Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2967

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
C/03/278972 / HA ZA 20-314
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2021:4963
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit van woning als gevolg van gebrekkige dakbedekkings (constructie); deskundigenbericht over omvang van de schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/278972 / HA ZA 20-314

Vonnis van 31 maart 2021

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat: mr. W.J.F. Geertsen,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat: mr. M. Ouarani.

Partijen zullen hierna “ [eisers] ” en “ [gedaagden] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 19,

  • -

    de conclusie van antwoord en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 6,

  • -

    de voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de zijde van [eisers] overgelegde producties 20 tot en met 22,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 januari 2021.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 4 maart 2017 is tussen partijen een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: “de koopovereenkomst”). De notariële levering van de woning heeft op 31 juli 2017 plaatsgevonden.

2.2.

Ten behoeve van de koopovereenkomst is een standaard NVM-koopovereenkomst (NVM koopakte model 2014) gebruikt. In artikel 6.3 van de koopovereenkomst is bepaald:

De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: woonhuis.

(..)

Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Verkoper staat ook niet in voor de afwezigheid van gebreken die dat normale gebruik belemmeren en die aan koper bekend zijn of kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst.”

2.3.

Bij de koopovereenkomst is een door [gedaagden] ingevulde vragenlijst gevoegd. Paragraaf 3 van deze vragenlijst heeft betrekking op het dak. Hier is onder 3a. door [gedaagden] ingevuld dat het dak dateert van 2009. Bij de vraag onder 3b. of verkopers last hebben (gehad) van lekkages, is door [gedaagden] ingevuld:

keuken (bij dakafvoer, dit is professioneel gerepareerd)”.

Vraag 3c. luidt “Zijn er in het verleden gebreken geconstateerd aan de dakconstructie zoals scheve, doorbuigende, krakende, beschadigde en/of aangetaste dakdelen?”.

Deze vraag is door [gedaagden] met “nee” beantwoord.

De vraag onder 3d. of verkopers het dak al eens (gedeeltelijk) hebben laten vernieuwen c.q. laten repareren is met “ja” beantwoord.

2.4.

Daarnaast hebben [gedaagden] aan [eisers] een productgarantiecertificaat van Delbouw B.V. dak & techniek te Roermond (hierna: “Delbouw”) overhandigd, waarin een garantie voor de duur van tien jaar vanaf 22 juni 2009 op de waterdichtheid van de door Delbouw geleverde dakbedekkingsmaterialen is verstrekt.

2.5.

Het platte dak (hierna: “het dak”) is in 2009 aangebracht door VT Plus Dakbedekkingen te Susteren (hierna: “VT Plus”). VT Plus is op 4 maart 2013 failliet verklaard.

2.6.

Bij betreding van het dak op 7 mei 2019 heeft [eiser sub 1] geconstateerd dat het dak er niet strak bij lag en dat plooivorming duidelijk waarneembaar was. [eisers] hebben naar aanleiding daarvan op 8 mei 2019 contact opgenomen met Delbouw, inmiddels onderdeel van Royal Roofing Materials dak & bouw te Heerlen (hierna: “Royal Roofing Materials”). Royal Roofing Materials heeft op 16 mei 2019 de dakbedekking onderzocht. Royal Roofing Materials heeft vastgesteld dat de waterdichtheid van de toplaag van het dak de garantieperiode zal doorstaan, maar dat er vermoedelijk een applicatiefout is gemaakt bij de verwerking van de materialen en dat hierdoor de isolatie is gaan krimpen/schotelen, hetgeen de plooivorming verklaart. Vervolgens hebben [eisers] in juni-juli 2019 onderzoek laten verrichten door enkele dakdekkers, die voornoemd vermoeden aan hen hebben bevestigd.

2.7.

Bij brief van 19 juni 2019 hebben [eisers] bij [gedaagden] melding gemaakt van de geconstateerde gebreken, hen daarvoor aansprakelijk gesteld en aan hen de mogelijkheid geboden de gestelde gebreken binnen acht dagen te herstellen.

2.8.

