Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2917

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
ROE 21/759
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster hebben een verzoek om rectificatie van verstrekkingen ingediend bij verweerder. Verweerder heeft het verzoek deels toegewezen. Tegen dit besluit hebben verzoeksters beroep ingesteld bij de rechtbank, Zij hebben de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, omdat zij de beoordeling van het beroep niet kunnen afwachten, met name in verband met een zitting op 6 april 2021 bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/759

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster 1] , [verzoekster 2] en [verzoekster 3] , wonende te [woonplaats] , verzoeksters

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. Haagmans).

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van verzoeksters om rectificatie van verstrekkingen.

Verzoeksters hebben bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om één van de gevraagde voorlopige voorzieningen te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1. Verzoeksters hebben per brief van 17 februari 2021 aan verweerder kenbaar gemaakt dat zij rectificatie wensen van de verstrekkingen die over hen zijn gedaan en die zij als onrechtmatig beschouwen. Zij hebben hun verzoek gegrond op de Politiewet en de inhoud van de dagvaarding (de rechtbank leest: de dagvaarding van 17 november 2020).

2. Bij brief van 1 maart 2021 heeft verweerder verzoeksters laten weten dat hun verzoek wordt opgevat als een verzoek om rectificatie als bedoeld in artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg). Verweerder heeft daarbij aangegeven wat het doel is van het onderzoek dat naar aanleiding van het rectificatieverzoek wordt gedaan en wat volgens hem de scope van het onderzoek is. Hij heeft verzoeksters gevraagd dat als doel en scope niet aansluiten bij hun verwachtingen dit aan hem kenbaar te maken. Bij het bepalen van de scope is verweerder blijkens de brief uitgegaan van de dagvaarding van 17 november 2020. Verweerder heeft op basis van de dagvaarding geconcludeerd dat het verzoek ziet op de verstrekking van politiegegevens aan Bureau Jeugdzorg (BJZ) bij brief van

16 augustus 2020 en de telefonische verstrekking aan BJZ op 8 oktober 2020.

3. Niet is gebleken dat verzoeksters of mr. [naam] , hun gemachtigde op dat moment, op deze brief gereageerd hebben. Wel is gebleken dat mr. [naam] in haar ongedateerde brief aan verweerder, binnengekomen bij verweerder op 2 maart 2021, aandringt op een spoedige besluitvorming, uiterlijk binnen vijf dagen na het schrijven van de brief.

Het bestreden besluit

4. In het bestreden besluit gaat verweerder uit van de scope van het rectificatieverzoek als aangegeven in zijn brief van 1 maart 2021. Verweerder heeft het verzoek zoals hij in zijn brief van 1 maart 2021 al had aangegeven opgevat als een verzoek om rectificatie van politiegegevens op grond van de Wpg. Omdat een deel van de gegevens waarop het verzoek ziet geen politiegegevens zijn maar persoonsgegevens, heeft verweerder het verzoek in zoverre behandeld als een rectificatieverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat na controle is gebleken dat er in de tekst van de brief van 16 augustus 2020 geen feitelijke onjuistheden staan met uitzondering van de datum waarop [verzoekster 1] werd gehoord. Dat moet 3 juli zijn in plaats van

4 juli 2020 en deze datum komt daarom voor rectificatie in aanmerking. Verweerder heeft getoetst aan de Wpg.

4.2

Verweerder is na controle ook gebleken dat in een telefoongesprek met BJZ is gezegd dat (één van) de zussen [achternaam verzoeksters] een klacht tegen de politie heeft ingediend. Verweerder heeft deze verstrekking aan de AVG getoetst en zich op het standpunt gesteld dat het juist is dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] een klacht hebben ingediend, maar dat het niet juist is dat [verzoekster 3] de klacht mede heeft ingediend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verstrekking ten aanzien van [verzoekster 3] onrechtmatig is, maar niet gecorrigeerd kan worden omdat de naam niet in het politiesysteem staat. Verweerder heeft aangegeven deze ongeoorloofde verstrekking als een datalek af te handelen en BJZ hiervan op de hoogte te stellen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening

5. In het verzoek om een voorlopige voorziening verwijzen verzoeksters naar wat zij aan hun verzoek tot rectificatie ten grondslag hebben gelegd en naar wat zij in de beroepsprocedure hebben aangevoerd. Het verzoek is later nog aangevuld.

