Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3128

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
03/239558-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van de poging doodslag op een beveiliger van nachtclub Mondial. Ook is verdachte vrijgesproken van de poging doodslag op een bezoeker en op de overige personen in de wachtrij van Mondial. De herkenning van een van de medewerkers van Mondial vindt de rechtbank onvoldoende betrouwbaar. Verdachte heeft een verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA-materiaal op een patroon. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de persoon is geweest die heeft geschoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/239558-20

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

gedetineerd in P.I. Grave te Grave.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.L.P. Biesmans, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 maart 2021. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd om op of omstreeks 1 januari 2020 beveiliger [slachtoffer 1] van nachtclub [naam nachtclub] in Beek te doden door meerdere malen in zijn richting te schieten;

Feit 2: heeft geprobeerd om op of omstreeks 1 januari 2020 bezoeker [slachtoffer 2] en andere personen in de wachtrij van nachtclub [naam nachtclub] in Beek te doden door meerdere malen in hun richting te schieten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Daartoe heeft zij naar voren gebracht dat uit de getuigenverklaringen, het sporenonderzoek en het geconstateerde letsel bij slachtoffer [slachtoffer 2] is komen vast te staan dat er die avond is geschoten. Ook is volgens de officier van justitie vast komen te staan dat de verdachte degene is geweest die heeft geschoten. Daartoe heeft zij gewezen op de getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige] . Uit die verklaringen blijkt volgens de officier van justitie dat de persoon die heeft geschoten, dezelfde persoon is die een paar weken eerder betrokken is geweest bij een incident in [naam nachtclub] . Bij dat incident is een kopie van het ID-bewijs van de betreffende persoon gemaakt en dat ID-bewijs staat op naam van de verdachte. Getuige [slachtoffer 1] heeft de verdachte die avond ook herkend. Daarnaast is op een patroon DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen. Dat patroon heeft hetzelfde kaliber als de hulzen die – net als genoemd patroon – ter plaatse zijn aangetroffen. Hiermee staat volgens de officier van justitie vast dat de verdachte degene is geweest die heeft geschoten. Deze handelingen leveren volgens de officier van justitie een poging doodslag op, zowel op [slachtoffer 1] als op [slachtoffer 2] en de overige personen in de wachtrij. Door met een vuurwapen meerdere malen te schieten in de richting van een groep mensen heeft de verdachte namelijk op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat een persoon uit die groep dodelijk getroffen zou worden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte van beide tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. Volgens de raadsvrouw bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte degene is geweest die heeft geschoten. De raadsvrouw heeft gewezen op de wezenlijk verschillende signalementen die door verschillende getuigen van de schutter zijn gegeven. Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat getuige [slachtoffer 1] niet buiten was op het moment dat er werd geschoten.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat er op 1 januari 2020 meerdere malen is geschoten bij [naam nachtclub] in Beek. Door verschillende getuigen zijn schoten gehoord en een aantal getuigen heeft een persoon met een vuurwapen gezien. Op het terrein zijn een viertal hulzen en een patroon aangetroffen en uit het sporenonderzoek blijkt dat er perforaties zitten in het blinderingszeil van de dranghekken en dat de nabij gelegen container een inschotbeschadiging heeft. Ook heeft bezoeker [slachtoffer 2] een in- en uitschotwond aan zijn voet.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verdachte de persoon is geweest die heeft geschoten.

Verschillende getuigen hebben een signalement gegeven van de schutter. Op sommige punten komen de signalementen overeen. Zo hebben meerdere getuigen verklaard over een jongen van Marokkaanse afkomst, tussen de 20-25 jaar met donkere kleding. De lengte van de schutter die de getuigen hebben genoemd ligt tussen de 165-175 centimeter. Ten aanzien van het haar van de schutter lopen de signalementen echter uiteen. Zo heeft de ene getuige eerst verklaard dat de schutter zijn haar naar achteren gekamd droeg met gel en een paar uur later heeft dezelfde getuige verklaard dat de schutter donker, middellang, kort haar had. Twee andere getuigen hebben verklaard dat de schutter gemillimeterd haar had, waarbij de ene getuige heeft verklaard dat de zijkanten waren opgeschoren. Ook heeft een van de getuigen verklaard dat de schutter een baard van 3 tot 4 dagen oud had, terwijl andere getuigen niets hebben verklaard over gezichtsbeharing. De rechtbank stelt daarom vast dat uit het dossier geen eenduidig signalement van de schutter blijkt.