Tevens hebben [eisers] aan Vebidak dakadvies te Nieuwegein (hierna: “Vebidak”), zijnde de brancheorganisatie voor bitumineuze en kunststof dakbedekkings-bedrijven, opdracht gegeven om de aard en de omvang van de gebreken nader te onderzoeken. Door Vebidak is op 30 augustus 2019 een rapportage uitgebracht met betrekking tot het onderzoek dat op 1 augustus 2019 door een aan Vebidak verbonden deskundige is uitgevoerd. In de conclusie van de rapportage is het volgende vermeld:

“in het onderhavig project hebben het ontbreken van een deugdelijke dampremmende laag en de vervorming van de onderliggende PIR-Isolatieplaat ertoe geleid dat de bovenliggende bitumineuze dakbedekking diverse gebreken is gaan vertonen. Deze gebreken zijn onder andere plooi- en blaasvorming, craquelévorming en scheurvorming in de bovendeklaag van bitumen dakbaan. Een gevolg van deze gebreken is dat er na een regenbui plasvorming ontstaat en hierdoor de levensduur van de dakbedekking negatief wordt beïnvloed.”

Volgens Vebidak zijn de gebreken dusdanig ernstig dat deze niet te herstellen zijn en dat vervanging van de totale dakbedekkingsconstructie noodzakelijk is. De mogelijkheid van lekkages is volgens Vebidak zeer groot door het ontbreken van een knelprofiel onder het stucwerk.

2.9.

De herstelkosten zijn door Vebidak begroot op € 44.165,00 (incl. BTW) en een stelpost van € 6.050,00 (incl. BTW) met betrekking tot de toestand van de onderconstructie. [eisers] hebben daarnaast een offerte laten uitbrengen door de dakdekkersbedrijven [naam dakdekkersbedrijf 1] te [vestigingsplaats 1] (hierna: “ [naam dakdekkersbedrijf 1] ) en [naam dakdekkersbedrijf 2] te [vestigingsplaats 1] (hierna: “ [naam dakdekkersbedrijf 2] ”). [naam dakdekkersbedrijf 1] heeft bij offerte van 6 mei 2020 een herstelprijs begroot van € 30.975,00 (excl. BTW) en een stelpost van circa € 5.000,00 (excl. BTW). [naam dakdekkersbedrijf 2] komt in haar offerte van 13 mei 2020 tot een herstelprijs van € 53.623,19 (incl. BTW).

2.10.

[gedaagden] hebben iedere aansprakelijkheid afgewezen. Zij hebben een contra expertise laten verrichten door [naam bedrijf 1] te [vestigingsplaats 2] (hierna: “ [naam bedrijf 1] ”), waarvan de uitkomsten zijn neergelegd in een rapport van 5 december 2019 en door [naam bedrijf 2] te [vestigingsplaats 3] (hierna: “ [naam bedrijf 2] ”), waarvan de uitkomsten zijn neergelegd in een rapport van 15 juli 2020. Daarnaast hebben zij offertes overgelegd van [naam dakdekkersbedrijf 3] te [vestigingsplaats 4] (hierna: “ [naam dakdekkersbedrijf 3] ”), [naam dakdekkersbedrijf 4] te [vestigingsplaats 5] (hierna: “ [naam dakdekkersbedrijf 4] ”) en [naam dakdekkersbedrijf 5] te [vestigingsplaats 6] (hierna: “ [naam dakdekkersbedrijf 5] ”). De kosten van de uit te voeren herstelwerkzaamheden bedragen volgens [naam bedrijf 1] € 16.340,00 (incl. BTW), welk bedrag gebaseerd is op de offerte van [naam dakdekkersbedrijf 3] van 18 november 2019. [naam dakdekkersbedrijf 3] heeft deze offerte, na inspectie op 29 juni 2020 verhoogd tot € 17.974,00 (incl. BTW). [naam dakdekkersbedrijf 5] begroot de kosten van herstel in zijn offerte van 20 januari 2020 op € 16.561,88 (incl. BTW) en volgens [naam dakdekkersbedrijf 4] bedragen de herstelkosten, zoals geoffreerd op 18 januari 2020 € 15.488,00 (incl. BTW). [naam bedrijf 2] komt ten slotte uit op een bedrag van
€ 18.634,00 (incl. BTW) ter zake herstel. Hij is van mening dat een aftrek “nieuw voor oud” moet plaatsvinden.

2.11.

