Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3156

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
8050153 CV EXPL 19-6359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ondeugdelijk onderbouwd, niet voldaan aan stelplicht, afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8050153 CV EXPL 19-6359

Vonnis van de kantonrechter van 7 april 2021

de rechtspersoon naar buitenlands recht

WÜRTTEMBERGISCHE RECHTSSCHUTZ SCHADEN-SERVICE-GMBH,

gevestigd te Stuttgart, Duitsland,

eisende partij,

gemachtigde mr. J.L.M. Arets,

tegen

de naamloze vennootschap

VIVAT SCHADEVERZEKERINGEN N.V., h.o.d.n. REAAL SCHADEVERZEKERINGEN,

gevestigd en kantoorhoudend te Amstelveen,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. N.P. Jonker.

Partijen zullen hierna Württembergische en Vivat worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 4 september 2019,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    de akte uitlating producties van Württembergische van 29 juni 2020,

  • -

    het door Vivat op 3 juli 2020 ingediende bezwaar tegen de akte uitlating producties van Württembergische,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 januari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 28 mei 2017 is in Vaals een aanrijding geweest tussen een auto met een Duits kenteken en een auto met een Nederlands kenteken.

2.2.

De Duitse auto is verzekerd bij Württembergische. De Nederlandse auto is verzekerd bij Vivat. Dekra Claims Service GmbH, hierna Dekra, is op grond van artikel 4 van de Richtlijn 2000/26/EG, hierna de vierde richtlijn, aangewezen als Nederlandse vertegenwoordiger van Vivat in Duitsland. Zij regelt voor rekening van Vivat schadegevallen van Duitse benadeelden veroorzaakt door WAM-verzekerden van Vivat.

2.3.

Mevrouw [naam] , eigenaresse van de Duitse auto, heeft op grond van artikel 4 van de vierde richtlijn, Dekra aangesproken tot vergoeding van de schade aan haar auto.

2.4.

Dekra heeft aansprakelijkheid jegens mevrouw [naam] in oktober 2017 erkend. In februari 2018 heeft zij de schadevergoeding van mevrouw [naam] uitbetaald. Daarna is tussen partijen een geschil ontstaan over de door Württembergische gestelde buitengerechtelijke kosten. Als gevolg van dat geschil is de onderhavige procedure opgestart.

3 Het geschil

3.1.

Württembergische vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    Vivat veroordeelt tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, aan Württembergische van € 4.074,56 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

  • -

    Vivat veroordeelt tot betaling van de door Württembergische daadwerkelijk gemaakte proceskosten sedert 12 augustus 2019, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet,

  • -

    Vivat veroordeelt tot betaling van de nakosten en indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, te vermeerderen met de rente vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt Württembergische dat Vivat onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld en dat daardoor een procedure noodzakelijk is geworden. Württembergische verwijst naar de door haar overgelegde producties en stelt dat zij sinds augustus 2017 veel noodzakelijke werkzaamheden heeft verricht. Zij stelt dat het verrichten van die werkzaamheden niet nodig was geweest als Vivat het schadebedrag tijdig aan mevrouw [naam] en de buitengerechtelijke kosten aan Württembergische had betaald.

3.3.

Vivat betwist niet dat de uitbetaling van het schadebedrag aan mevrouw [naam] langer heeft geduurd dan gebruikelijk. Zij betwist ook niet dat Württembergische enige buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Zij stelt echter dat Württembergische ter zake van die kosten niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Daartoe voert zij aan dat onderbouwing van die kosten ontbreekt. Voorts betwist Vivat dat de door Württembergische gestelde kosten buitengerechtelijke kosten zijn, dat werkzaamheden ter zake van die kosten daadwerkelijk zijn verricht en dat die kosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Ter zake van de vordering van Württembergische om Vivat tot betaling van de volledige proceskosten te veroordelen, stelt Vivat dat – als al sprake zou zijn van enige kosten – die kosten van kleur zijn verschoten.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Het bezwaar van Vivat tegen de door Württembergische bij akte overgelegde producties

4.1.

De kantonrechter constateert dat de door Württembergische op 29 juni 2020 genomen akte nieuwe producties bevat. Door overlegging van nieuwe producties is Württembergische getreden buiten het onderwerp en de grenzen waarover zij een akte mocht nemen. Gelet daarop zal de kantonrechter de bij die akte overgelegde producties

– zoals ook tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld – buiten beschouwing laten bij de inhoudelijke beoordeling van deze zaak.

De stelplicht van Württembergische

4.2.

Allereerst merkt de kantonrechter op dat de betaling van het schadebedrag aan mevrouw [naam] niet het onderwerp is van het tussen partijen aanwezige geschil. Het geschil spitst zich toe op de vraag of Vivat de door Württembergische gevorderde buitengerechtelijke kosten moet vergoeden. Op Württembergische rust de stelplicht en indien nodig de bewijslast van haar stellingen. Om daaraan te voldoen is allereerst vereist dat Württembergische voldoende onderbouwd stelt en zo nodig bewijst dat zij noodzakelijke werkzaamheden heeft verricht en dat die werkzaamheden de daarvoor in rekening gebrachte tijd en bedrag hebben gekost. Anders gezegd dient Württembergische haar vordering voldoende duidelijk toe te lichten en te specificeren. Naar het oordeel van de kantonrechter is Württembergische daarin niet geslaagd.

