie betreft kan de handelaar naar het oordeel van de kantonrechter niet volstaan met het opnemen van die informatie in algemene voorwaarden. Tijdens het verkoopproces moet de consument stap voor stap langs deze informatie worden geleid, zodat er geen misverstand kan ontstaan over de vraag of de gemiddelde consument deze informatie bewust onder ogen heeft gekregen. Het gebruik van ‘kleine lettertjes’, zo blijkt uit de Kamerstukken, is in dat verband niet aanvaardbaar.

In artikel 6:230t respectievelijk artikel 6:230v BW is (kort weergegeven - verwezen wordt nogmaals naar de inhoud van de bepalingen) bepaald dat de handelaar een afschrift of bevestiging van de overeenkomst (waaronder – indien van toepassing – de uitdrukkelijke, voorafgaande toestemming en de verklaring van de consument als bedoeld in artikel 6:230p sub g BW), alsmede alle verlangde (pre)contractuele informatie op een duurzame gegevensdrager aan de consument moet verstrekken. Dit moet gebeuren voor of bij het sluiten van de overeenkomst of binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst, maar in ieder geval voordat de dienst wordt uitgevoerd. Een duurzame gegevensdrager kan een brief zijn, een e-mailbericht, een pdf-bestand of zelfs een factuur, op voorwaarde dat daarin alle informatie is opgenomen. Een persoonlijk account op de website van de handelaar valt daar in beginsel niet onder, omdat dat de mogelijkheid openlaat voor de handelaar om de informatie eenzijdig te wijzigen.

2.6.

In aanvulling op het vorenstaande geldt dat de consument uitdrukkelijk moet hebben verzocht om al tijdens de ontbindingstermijn te beginnen met de levering van de diensten. Als dat verzoek ontbreekt, draagt de consument geen kosten voor de uitvoering of levering tijdens de ontbindingstermijn (artikel 6:230s lid 5 BW). Dat klemt te meer als moet worden geconcludeerd dat verlenging van de ontbindingstermijn op grond van artikel 6:230o BW aan de orde is.

2.7.

Voorts geldt op grond van artikel 6:230v lid 3 BW dat de handelaar zijn elektronisch bestelproces zodanig moet inrichten dat de consument een aanbod niet kan aanvaarden dan nadat hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt, zulks op straffe van vernietigbaarheid van de overeenkomst.
Ook deze beide punten moet de kantonrechter ambtshalve toetsen, zodat de voor die toetsing relevante gegevens voor hem beschikbaar moeten zijn.

2.8.

In geval van een gerechtelijke procedure moet eisende partij stellen dat en hoe aan alle hiervoor genoemde verplichtingen is voldaan, respectievelijk dat de consument het hiervoor genoemde uitdrukkelijke verzoek heeft gedaan. Dat geldt niet alleen als eisende partij zelf de dienstverlenende partij is, maar ook als eisende partij via een cessie of anderszins in de rechten van de dienstverlenende partij is getreden.

Deze stellingen moeten bovendien worden gesubstantieerd en onderbouwende stukken moeten worden overgelegd. Kort gezegd, eisende partij moet inzichtelijk maken wat de consument onder ogen heeft gekregen en heeft verklaard en dat daarmee aan de genoemde wettelijke verplichtingen is voldaan. Daartoe zijn in ieder geval van belang:

  • -

    een al dan niet in printscreens of uitdraai van een belscript vastgelegde (voorbeeld)weergave van het bestelproces dat de consument doorloopt, waarin overzichtelijk en duidelijk is aangegeven (zo nodig - zeker waar het omvangrijke stukken betreft - met behulp van arceringen of een nadere toelichting in de stellingen) hoe en waar de betreffende informatie is verstrekt en aan de eis van artikel 6:230v lid 3 BW is voldaan. Als de bedoelde informatieverstrekking niet volgt uit de printscreens of het belscript, dan moet nader worden toegelicht en met andere stukken worden onderbouwd dat en hoe de betreffende precontractuele verplichtingen dan wel zijn nageleefd.

  • -

    een kopie of afschrift van de in het concrete geval aan de gedaagde partij verstrekte duurzame gegevensdrager (een model of voorbeeld volstaat dus niet), waarin overzichtelijk en duidelijk is aangegeven (zo nodig - zeker waar het omvangrijke stukken betreft - met behulp van arceringen of een nadere toelichting in de stellingen) hoe en waar de betreffende informatie is verstrekt dan wel bevestigd;

  • -

    de overeenkomst of (order)bevestiging;

  • -

    de volledige set toepasselijke algemene voorwaarden;

  • -

    het uitdrukkelijke verzoek van de consument (als bedoeld in artikel 6:230t lid 3 en artikel 6:230v lid 8 jo artikel 6:230s lid 5 BW).

Als toereikende stellingen en/of onderbouwing ontbreken, moet het er in beginsel voor worden gehouden dat niet aan de hiervoor genoemde verplichtingen is voldaan. Dat kan (verstrekkende) gevolgen hebben voor de toewijsbaarheid van de vordering.

2.9.

Op basis van wat eisende partij in deze procedure heeft gesteld en onderbouwd, kan door de kantonrechter niet worden vastgesteld dat ten aanzien van in ieder geval de essentiële informatie (volledig) is voldaan aan de hiervoor besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen of dat deze informatie op een duurzame gegevensdrager ter beschikking is gesteld.

2.10.

De vraag is welke gevolgen dit voor de vordering moet hebben. Er is veel discussie, ook binnen de rechtspraak, over de vraag of en op welke wijze de naleving van de informatieverplichtingen moet worden getoetst en (bij niet naleving) moet worden gesanctioneerd. De wet geeft immers niet steeds een duidelijke sanctie op een schending van de diverse informatieverplichtingen. Dat heeft er toe geleid dat het voor partijen en hun gemachtigden niet steeds voldoende helder was wat in een procedure van hen verlangd wordt met betrekking tot het stellen en substantiëren ten aanzien van de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Daarom wordt aan eventuele tekortkomingen in deze zaak op dit moment geen sanctie verbonden, nu geen aanleiding bestaat te vermoeden dat de gevorderde hoofdsom onrechtmatig of ongegrond is. Daarbij is van belang de omstandigheid dat de gedaagde partij de diensten kennelijk zonder commentaar heeft aanvaard dan wel genoten.

2.11.

Op basis van het bovenstaande moet nu voldoende duidelijk zijn wat in het kader van de wettelijke informatieverplichtingen ten aanzien van duurovereenkomsten en/of overeenkomsten tot dienstverlening wordt verwacht, zowel ten aanzien van het bestelproces als ten aanzien van de manier waarop een vordering op basis van koop op afstand of buiten de verkoopruimte moet worden onderbouwd. Zowel handelaren als hun rechtsopvolgers en gemachtigden mogen aldus in staat worden geacht om hun werk(proces) daarop in te richten. De kantonrechter gaat er vanuit dat de daarvoor benodigde aanpassingen spoedig worden gerealiseerd.

2.12.

Het niet voldoen aan de hierboven besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen kan in de nabije toekomst worden gesanctioneerd. In tegenstelling tot het onderhavige vonnis zullen per die datum dus wel sancties worden verbonden aan het niet voldoen aan de genoemde verplichtingen. Afgezien van de specifieke sancties die de wet op enkele van de informatieverplichtingen stelt, zal de vernietiging van de overeenkomst het uitgangspunt zijn bij schending van de informatieverplichtingen ten aanzien van informatie die hiervoor als essentieel is aangemerkt. Deze informatie is immers cruciaal voor de wils- en besluitvorming van de consument en zeker bij overeenkomsten als de onderhavige, die een langere looptijd kennen, is het van belang dat de consument zowel voor het sluiten van de overeenkomst als tijdens (en na) de looptijd over de betreffende informatie beschikt.

2.13.

De vordering voor wat betreft de niet betaalde huurtermijnen van € 102,36 dient als niet althans onvoldoende betwist worden toegewezen.

2.14.

De gevorderde schadevergoeding van € 1.640,52 baseert eisende partij op artikel 12 lid 4 van de algemene voorwaarden.

2.15.

In dit artikel is opgenomen in welke gevallen eisende partij recht heeft op vergoeding van schade, kosten en rente. In dit artikel is niet voorzien in de omstandigheid dat eisende partij de restwaarde van het door gedaagde partij gehuurde warmwatertoestel is verschuldigd indien de huurovereenkomst door eisende partij wordt ontbonden en het warmwatertoestel niet wordt geretourneerd. Dit artikel biedt dus geen grondslag voor de gevorderde restwaarde. Een andere grondslag voor dit onderdeel van de vordering is niet gesteld en bovendien maakt eisende partij niet inzichtelijk op grond van welke uitgangspunten zij de gevorderde restwaarde berekend heeft. Dit onderdeel van de vordering zal dus worden afgewezen.

2.16.

Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Alvorens aanspraak bestaat op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, moet kunnen worden vastgesteld dat en met ingang van welke data gedaagde partij in verzuim is. Nu eisende partij echter heeft nagelaten te stellen vanaf welke respectievelijke data gedaagde partij in verzuim is met de respectievelijke facturen, kunnen de buitengerechtelijke incassokosten niet worden toegewezen.

2.17.

Nu eisende partij niet voldoende specifiek heeft gesteld met ingang van welke respectievelijke data gedaagde partij met de betaling van de aan de hoofdsom onderliggende facturen in verzuim is, zal de wettelijke rente over de hoofdsom worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Door de daad van dagvaarding is in elk geval verzuim ingetreden.

2.19.

Omdat eisende partij grotendeels in het ongelijk gesteld wordt, zal zij worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van gedaagde partij op nihil begroot.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van € 102,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2019 tot de dag van betaling,

3.2.

verklaart onderdeel 3.1. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.3.

veroordeelt eisende partij tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van gedaagde partij op nihil begroot,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.