Op verzoek van [eisers] heeft Vebidak op 6 april 2020 een specificatie van de volgens haar vereiste herstelwerkzaamheden verstrekt. Daarbij heeft zij tevens gereageerd op de offerten en rapporten van de zijde van [gedaagden]

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 50.215,00 incl. BTW, primair uit hoofde van vervangende schadevergoeding, subsidiair op basis van gedeeltelijke ontbinding, te vermeerderen met rente en (buitengerechtelijke) kosten, alsmede een bedrag van € 2.116,29 ten aanzien van kosten deskundige.

3.2.

[eisers] stellen daartoe dat uit het onderzoek dat zij hebben laten verrichten door Royal Roofing Materials, Vebidak en door enkele dakdekkers, unaniem is gebleken dat aan het dak gebreken zijn ontstaan die worden veroorzaakt door een probleem in de dakopbouw in combinatie met de applicatie van de materialen. Reparatie, waarbij de huidige dakopbouw kan worden behouden, is niet mogelijk. De enige oplossing is om het dak vanaf het dakbeschot volledig opnieuw op te bouwen. Die werkzaamheden dienen dringend plaats te vinden, omdat de kans op lekkages nu zeer groot is. [eisers] stellen dat [gedaagden] de op hen rustende mededelingsplicht hebben geschonden, dat de geleverde woning niet aan de koopovereenkomst beantwoordt en dat gelet op de in artikel 6.3 van de koopovereenkomst verstrekte garantie de gebreken moeten worden toegerekend aan [gedaagden] Volgens [eisers] dienen [gedaagden] de geleden schade te vergoeden, die door Vebidak begroot is op € 50.215,00 (incl. BTW).

3.3.

[gedaagden] betwisten de vordering en voeren verweer. Zij stellen zich op het standpunt dat [eisers] niet tijdig hebben geklaagd. Voorts betogen zij dat de door [eisers] gestelde gebreken het normaal gebruik van de woning niet verhinderen. Indien vast zou komen te staan dat de gestelde gebreken het normaal gebruik van de woning wel verhinderen, dat stellen [gedaagden] dat de gestelde gebreken voor [eisers] kenbaar hadden kunnen zijn, wanneer zij voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst voldoende onderzoek naar de toestand van het dak hadden gedaan. Zij betwisten voorts dat de gestelde gebreken aan hen toerekenbaar zijn, omdat artikel 6.3 van de koopovereenkomst niet als een garantie kan worden gekwalificeerd en zij ook geen kennis droegen van de gestelde gebreken. Voorts betwisten zij met diverse argumenten de omvang van de gestelde schade en voeren onder meer aan dat een aftrek “nieuw voor oud” moet worden toegepast.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

schending klachtplicht?

4.1.

[gedaagden] beroepen zich op een schending van artikel 7:23 BW. Zij stellen dat [eisers] na levering van de woning gehouden waren om te onderzoeken of de woning aan de koopovereenkomst beantwoordt en vervolgens gehouden waren om eventuele klachten daaromtrent binnen een redelijke termijn te melden. Op hen rustte derhalve de verplichting, mede gelet op de oudersdomsclausule in de koopovereenkomst, om onderzoek te doen naar de toestand van het dak. Nu zij dat niet hebben gedaan, is sprake van schending van de klachtplicht, aldus [gedaagden]

4.2.

[eisers] hebben gesteld dat, gelet op de mededelingen die door [gedaagden] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst zijn gedaan en gelet op het feit dat het dak – ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst – slechts acht jaar oud was, er geen aanleiding of verplichting voor hen bestond tot nader (destructief) onderzoek van de staat van het dak.

4.3.

Op grond van artikel 7:23 lid 1 BW kan de koper er geen beroep meer op doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers] binnen bekwame tijd na ontdekking van het door hen gestelde gebrek [gedaagden] daarvan in kennis heeft gesteld. Het staat vast dat een zekere mate van nader onderzoek nodig was om de oorzaak van de plooivorming in de dakbedekking te achterhalen en daarnaast is dit onderzoek nodig geweest om vast te stellen of die plooivorming meer betrof dan enkel een esthetisch probleem. Nadat [eisers] hebben vastgesteld dat het dak er niet strak bij lag, hebben zij naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld door een deskundige van Royal Roofing Materials naar deze vragen onderzoek te laten doen. Zij hebben [gedaagden] aansluitend daaraan van diens bevindingen op de hoogte gebracht en aansprakelijk gesteld. Voor zover [gedaagden] betogen dat [eisers] het door hen gestelde gebrek eerder hadden behoren te ontdekken, dan gaat de rechtbank daar eveneens aan voorbij. De rechtbank is van oordeel dat voor [eisers] geen aanleiding bestond noch op hen de verplichting rustte om de staat van het dak eerder te onderzoeken dan zij hebben gedaan. De rechtbank betrekt in dat oordeel met name de mededelingen die [gedaagden] in ieder geval in de vragenlijst over het dak hebben gedaan en het feit dat het dak – ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst – pas acht jaar oud was. Van schending van de klachtplicht ex artikel 7:23 BW is dan ook geen sprake.

normaal gebruik van de woning mogelijk?