De enige getuige die heeft gezien wie er heeft geschoten is getuige [getuige] , werkzaam bij [naam nachtclub] . Hij heeft verklaard dat hij die avond door zijn collega [slachtoffer 1] werd aangesproken, omdat [slachtoffer 1] een kleine jongen in de rij zag staan die [slachtoffer 1] herkende van een eerder incident in [naam nachtclub] . Naar aanleiding van dat incident is een kopie van de ID-kaart van deze kleine jongen gemaakt, welke op naam staat van de verdachte. [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] die kleine jongen heeft aangesproken en dat die jongen meteen agressief werd. Vervolgens ging een groepje jongens zich ermee bemoeien. Nadat [slachtoffer 1] naar voren stapte, rende het groepje jongens, waaronder de kleine jongen, weg. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat de kleine jongen naar de struiken rende, daar een vuurwapen uithaalde en begon te schieten.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [getuige] onvoldoende is om verdachte als de schutter te identificeren. Ten eerste omdat de verklaring innerlijk tegenstrijdig is voor wat betreft de identiteit van de kleine jongen. [getuige] heeft namelijk eerst verklaard dat hij de kleine jongen in de rij niet herkende, maar zijn collega [slachtoffer 1] wel. Vervolgens heeft [getuige] verklaard dat hij de kleine jongen 4 tot 5 keer eerder had gezien in de [naam nachtclub] . Ten tweede komt de omschrijving die [slachtoffer 1] heeft gegeven van het haar van de kleine jongen, die hij herkende, niet overeen met de omschrijving die [getuige] van diens haar heeft gegeven. [slachtoffer 1] heeft het haar van de kleine jongen omschreven als wild haar, terwijl [getuige] heeft verklaard dat de kleine jongen gemillimeterd haar had. Ten derde zijn de omstandigheden waaronder [getuige] de schutter heeft gezien niet optimaal. Zo was er die nacht sprake van zeer dichte mist, was het donker en stond [getuige] , naar eigen zeggen, op een afstand van 15 tot 20 meter tot de schutter. Al die omstandigheden maken dat de rechtbank de herkenning van [getuige] onvoldoende betrouwbaar vindt.

Op het terrein van de [naam nachtclub] zijn na het schietincident vier hulzen en een patroon aangetroffen en hier is DNA-onderzoek op verricht. Op de patroon is DNA-materiaal dat matcht met het DNA van de verdachte aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij heeft geschoten. Hij heeft verklaard dat hij een of meerdere dagen voor het schietincident bij een jongen in de auto heeft gezeten. In die auto lag een zakje met patronen en de verdachte heeft dat zakje gepakt en een patroon vastgehouden, waardoor mogelijk zijn DNA-materiaal op de betreffende patroon is aangetroffen. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij samen met een groep jongens op oudjaarsavond naar [naam nachtclub] is gereden en dat de jongen, van wie de patronen waren, er ook bij was die avond.

De rechtbank overweegt dat naast het aantreffen van het DNA-materiaal, waarvoor de verdachte een verklaring heeft gegeven, aanvullend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte ontbreekt. Daarbij komt dat op de patroon niet alleen DNA-materiaal dat matcht met het DNA van de verdachte is aangetroffen. Op de patroon is een mengprofiel van drie donoren aangetroffen. Bovendien is enkel DNA-materiaal dat matcht met het DNA van de verdachte aangetroffen op een niet verschoten patroon en niet op een van de wel afgeschoten hulzen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte degene is geweest die heeft geschoten. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van zowel de poging doodslag op beveiliger [slachtoffer 1] , als van de poging doodslag op bezoeker [slachtoffer 2] en de overige personen in de wachtrij van de [naam nachtclub] .

4 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een schadevergoeding gevorderd van in totaal € 22.185,94.

Nu de verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten, die op nihil zullen worden gesteld.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;

Benadeelde partij

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding;

  • -

    veroordeelt [slachtoffer 2] in de kosten van de procedure, aan de zijde van de verdachte tot heden begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden, voorzitter, mr. R.J.M.G. Rulkens en mr. M.E. Notermans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Stuurman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 april 2021.

Buiten staat

mr. M.E. Notermans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 1 januari 2020 in de gemeente Beek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,

met dat opzet een (geladen) vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer 1] en vervolgens

meermalen, althans eenmaal, met dat vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1]

heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1

ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 1 januari 2020 in de gemeente Beek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 2] en/of alle toen aldaar in de wachtrij aanwezige perso(o)n(en)

opzettelijk van het leven te beroven,

met dat opzet met een (geladen) vuurwapen meermalen, althans eenmaal, in de

richting van die [slachtoffer 2] en/of alle toen aldaar in de wachtrij aanwezige

perso(o)n(en) heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1

ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )