Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2976

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
19/3461 en 20/1146
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en boete wegens schending inlichtingenplicht. Redelijke grond voor afleggen van huisbezoek. Op informed consent-formulier is niet aangekruist welke mededeling is gedaan aan belanghebbende. Redelijkerwijs kan worden betwijfeld of aan belanghebbende is uitgelegd wat de consequenties van het niet verlenen van medewerking aan het huisbezoek zouden zijn. Navraag bij een betrokken rechercheur is onvoldoende om die twijfel weg te nemen. De indruisregel is niet van toepassing voor periodes voorafgaand aan het huisbezoek. Nu de verklaringen die tijdens het huisbezoek zijn afgelegd buiten beschouwing dienen te blijven, heeft verweerder het voeren van een gezamenlijke huishouding niet aannemelijk gemaakt. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 19/3461 en ROE 20/1146


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.R. Peeters),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem, verweerder

(gemachtigde: E.M.H. Theunissen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2019 (primair besluit 1) heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 1 januari 2018 tot en met 17 mei 2019 ingetrokken. Daarbij heeft verweerder een bedrag van € 5.734,08 aan ten onrechte ontvangen bijstand van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 15 november 2019 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 december 2019 (primair besluit 2) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.236,00,-.

Bij besluit van 23 maart 2020 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld.

Verweerder heeft in de procedure met betrekking tot het bestreden besluit 2 (ROE 20/1146) een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak bekend met kenmerk ROE 19/3462 van [eiser] (verder [eiser] ), plaatsgevonden op 26 januari 2021. Eiseres en [eiser] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende, niet door partijen betwiste, feiten. Eiseres ontvangt sinds 13 juni 2016 bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder op grond van de Pw. Eiseres staat, samen met haar minderjarige dochter, ingeschreven op het [adres eiseres]

2. Naar aanleiding van een anonieme melding op 2 maart 2018, inhoudende dat eiseres op haar adres samenwonend zou zijn met een man, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand. Verweerders Sociale Recherche (SR) heeft in de periode van 7 april 2018 tot en met 21 mei 2018 waarnemingen verricht naar de mogelijke aanwezigheid van de auto van de vermeende partner van eiseres. Op 23 mei 2018 heeft de SR een gesprek gevoerd met eiseres. Eiseres heeft verklaard dat zij sinds december 2017 een prille relatie heeft met [eiser] . De SR heeft van dit onderzoek op 1 juni 2018 een rapportage opgesteld. Verweerder heeft de bijstand aan eiseres vervolgens ongewijzigd voortgezet.

3. Naar aanleiding van een tweede melding, inhoudende dat eiseres al geruime tijd een gezamenlijke huishouding voert met [eiser] , heeft verweerder wederom een onderzoek ingesteld naar haar woonsituatie. De ex-partner van eiseres heeft op 29 oktober 2019, samen met zijn vrouw, een verklaring afgelegd bij de SR. De SR heeft in de periode van

3 november 2018 tot en met 17 mei 2019 waarnemingen verricht in de nabijheid van de woning van eiseres, waarbij de auto van [eiser] met regelmaat op de oprit dan wel in de directe nabijheid van de woning van eiseres werd aangetroffen. Vervolgens heeft de SR op 17 mei 2019 een onaangekondigd huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. Eiseres en [eiser] hebben verklaringen afgelegd en hebben die verklaringen ondertekend. De SR heeft op 15 oktober 2019 een rapportage opgesteld en heeft hierin geconcludeerd dat eiseres van 1 januari 2018 tot en met 17 mei 2019 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [eiser] . De onderzoeksresultaten zijn voor verweerder aanleiding geweest om bij het primaire besluit 1 de bijstand van eiseres in te trekken met ingang van 1 januari 2018, op de grond dat eiseres de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw heeft geschonden. Het bedrag aan teveel verstrekte uitkering over genoemde periode wordt van haar en van [eiser] , die hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld, teruggevorderd.

4. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit 1 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres op 17 mei 2019 het formulier ‘informed consent’ heeft ondertekend en dat zij daardoor heeft bevestigd dat zij volledig is geïnformeerd over de reden, het doel van het huisbezoek en de eventuele gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek. Bovendien heeft de heer [B.] van de SR desgevraagd bevestigd dat hij eiseres heeft meegedeeld dat zij het recht had om de toegang tot de woning te weigeren, maar dat het niet meewerken aan een huisbezoek mogelijk kan leiden tot het intrekken van de bijstand wegens het niet nakomen van de medewerkingsverplichting. Verweerder hecht groot belang aan de door eiseres en [eiser] afgelegde verklaringen op 17 mei 2019. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres en [eiser] , onafhankelijk van elkaar, hebben verklaard dat [eiser] vanaf begin 2018 zijn hoofdverblijf heeft in de woning van eiseres. Daarnaast bevestigen de verrichte waarnemingen de verklaringen. Er zijn volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden gebleken om de tegenover de SR afgelegde verklaringen buiten beschouwing te laten.

5. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.236,00,-. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder het door eiseres tegen het boete-besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

6. In beroep tegen de bestreden besluiten heeft eiseres onder verwijzing naar haar bezwaarschriften - aangevoerd dat zij geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [eiser] en dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. De verklaringen van 17 mei 2019 zijn onrechtmatig verkregen en kunnen niet tot bewijs dienen. Aan eiseres is niet meegedeeld dat zij niet was gehouden haar medewerking te verlenen aan het huisbezoek en er is haar evenmin meegedeeld welke gevolgen het weigeren van toestemming zou hebben. Er was dus geen sprake van informed consent. Eiseres heeft het betreffende formulier wel getekend, maar zij heeft het niet kunnen nalezen en er werd druk op haar uitgeoefend. Op het formulier is niet aangekruist wat het gevolg van niet verlenen van toestemming zou zijn. Verweerder heeft met dit formulier niet aannemelijk gemaakt welke mededeling haar is gedaan. Dat rechercheur [B.] nu bevestigt dat eiseres wel volledig is geïnformeerd, maakt dit niet anders. Verder voert eiseres aan dat het onderzoek zich richtte op de periode voorafgaand aan het huisbezoek. Een eventuele weigering aan het huisbezoek zou mogelijk hebben kunnen leiden tot intrekking van haar recht op bijstand in de toekomst, maar zou, gezien de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op zichzelf geen gevolgen hebben gehad voor het verleden. Zonder de verklaringen van beiden bestaat onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat [eiser] gedurende de periode in geding zijn hoofdverblijf had aan het uitkeringsadres, maar ook met de verklaringen van 17 mei 2019 bestaat daarvoor onvoldoende feitelijke grondslag. Zowel met als zonder de betreffende verklaringen bestaat onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat sprake was van wederzijdse zorg. Zij beschikten in de periode in geding beiden over hun eigen woning en stonden daar ook ingeschreven. De waarnemingen zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat [eiser] zijn hoofdverblijf bij eiseres had. Met betrekking tot het bestreden besluit 2 heeft eiseres verder nog aangevoerd (kort weergegeven) dat haar geen cautie is gegeven, zodat de verklaringen niet mogen worden meegenomen. Voorts heeft zij aangevoerd dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Tot slot voert zij aan dat de draagkracht te hoog is vastgesteld.

Ten aanzien van de intrekking en terugvordering

7. In geschil is of verweerder op goede gronden wegens schending van de inlichtingenverlichting is overgegaan tot intrekking en tot terugvordering van de bijstandsuitkering. Het geschil spitst zich toe op de vraag of vanaf 1 januari 2018 tot en met 17 mei 2019 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Als sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding heeft eiseres in de in geding zijnde periode geen recht op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.

8. Bij de beoordeling van de beroepsgronden is - voor zover relevant - het volgende wettelijk kader van belang.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de Pw is er sprake van een gezamenlijke huishouding, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Pw heeft alleen een in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 53a, eerste lid, van de Pw is bepaald dat het college bevoegd is onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening van bijstand dan wel de voortzetting van bijstand.

In artikel 54, derde lid, van de Pw is, voor zover hier van belang, bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw, vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

9. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

10. Ingevolge vaste rechtspraak van de CRvB, onder meer de uitspraak van

2 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF0669, vormt schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op bijstand zou hebben bestaan.

11. Verweerder heeft de conclusie dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding grotendeels gebaseerd op de bevindingen van het huisbezoek van 17 mei 2019 en de verklaringen die eiseres en [eiser] daarbij hebben afgelegd.

12. Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat eenieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 november 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064), is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van informed consent. Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 1 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3831). Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de betrokkene erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand.

13. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de binnengekomen meldingen over verblijf van [eiser] bij eiseres op zichzelf getwijfeld kon worden aan de juistheid of de volledigheid van de door eiseres verstrekte gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van de omvang van het recht op bijstand. In dit geval bestond aldus een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 17 mei 2019.

14.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat voor het huisbezoek op 17 mei 2019 een informed consent ontbrak. Zij wijst erop dat aan haar een formulier informed consent is overhandigd, maar dat haar niet is meegedeeld noch dat daarop is aangegeven of een weigering van het huisbezoek gevolgen zou hebben voor haar recht. De rechtbank stelt vast dat op het door verweerder overgelegde exemplaar inderdaad niet is aangekruist welke van de twee met een @ aangeduide opties -het wel of niet gevolgen hebben voor het recht op uitkering van het niet verlenen van medewerking/toestemming tot toegang tot haar woning- aan eiseres werd voorgehouden.

14.2

De bewijslast ten aanzien van het informed consent bij het binnentreden in de woning rust op het bijstandverlenend orgaan. Nu uit het door eiseres ondertekende formulier niet duidelijk wordt of aan eiseres is uitgelegd dat het niet verlenen van de bedoelde medewerking/toestemming wel of geen consequenties heeft voor haar recht op bijstand (omdat geen van de opties is aangekruist), maakt dit dat redelijkerwijs kan worden betwijfeld of aan haar is uitgelegd wat de consequenties van het niet verlenen van medewerking aan/toestemming voor het huisbezoek zouden zijn. Dat verweerder nog navraag heeft gedaan bij de rechercheur die bij het huisbezoek was, neemt deze twijfel niet weg. Het formulier is nu juist bedoeld om bewijs te leveren van het informed consent. De enkele interne mondelinge mededeling van medewerkers van het college dat de mededeling wel aan eiseres is gedaan, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de CRvB van 31 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:834.

15. De omstandigheid dat niet blijkt dat is voldaan aan de eis van “informed consent” betekent dat ten aanzien van eiseres sprake was van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Omdat er wel sprake was van een redelijke grond, betekent dit echter niet dat het gebruik maken door verweerder van wat tijdens het huisbezoek is verklaard en waargenomen zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Hierbij is van belang dat, indien eiseres naar behoren zou zijn geïnformeerd en vervolgens zou hebben geweigerd aan het huisbezoek mee te werken, die weigering tot beëindiging van de bijstand zou hebben kunnen leiden. Het weigeren van medewerking aan een huisbezoek waarvoor zoals in dit geval een redelijke grond bestaat, levert immers een rechtsgrond op voor intrekking of beëindiging van de bijstand, indien het bijstandverlenend orgaan als gevolg daarvan niet kan vaststellen of recht op bijstand bestaat. Geen aanleiding bestaat daarom de bevindingen van het huisbezoek op 17 mei 2019 voor de beoordeling van het recht op bijstand, vanaf de datum van dat huisbezoek, buiten beschouwing te laten. De ‘indruisregel’ gaat echter niet op voor periodes voorafgaand aan het huisbezoek. In dit geval bestaan geen aanknopingspunten om van dit uitgangspunt af te wijken. Dit betekent dat wat tijdens de huisbezoeken door eiseres en [eiser] tegenover de handhavingsmedewerkers is verklaard en door deze medewerkers tijdens de huisbezoeken is waargenomen, buiten beschouwing dient te blijven bij de beantwoording van de vraag of eiseres en [eiser] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden.

16. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen groot belang te hechten aan de door eiseres en [eiser] bij het huisbezoek afgelegde verklaringen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat de waarnemingen die bij het uitkeringsadres zijn verricht, en waarbij af en toe de auto van [eiser] in de nabijheid is aangetroffen, onvoldoende zijn om aan te tonen dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen eiseres en [eiser] in de periode in geding.

17. Gelet hierop heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiseres in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met [eiser] voerde. De conclusie is dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. Dat betekent dat verweerder de bijstand van eiseres ook ten onrechte heeft ingetrokken en teruggevorderd. Het beroep tegen het primaire besluit 1 is dus gegrond.

18. Omdat het beroep gegrond is, vernietigt de rechtbank het bestreden besluit 1. Vanuit het oogpunt van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. Niet aannemelijk is dat verweerder het gebrek nog kan herstellen. De rechtbank herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 1. Dit betekent dat de intrekking en de terugvordering van tafel zijn.

19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.

Ook zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op

€ 1602,-- (3 punten voor de intrekking en terugvordering inclusief de bezwaarprocedure met een waarde per punt van € 534 en wegingsfactor 1).

Ten aanzien van de boete

20. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het bestreden besluit 2, gelet op hetgeen onder rechtsoverwegingen 14 tot en met 18 is overwogen, eveneens gegrond wordt verklaard. Nu de terugvordering geen stand kan houden, kan de daarop gebaseerde bestuurlijke boete immers evenmin standhouden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit 2, herroept het primaire besluit 2 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 2.

21. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van

€ 48,- vergoedt. Ook zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1602,-- (3 punten voor de boete inclusief de bezwaarprocedure met een waarde per punt van € 534 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank verklaart beide beroepen gegrond en;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 1;

  • -

    herroept het primaire besluit 1;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 1;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1602,--.

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 2;

  • -

    herroept het primaire besluit 2;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 2;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1602,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J. Beckers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 7 april 2021

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.