4.5.

[eisers] doen een beroep op het bepaalde in artikel 6.3 van de koopovereenkomst. Zij stellen, onder verwijzing naar de rapportages van Royal Roofing Materials en Vebidak, dat de gebreken aan het dak zodanig zijn dat de woning niet de feitelijke eigenschappen bezit die nodig zijn voor normaal gebruik van de woning als woonhuis. [gedaagden] betwisten dat de woning niet voor normaal gebruik geschikt zou zijn en doen een beroep op de rapportages van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] .

4.6.

Tussen partijen staat vast dat zij een koopovereenkomst volgens het model van de NVM (versie 2014) hebben gesloten, waarin een van artikel 7:17 BW afwijkende regeling is opgenomen. Artikel 6.1 van de overeenkomst bevat de hoofdregel, die (kort gezegd) inhoudt dat [gedaagden] niet instaan voor de afwezigheid van (verborgen) gebreken. Op grond van dat artikel dragen [eisers] het risico van het bestaan van die gebreken. In artikel 6.3 van de koopovereenkomst wordt daarop echter een uitzondering gemaakt, in die zin dat de woning bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen zal bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als “woonhuis”. Met artikel 6.3 van de koopovereenkomst staan [gedaagden] in voor de afwezigheid van gebreken die het normaal gebruik als woonhuis belemmeren. Ingevolge artikel 6.3 van de koopovereenkomst staan [gedaagden] echter niet in voor gebreken die het normale gebruik belemmeren én die aan [eisers] kenbaar waren bij het tot stand komen van de koopovereenkomst. Met de term “kenbare gebreken” wordt in het algemeen gerefereerd aan de onderzoekplicht van de koper. Ook gebreken die de koper niet kende, maar die hij (wel) zou hebben ontdekt indien hij het onderzoek had verricht dat redelijkerwijs van hem mocht worden gevergd, zijn kenbaar.

4.7.

De uitleg van het begrip “normaal gebruik” moet aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf worden vastgesteld (zie HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 en HR 20 februari 2004, NJ 2005/493). Dat betekent dat de rechtbank daarin niet alleen de tekst van de koopovereenkomst dient te betrekken, maar ook de andere omstandigheden van het geval. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling echter verklaard dat door de makelaar geen nadere uitleg is gegeven over artikel 6.3 van de koopovereenkomst en de daarbij verstrekte schriftelijke toelichting en dat partijen verder ook niet hebben onderhandeld of hebben gesproken over wat onder normaal gebruik dient te worden verstaan. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat “normaal gebruik” betrekking heeft op wat daaronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan. Dat betekent onder meer dat in de woning gewoond moet kunnen worden op een veilige manier en met een bepaalde mate van duurzaamheid en woongenot, overeenstemmend met de aard en de ouderdom van de woning.

4.8.

Uit de rapportages van de door [gedaagden] geraadpleegde deskundigen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] blijkt dat ook zij – evenals Royal Roofing Materials en Vebidak – van mening zijn dat de dakbedekkingsconstructie vervangen dient te worden. [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] onderschrijven voor het merendeel de bevindingen van Vebidak, voor zover het de door Vebidak vastgestelde gebreken betreft. In de kern komt het erop neer dat [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] het eens zijn met de conclusie van Vebidak dat een dampremmende laag – die voorkomt dat vochtige, warme lucht uit de woning in het dakbedekkingspakket kan komen – ontbreekt tussen de houten onderconstructie en de isolatie en dat hierdoor en door het ontbreken van voldoende verankering de isolatieplaten zijn gaan schotelen.

4.9.

[naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] trekken de ernst en omvang van de gevolgen van het ontbreken van een dampremmende laag, waardoor condensatie in de houten dakconstructie kan optreden, wel in twijfel.