5.1

Volgens verzoekster is in de brief van 16 augustus 2020 een sfeer gecreëerd die en een beeld geschetst dat suggereert dat verzoekster [verzoekster 3] van plan was met haar kinderen naar het buitenland te vluchten, [verzoekster 1] als verdachte is gehoord in samenhang met repatriëring van haar kinderen uit het buitenland en [verzoekster 2] haar kinderen zonder toestemming mee naar het buitenland heeft genomen. Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat de inhoud van de brief in strijd is met de werkelijkheid en onvolledig is, met het verstrekken van de informatie in deze brief hun privacy is geschonden en jegens hen onrechtmatig is gehandeld, door het versturen van de brief de onschuldpresumptie is geschonden en [verzoekster 1] in haar eer en goede naam is aangetast. [verzoekster 1] ’s naam had ook niet in de brief mogen staan omdat zij nooit verdachte is geweest van een strafbaar feit.

5.2

De telefonische verstrekking was niet juist en in strijd met de waarheid omdat gezegd is dat verzoeksters een klacht hebben ingediend over de schriftelijke verstrekking van 16 augustus 2020 en dat was niet het geval, omdat alleen [verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben geklaagd. De privacy van deze beiden verzoeksters is geschonden, omdat over de klacht geen uitspraken mochten worden gedaan en [verzoekster 3] is benadeeld omdat het gegeven dat de klacht ook door haar is ingediend door BJZ in verschillende gerechtelijke procedures over de uithuisplaatsing van haar kinderen is gebruikt.

5.3

Verzoeksters hebben aangevoerd dat zij een (zeer) spoedeisend belang hebben bij het treffen van één van de gevraagde voorlopige voorzieningen omdat de verstrekkingen waarvan zij rectificatie verlangen nadelig zijn en nadelig worden uitgelegd in de beoordeling van een bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 6 april 2021 geplande zitting over de uithuisplaatsing van de kinderen van [verzoekster 3] , de inhoud van de verstrekkingen onjuist, onvolledig, of achterhaald is, verweerder nog steeds achter de verstrekkingen staat, de inhoud van de verstrekkingen onderdeel blijft uitmaken van de interne overwegingen die ten grondslag liggen aan eerdere en wellicht komende besluiten van BJZ en de aard en strekking van de zaak.

Spoedeisend belang

6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" (een spoedeisend belang) dat vereist. Er moet niet gewacht kunnen worden op de afhandeling van het geschil in de hoofdzaak. Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter er niet van kunnen overtuigen dat deze situatie zich in dit geval voordoet en overweegt daarover het volgende.

7. Uit wat verzoeksters hebben aangevoerd en overgelegd en uit de beschikking van deze rechtbank van 24 december 2020 (ECLI:NL:RBLIM:2020:10617) en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 november 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:3552) is de voorzieningenrechter gebleken dat de kinderen van [verzoekster 3] middels een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van

10 augustus 2020 tot 24 augustus 2020 in een crisispleeggezin zijn geplaatst, de rechtbank op 19 augustus 2020 machtiging heeft verleend de kinderen met ingang van

24 augustus 2020 voor de duur van de ondertoezichtstelling van de kinderen tot uiterlijk

3 januari 2021 uit huis te plaatsen in een crisispleeggezin, het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank van 19 augustus 2020 bij uitspraak van 19 november 2020 heeft bekrachtigd en dat de rechtbank op 24 december 2020 de ondertoezichtstelling van de kinderen heeft verlengd tot 3 januari 2022 en machtiging heeft verleend voor uithuisplaatsing van de kinderen van 3 januari 2021 tot 3 juli 2021.

8. Hieruit volgt dat de zitting bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch op 6 april 2021 kennelijk ziet op de behandeling van het hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen van 3 januari 2021 tot 3 juli 2021. Uit de beschikking van 24 december 2020 blijkt niet dat de machtiging is gegrond op de verstrekkingen die verweerder bij brief van 16 augustus 2020 en tijdens het telefoongesprek op 8 oktober 2020 aan BJZ heeft gedaan. Verzoeksters hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze verstrekkingen desondanks in de hoger beroepsprocedure bij het gerechtshof

‘s-Hertogenbosch over de beschikking van 24 december 2020 nog van enig belang zijn. Wat betreft de ten aanzien van [verzoekster 3] gedane onjuiste telefonische verstrekking is de onjuistheid ervan inmiddels aan BJZ gemeld zodat BJZ van deze onjuiste verstrekking ook niet meer zal kunnen uitgaan. Voor zover verzoeksters hebben beoogd te stellen dat de verstrekkingen aanvankelijk tot uithuisplaatsing van de kinderen hebben geleid, blijkt zelfs dat niet uit de onder 7 genoemde stukken, beschikking en uitspraak. Hieruit blijkt hooguit dat de verstrekkingen deels een rol hebben gespeeld bij het indienen van het verzoek om een spoedmachtiging. Dat de verstrekkingen die verzoeksters gerectificeerd willen zien in de procedure bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen van [verzoekster 3] van 3 januari 2021 tot 3 juli 2021 waarin op 6 april 2021 een zitting wordt gehouden in het nadeel van haar worden uitgelegd volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Een spoedeisend belang is met het gestelde nadeel dat de verstrekkingen in genoemde procedure bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor [verzoekster 3] zouden hebben daarom niet gegeven.

9. Met een verwijzing naar de algemene opmerking van BJZ in een mail van BJZ aan

[verzoekster 3] over verificatie van door BJZ van de politie bij brieven van 16 augustus 2020 en 11 december 2020 verkregen informatie, hebben verzoeksters, deze algemene opmerking van BJZ bezien in de context van de mail waarin de opmerking is gemaakt, namelijk dat de politie nog steeds achter de inhoud van deze brieven staat en BJZ hiervan dus uit mag gaan, en in het licht van de overwegingen onder 7 en 8, een dergelijk belang evenmin gesteld. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat de inhoud van de brief van 11 december 2020 buiten beschouwing is gelaten, omdat deze niet valt binnen de scope van het rectificatieverzoek van verzoeksters. Gelet op wat onder 2 en 3 is overwogen heeft verweerder niet hoeven uitgaan van een andere scope van het rectificatieverzoek dan die waarvan verweerder is uitgegaan, te weten de verstrekking aan BJZ bij brief van

16 augustus 2020 en de telefonische verstrekking aan BJZ op 8 oktober 2020.

10. De overige aangevoerde omstandigheden, te weten dat de inhoud van de verstrekkingen onjuist, onvolledig of achterhaald is, verweerder nog steeds achter de verstrekkingen staat en de aard en de strekking van de zaak, maken niet dat verzoeksters

de behandeling van hun beroep niet zouden kunnen afwachten. Verzoeksters hebben daarom ook daarmee geen spoedeisend belang gesteld.

11. het verzoek om één van de gevraagde voorlopige voorzieningen te treffen is daarom -los van de vraag of een rectificatie, als door verzoeksters voorgesteld als één van de gevraagde voorlopige voorzieningen, met deze procedure wel te bereiken is- kennelijk ongegrond en wordt afgewezen wegen het ontbreken van een spoedeisend belang. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is heeft de voorzieningenrechter gebruik gemaakt van de haar in artikel 8:83, derde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid uitspraak te doen zonder een zitting te houden.

12. Omdat verzoeksters hebben gesteld dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen merkt de voorzieningenrechter hier nog op dat haar dat niet is gebleken.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2021.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mee te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 2 april 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.