4.3.

De vordering van Württembergische is algemeen en onduidelijk geformuleerd. Württembergische benoemt de door haar verrichte werkzaamheden en zij noemt ook een bedrag aan buitengerechtelijke kosten maar laat vervolgens na duidelijk toe te lichten hoe dat bedrag is opgebouwd en waarom de door haar verrichte werkzaamheden – waaronder het opstellen van concept-dagvaardingen – noodzakelijk zijn geweest. In haar conclusie van repliek geeft zij in een overzicht weer welke brieven zij in de periode 2017- 2018 heeft geschreven. Dat overzicht is echter niet meer of minder dan een overzicht met daarin een weergave van de door Württembergische opgestelde brieven. Waaruit het totaal gevorderde bedrag bestaat en hoe de door Württembergische verrichte werkzaamheden uiteindelijk tot dat bedrag hebben geleid, blijkt niet uit dat overzicht.

4.4.

Ter onderbouwing van haar vordering verwijst Württembergische ook naar de door haar overgelegde producties. Een verwijzing naar overgelegde producties is echter niet zonder meer voldoende om aan de stelplicht te voldoen. De kantonrechter kan aan de inhoud van die producties voorbijgaan als daaruit de vordering niet kan worden afgeleid.

4.5.

De door Württembergische bij dagvaarding en repliek overgelegde producties zijn voornamelijk Duitse brieven met daarin een opsomming van diverse bedragen. Zowel de brieven als de daarin opgenomen opsomming van de bedragen zijn naar het oordeel van de kantonrechter onnavolgbaar. De kantonrechter gaat aan de inhoud van die producties voorbij nu zij daaruit de onderbouwing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet kan afleiden en ook omdat het niet haar taak is om op basis van die producties uit te zoeken hoe de vordering is opgebouwd. Dat is immers de specifieke taak van de eisende partij en haar gemachtigde.

4.6.

Dekra heeft aansprakelijkheid jegens mevrouw [naam] reeds op 27 oktober 2017 erkend. Het schadebedrag is vervolgens op 19 februari 2018 aan mevrouw [naam] doorbetaald. Dit laatste maakt de kantonrechter op uit de stellingen van Vivat en uit de door haar overgelegde betaaloverzichten (producties 6 en 7 van conclusie van antwoord). Württembergische heeft betwist dat Dekra het schadebedrag op 19 februari 2018 aan mevrouw [naam] heeft uitbetaald maar haar betwisting is te mager om hetgeen Vivat voldoende onderbouwd heeft gesteld te ontkrachten. Gelet op de door Vivat overgelegde producties lag het op de weg van Württembergische om haar betwisting nader te motiveren door ten minste aan te geven wanneer mevrouw [naam] – volgens haar – de schadevergoeding heeft ontvangen en daar eventueel een bewijs van te overleggen. Nu de kantonrechter ervan uitgaat dat Dekra de schadevergoeding op 19 februari 2019 aan mevrouw [naam] heeft uitbetaald, valt niet in te zien waarom de door mr. Arets na 19 februari 2018 verrichte werkzaamheden – waaronder het opstellen van concept-dagvaardingen – noodzakelijk zijn geweest en waarom – en ook hoe – de na die datum verrichte werkzaamheden tot het thans gevorderde bedrag hebben geleid. Hetgeen mr. Arets tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, heeft ter zake daarvan ook geen duidelijkheid verschaft.

4.7.

Los van het feit dat de door Württembergische overgelegde producties onnavolgbaar zijn en dat er ook geen duidelijkheid is omtrent de verrichte werkzaamheden en de daaraan gekoppelde kosten, bieden noch de dagvaarding noch de conclusie van repliek duidelijkheid omtrent het geschil in het kader waarvan de gevorderde buitengerechtelijk kosten zouden zijn gemaakt. De strekking van dat geschil is de kantonrechter pas duidelijk geworden na het lezen van de conclusie van antwoord van Vivat. Het lag echter op de weg van Württembergische om het geschil reeds bij dagvaarding voldoende duidelijk te omschrijven en ervoor zorg te dragen dat de in de dagvaarding opgenomen stellingen het door haar gevorderde zouden kunnen dragen.

4.8.

Al met al strandt de vordering van Württembergische als zijnde niet dan wel onvoldoende deugdelijk onderbouwd. De overige vorderingen zullen ook hetzelfde lot delen nu voor toewijzing daarvan geen grond bestaat.

4.9.

De overige stellingen en weren van partijen worden als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing gelaten.

4.10.

Württembergische zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Vivat tot op heden begroot op € 747,00 (3x tarief € 249,00) aan salaris gemachtigde.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in de navolgende beslissing is bepaald.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Württembergische in de kosten van de procedure, aan de zijde van Vivat gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 747,00 vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Württembergische onder de voorwaarde dat deze niet binnen twee weken na aanschrijving door Vivat volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 124,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na voormelde aanschrijving tot de dag van voldoening;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na betekening van dit vonnis tot de dag van voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken.

NZ