4.9.1.

[naam bedrijf 1] is van mening dat het lastig is om een juiste conclusie daarover te trekken omdat de houten dakconstructie niet overal zichtbaar is. Gezien de staat van de houten dakconstructie in de garage, de plaats waar zij wel zichtbaar is, ziet [naam bedrijf 1] weinig aanwijzingen dat de houten dakconstructie in onbruikbare staat zou zijn.

4.9.2.

Ook [naam bedrijf 2] verwacht niet dat reparaties aan de houten dakconstructie nodig zullen zijn. Het vervangen van de dakbedekkingsconstructie is afdoende. [naam bedrijf 2] geeft in zijn rapportage aan dat nog steeds, ook niet een jaar na de rapportage van Vebidak, geen (schijn)lekkages in de woning zijn aangetroffen en dat de gebreken daarmee niet aan normaal gebruik van de woning in de weg staan.

4.9.3.

[gedaagden] betwisten op grond van de hiervoor vermelde opmerkingen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] dat de technische levensduur van de huidige dakbedekkingsconstructie niet behaald zou kunnen worden, zoals Vebidak stelt, en dat – gezien het uitblijven van lekkages – de gebreken niet aan normaal gebruik van de woning in de weg staan, noch als ernstig te kwalificeren zijn. Zij betwisten in de kern dan ook de urgentie en de noodzakelijkheid van vervanging van het dak.

4.10.

Nu de deskundigen echter unaniem van mening zijn dat, gezien de aard van de gebreken en de verwachting dat deze gebreken zullen toenemen, in ieder geval tot vervanging van de dakbedekkingsconstructie dient te worden overgegaan, moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat de woning niet voldoet aan de eisen die aan normaal gebruik als woonhuis moeten worden gesteld. Het ontbreken van een deugdelijke dakbedekkingsconstructie belet naar het oordeel van de rechtbank het normale gebruik van een woning. Naast in ieder geval de reële kans op lekkages binnen afzienbare tijd, zijn er mogelijk ook andere nadelige gevolgen, zoals het bestaan van koudebruggen die een negatief effect op de temperatuur in de woning zullen hebben en tot hogere stookkosten zullen leiden, alsmede een verminderde levensduur van de dakbedekkingsconstructie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de woning niet voor normaal gebruik als woonhuis geschikt is.

kenbaarheid van het gebrek?

4.11.

De verkoper staat in voor de afwezigheid van gebreken die het normaal gebruik van de woning als woonhuis belemmeren, tenzij die gebreken aan de koper bekend zijn of kenbaar waren. Het begrip “kenbaar” is ruimer dan “bekend”. Ook gebreken die de koper niet kent, maar die hij, wanneer hij voldoende zorgvuldig te werk was gegaan, had kunnen ontdekken, zijn kenbaar. Zoals hiervoor al is overwogen, bestond er op grond van de mededelingen die door [gedaagden] in ieder geval in de vragenlijst zijn gedaan en het feit dat het dak slechts acht jaar voor het sluiten van de koopovereenkomst was aangebracht – terwijl een normale technische levensduur van een dakbedekking volgens de door partijen geraadpleegde deskundigen zeker twintig jaar bedraagt – geen aanleiding voor [eisers] , noch rustte op hen de verplichting, om voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst nader (eventueel destructief) onderzoek naar de staat van het dak te doen. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een gebrek dat aan [eisers] voorafgaand aan het tot stand komen van de koopovereenkomst kenbaar was.

garantie?

4.12.

Artikel 6.3 van de door partijen gesloten koopovereenkomst bevat, anders dan [gedaagden] stellen, een garantie dat de woning ten tijde van het tot stand komen van de koopovereenkomst voor normaal gebruik als woonhuis geschikt was. [gedaagden] hebben in artikel 6.3 van de koopovereenkomst immers vastgelegd dat zij instaan voor de afwezigheid van gebreken die het normale gebruik als woonhuis verhinderen. Krachtens de door [gedaagden] verstrekte garantie moet het gebrek daarom aan hen worden toegerekend.

tussenconclusie

4.13.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat sprake is van een gebrek dat aan normaal gebruik van de woning in de weg staat en dat aan [gedaagden] moet worden toegerekend. Dat betekent dat sprake is van non-conformiteit. [gedaagden] zijn dan ook gehouden om de kosten van herstel aan [eisers] te vergoeden.

omvang van de kosten van herstel?

