Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2946

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
AWB 20/2151, AWB 20/2152, AWB 20/2153, AWB 20/3315 en AWB 21/890 t/m AWB 897
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van beslissingen op zijn AVG-inzageverzoeken. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van misbruik van recht, omdat haar is gebleken dat eiser zijn inzageverzoeken niet heeft ingediend met het doel te weten te komen of persoonsgegevens van hem worden verwerkt en in geval dat zo is inzage in de persoonsgegevens die van hem worden verwerkt, maar kennelijk met geen ander doel dan procedures entameren om daarmee dwangsommen te kunnen incasseren. De rechtbank heeft deze beroepen en de van rechtswege ontstane beroepen tegen de beslissingen tot buitenbehandelingstelling dan wel afwijzing van de inzageverzoeken niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2021/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/2151, AWB 20/2152, AWB 20/2153, AWB 20/3315 en AWB 21/890 t/m AWB 897

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2021 in de zaken tussen

[eiser] , eiser

en

1. de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van de van de gemeente Roerdalen;

2. de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van de van de gemeente Valkenburg aan de Geul;

3. de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van de van de gemeente Vaals respectievelijk

4. de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van de van de gemeente Brunssum, verweerders.

Procesverloop

Eiser heeft beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Van de kant van de gemeenten Valkenburg aan de Geul en Vaals zijn verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2021. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eiser heeft aan de zitting deelgenomen via een telefonische (beeld)verbinding. De gemachtigden van verweerders J. Stoffels (Roerdalen), R. Timmers (Valkenburg aan de Geul), mr. M. Orasanin (Vaals) en mr. A.A.C.M. Gidding-Baade en C.E.A. Bemelmans-Palmen (Brunssum) waren in de zittingszaal aanwezig.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft aan de gemeenten van verweerders brieven gestuurd, gedateerd

29 april 2020 respectievelijk 18 augustus 2020. Eiser heeft in zijn brieven gevraagd of persoonsgegevens van hem worden verwerkt en als dat het geval is om inzage in deze persoonsgegevens (door middel van het verstrekken van een kopie van deze gegevens) en van overige informatie (de inzageverzoeken).

2. Van de kant van de gemeenten is eiser binnen een maand na ontvangst van de inzageverzoeken schriftelijk meegedeeld dat de verzoeken pas kunnen worden behandeld als eiser zich legitimeert.

3. Vervolgens heeft eiser de gemeenten van verweerders bij brieven van 13 juni 2020 respectievelijk 26 september 2020 geschreven dat hij verzoekt om een besluit te nemen op zijn brieven van 29 april 2020 respectievelijk 18 augustus 2020. Eiser neemt in de brieven verder het standpunt in dat niet tijdig is beslist en verzoekt voortvarend te werk te gaan.

4. Van de kant van de gemeenten is eiser naar aanleiding van deze brieven schriftelijk verwezen naar de eerdere brieven waarin hem is meegedeeld dat hij zich dient te legitimeren alvorens zijn verzoek in behandeling kan worden genomen, dan wel is hem een termijn gegund om zich te legitimeren.

De beroepen niet tijdig beslissen

5. Daarna heeft eiser de voorliggende beroepen niet tijdig beslissen ingediend. Eiser geeft in de beroepschriften aan dat de beslistermijnen niet zijn opgeschort omdat daarvoor geen termijnen zijn gegeven en dat de brieven waarin hem wordt gevraagd zich te legitimeren geen besluiten tot buitenbehandelingstelling inhouden. Verder geeft hij aan dat hij de gemeenten ingebrekestellingen heeft gestuurd, zij niet op tijd hebben beslist, een dwangsom hebben verbeurd en hij bevoegd is tot het indienen van de beroepschriften. Daarbij verwijst hij naar de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wet dwangsom en naar jurisprudentie.

6. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen heeft in reactie op het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het aan zijn gemeente gericht besluit laten weten het verzoek te hebben opgevat als een verzoek op grond van de Wet basisregistratie personen, dat het verzoek echter een verzoek is op grond van de AVG en dat spoedig op het verzoek zal worden beslist. Van de zijde van de gemeenten Valkenburg aan de Geul en Vaals is (onder meer) betwist dat de brieven van eiser van 13 juni 2020 ingebrekestellingen zijn en aangegeven dat sprake is van misbruik van recht.

7. Bij besluiten van 20 oktober 2020, 9 november 2020 en 26 januari 2021 hebben de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen, Vaals en Brunssum besloten het inzageverzoek niet verder te behandelen, omdat eiser geen gegevens heeft overgelegd om zijn identiteit te kunnen vaststellen, dan wel het inzageverzoek afgewezen. Eiser is voorafgaande aan deze besluiten reactietermijnen gegeven. Eiser heeft deze termijnen ongebruikt laten verstrijken.

De beoordeling van de beroepen niet tijdig beslissen

Wie zijn de verwerkingsverantwoordelijken/verweerders?

8. Bij de voorbereiding van de voorliggende beroepen is de rechtbank gebleken dat de verzoeken van eiser door de gemeenten, al dan niet meteen, zijn aangemerkt als verzoeken om inzage als bedoeld in artikel 15 van de AVG. Omdat de inzageverzoeken gericht zijn aan de gemeenten van verweerders en binnen een gemeente verschillende bestuursorganen verantwoordelijk zijn voor de verwerking van persoonsgegevens heeft de rechtbank de bestuursorganen van de gemeenten van verweerders vóór de zitting een brief gestuurd met het verzoek, kort gezegd, dat alle verwerkingsverantwoordelijken die op de verzoeken een besluit moeten nemen, ter zitting vertegenwoordigd zijn.

9. De in de aanhef van de uitspraak genoemde verweerders hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen. Gesteld noch gebleken is dat de inzageverzoeken ruimer moeten worden opgevat dan verzoeken aan de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van de aangeschreven gemeenten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser bedoeld heeft de inzageverzoeken aan verweerders te richten en dat eiser met de voorliggende beroepen heeft bedoeld beroepen in te stellen tegen het niet tijdig nemen van besluiten door verweerders.

Is eiser terecht voorlopig vrijgesteld van de betaling van griffierecht?

10. Als de heffing van het wettelijke verschuldigde griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een bestuursrechtelijke rechtsgang, wordt aangenomen dat de betrokkene met het achterwege laten van betaling van griffierecht niet in verzuim is, als bedoeld in artikel 8:41, zesde lid, van de Awb. Dat was in de periode waarin het griffierecht moest worden betaald het geval als de rechtzoekende aannemelijk maakte dat hij beschikte over een netto-inkomen dat minder bedroeg dan 90 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en niet over vermogen beschikte.

11. Eiser heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in genoemde periode werkte via een uitzendbureau, dat hij geen inkomen had boven hiervoor genoemde norm en over een vermogen beschikte van € 82,46. Ter zitting heeft eiser aangegeven in genoemde periode geen ander inkomen te hebben gehad en geen andere bankrekening te hebben dan die waarop zijn vermogen staat. Op grond van deze gegevens is eiser terecht voorlopig vrijgesteld van betaling van griffierecht. Zijn beroepen op betalingsonmacht slagen dus. Eiser hoeft daarom voor de behandeling van de voorliggende beroepen geen griffierecht te betalen.

Is sprake van misbruik van recht?

12. Gebleken is dat eiser met zijn inzageverzoeken heeft bedoeld AVG-inzageverzoeken in te dienen. Eiser heeft de AVG echter niet in zijn inzageverzoeken genoemd, terwijl dit, gelet op zijn bedoeling en kennis van de AVG, wel voor de hand had gelegen. Het niet vermelden van de AVG in zijn inzageverzoeken maakt de verzoeken voor verschillende uitleg vatbaar, hetgeen ook is gebleken en kan dus verwarring en/of vertraging in de hand werken, hetgeen ook is gebeurd en onder de gegeven omstandigheden niet nodig was. De omstandigheid dat eiser zijn inzageverzoeken zonder vermelding van de AVG voldoende duidelijk vindt laat dit onverlet.

12.1

Gebleken is verder dat eiser op de brieven die hij naar aanleiding van zijn inzageverzoeken van de kant van de gemeenten heeft gekregen met de mededeling dat eiser zich diende te legitimeren voordat zijn verzoek in behandeling kon worden genomen, zich niet gelegitimeerd heeft en ook overigens niet op deze brieven gereageerd heeft. Vaststaat dat eiser deze brieven heef gekregen en ervoor gekozen heeft zich niet te legitimeren en niet te reageren. Op grond van artikel 12, zesde lid, van de AVG mocht van eiser worden verlangd dat hij zich legitimeert. Gelet op wat eiser met zijn inzageverzoeken heeft gevraagd had hij moeten begrijpen dat het voor inhoudelijke beslissingen op zijn inzageverzoeken cruciaal is vast te stellen of eiser degene is ten aanzien van wie de inzageverzoeken worden gedaan. Eiser wist ook, omdat dit uit de genoemde brieven blijkt, dat hij geen inhoudelijke beslissingen zou krijgen als hij zich niet zou legitimeren, maar heeft er desondanks bewust voor gekozen zich niet te legitimeren en ook niet te reageren.

12.2

Terwijl eiser dus wist dat zonder legitimatie niet inhoudelijk op zijn inzageverzoeken zou worden beslist, hij had moeten begrijpen dat zonder legitimatie niet inhoudelijk op zijn inzageverzoeken kon worden beslist en hij de keuze heeft gemaakt zich niet te legitimeren en niet op de legitimatieverzoeken te reageren, heeft eiser de gemeenten van verweerders zijn brieven van 13 juni en 26 september 2020 gestuurd, bedoeld als ingebrekestellingen wegens het niet tijdig beslissen op zijn inzageverzoeken. Onder deze omstandigheden heeft eiser met het sturen van deze brieven niet de bedoeling kunnen hebben gehad inhoudelijke beslissingen op zijn inzageverzoeken te verkrijgen. Deze brieven zijn bovendien zo geredigeerd dat er discussie over kon ontstaan en is ontstaan, terwijl dit, gelet op de kennis van eiser ter zake, zoals blijkt uit zijn standpunt over deze brieven en de jurisprudentie die hij in dat verband heeft aangehaald, niet nodig was en hierdoor dus verdere verwarring en/of vertraging kon ontstaan en is ontstaan.

12.3

Eiser heeft zich ook niet gelegitimeerd naar aanleiding van de brieven van de kant van de gemeenten waarin eiser nogmaals om legitimatie is gevraagd of hem een termijn is gegeven om zich te legitimeren en heeft evenmin op deze brieven gereageerd. Uit een aantal brieven blijken de zorgen die aan de kant van de gemeenten zijn ontstaan over of eiser de eerdere brieven over legitimatie wel heeft begrepen of gekregen. Er blijkt ook nog eens uit dat legitimatie nodig is om een inhoudelijke beslissing te kunnen nemen waardoor eiser eens te meer wist dat hij zonder legitimatie geen inhoudelijke beslissing op zijn inzageverzoeken zou krijgen. Desondanks heeft eiser ook deze keer bewust de keuze gemaakt om zich niet te legitimeren en niet op de brieven te reageren.

12.4

Terwijl eiser aldus duidelijk was gemaakt dat hij geen inhoudelijke beslissing op zijn inzageverzoeken zou krijgen als hij zich niet zou legitimeren en eiser had moeten begrijpen dat zonder legitimatie niet inhoudelijk op zijn inzageverzoeken kon worden beslist, heeft eiser de voorliggende beroepen niet tijdig beslissen ingediend met het doel verweerders op te dragen beslissingen op zijn inzageverzoeken te nemen en verbeurde dwangsommen vast te stellen. Onder deze omstandigheden heeft eiser met deze beroepen niet de bedoeling kunnen hebben gehad verweerders te bewegen inhoudelijke besluiten op zijn inzageverzoeken te nemen.

12.5

De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser de bevoegdheid om een AVG-inzageverzoek in te dienen niet heeft gebruikt voor het doel waarvoor de bevoegdheid is gegeven, te weten om een betrokkene de mogelijkheid te geven aan een verwerkingsverantwoordelijke te vragen of hij persoonsgegevens van hem verwerkt en als dat het geval is om inzage in deze persoonsgegevens te krijgen, maar kennelijk met geen ander doel, gelet op zijn manier van handelen, dan procedures entameren om daarmee, als niet tijdig zou worden beslist, dwangsommen te kunnen incasseren.

12.5.1

Met zijn principiële standpunten over het nalaten op de verzoeken om legitimatie te reageren, omdat de opschortingen van de beslistermijnen door het gebrek aan een termijnstelling niet rechtsgeldig zijn, dan wel omdat een verlopen beslistermijn niet kan worden opgeschort en een bestuursorgaan zich daarvan bewust moet zijn, heeft eiser de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat hij zijn inzageverzoeken heeft ingediend met het doel om te weten te komen of persoonsgegevens van hem worden verwerkt en als dat het geval is inzage krijgen in de persoonsgegevens die worden verwerkt, reeds omdat deze standpunten niet zijn te rijmen met dat doel. Een reactie op de legitimatieverzoeken had eiser op geen enkele wijze geschaad of benadeeld en legitimatie had ertoe geleid dat eiser zo snel mogelijk inhoudelijke beslissingen op zijn inzageverzoeken had gekregen zoals uit de brieven van de kant van de gemeenten en uit het verhandelde ter zitting blijkt.

13. Het op deze manier gebruik maken van de bevoegdheid een AVG-inzageverzoek in te dienen geeft blijk van kwade trouw. Eiser heeft daarom misbruik gemaakt van deze bevoegdheid. Dit geldt ook voor het gebruik van de bevoegdheid om de voorliggende beroepen niet tijdig beslissen bij de rechtbank in te stellen omdat deze beroepen niet los kunnen worden gezien van het doel waarmee eiser de bevoegdheid om een inzageverzoek in te dienen heeft gebruikt. De beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.

De beoordeling van de beroepen die van rechtswege zijn ontstaan

14. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen, Vaals en Brunssum hebben de inzageverzoeken bij besluiten van 20 oktober 2020 respectievelijk

9 november 2020 en 26 januari 2021 buiten behandeling gesteld dan wel afgewezen. Tegen deze besluiten zijn ingevolge artikel 6:20 van de Awb beroepen van rechtswege ontstaan. Omdat deze beroepen niet los kunnen worden gezien van het hiervoor omschreven misbruik van recht worden ook deze beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.

Conclusie

15. De beroepen niet tijdig beslissen en de beroepen die van rechtswege zijn ontstaan zijn niet-ontvankelijk. Aan de beoordeling van hetgeen eiser in zijn beroepschriften heeft aangevoerd en gevraagd komt de rechtbank dan ook niet meer toe.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet tijdig beslissen en de beroepen die van rechtswege tegen de besluiten van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Roerdalen, Vaals en Brunssum 20 oktober 2020, respectievelijk 9 november 2020 en

26 januari 2021 zijn ontstaan niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

2 april 2021.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mee te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 2 april 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.