4.14.

Over de kosten van herstel verschillen partijen van mening. De ramingen van de diverse door hen geraadpleegde deskundigen en dakdekkersbedrijven lopen sterk uiteen. De rechtbank stelt vast dat de verschillende deskundigen met name over een aantal specifieke aspecten twisten, te weten de aan de te gebruiken materialen te stellen kwaliteitseisen, de isolatienorm waaraan de nieuwe dakbedekking dient te voldoen, de noodzaak van verhoging en daarmee vervanging van de dakopstand en de noodzaak van vervanging van de houten onderconstructie.

4.15.

De rechtbank overweegt in dat verband reeds nu het navolgende:

4.15.1.

De deskundigen van de zijde van [gedaagden] stellen zich op het standpunt dat op grond van de richtlijnen van Vebidak onnodig hoge eisen worden gesteld aan de dakbedekking, hetgeen tot onnodig hoge herstelkosten leidt. De rechtbank kan op basis van de op dit moment ter beschikking staande informatie niet beoordelen welke eisen aan de dakbedekking mogen worden gesteld. Wel is de rechtbank van oordeel dat de door [gedaagden] uiteindelijk te vergoeden kosten van herstel dienen te worden gebaseerd op de prijs van materialen die van aard en kwaliteit vergelijkbaar zijn met de in het huidige dakbedekkingspakket toegepaste materialen. Indien op grond van de huidige wettelijke eisen, zoals bijvoorbeeld voortvloeiend uit het Bouwbesluit, hogere of strengere eisen worden gesteld aan bepaalde materialen of onderdelen daarvan, dan komen de daaraan verbonden meerkosten niet, althans in ieder geval niet zonder nadere toelichting die nu onbreekt, voor rekening van [gedaagden]

4.15.2.

De rechtbank is voorts van oordeel dat een aftrek “nieuw voor oud” zal moeten worden toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze aftrek worden gesteld op 50% van de kosten van vervanging van de dakbedekking, omdat inmiddels circa de helft van de normale technische levensduur van de dakbedekking van twintig jaar is verstreken.

4.16.

De rechtbank acht het noodzakelijk een deskundigenbericht in te winnen teneinde de gerezen vragen omtrent de omvang van de kosten van herstel te beantwoorden.

4.17.

Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen al gesproken over de wenselijkheid van dit deskundigenbericht en over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n). Voordat tot een benoeming van een deskundige zal worden overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n), over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen en over de hoogte van het voorschot van de deskundige(n). Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het op voorhand eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.18.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van een deskundige op het gebied van daken en dakbedekkingen en dat de navolgende vragen aan de deskundige dienen te worden voorgelegd:

  1. Kunt u gemotiveerd aangeven of u van mening bent dat de houten onderconstructie van het dak vervangen dient te worden? Indien u die mening toegedaan bent, geldt dit dan voor de gehele onderconstructie of slechts voor een gedeelte?

  2. Kunt u gemotiveerd aangeven of de dakopstand verhoogd dient te worden?

  3. Kunt u gemotiveerd toelichten welke bouwkundige- en/of dakbedekkingswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd ter herstel van het dak? Welke materialen dienen daarbij te worden gebruikt om een dak dat van aard en kwaliteit vergelijkbaar is aan de in het huidige dakbedekkingspakket toegepaste materialen te realiseren? Dienen er op grond van de huidige wettelijke vereisten ten aanzien van bepaalde onderdelen andere materialen te worden toegepast dan welke in het huidige dakbedekkingspakket zijn toegepast?

  4. Wat zijn de kosten van het uitvoeren van de hiervoor bedoelde werkzaamheden. Als de huidige wettelijke vereisten (zie vraag 3) tot een kostenverhoging leiden, kunt u aangeven wat dan het prijsverschil is ten opzichte van de materialen die in het huidige dakbedekkingspakket zijn toegepast?

  5. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

4.19.

De rechtbank ziet in de vaststelling dat [gedaagden] de kosten van de vervanging van het dak dienen te vergoeden, aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in dit geval niet, conform de hoofdregel, door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Het voorschot zal daarom door [gedaagden] moeten worden betaald.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 april 2021 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over rechtsoverweging 4.17 en 4.18,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021.1

1 type: EvdS coll: