Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2657

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
ROE 20/3052 en ROE 20/3053
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De gronden van beroep zijn met name gericht tegen de in de omgevingsvergunning (revisievergunning) opgenomen voorschriften over de (grove) houtstofemissie. Het gaat de voorzieningenrechter in het licht van de reeds eerder vergunde activiteiten te ver om een resultaatsverplichting op te nemen voor vergunninghoudster en dus om deze stofemissie (buiten de inrichting) geheel te voorkomen (nul-norm). Het beroep van eiseres slaagt in zoverre. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat van vergunninghoudster in alle redelijkheid verlangd kan worden dat (visuele) stofoverlast binnen en buiten de inrichting zo veel mogelijk wordt beperkt op basis van de door verweerder in de omgevingsvergunning voorgeschreven maatregelen voor good house keeping. Het beroep van eiseres in dat verband slaagt niet. Om eiseres niet te confronteren met onmiddellijke werking van de door haar gewraakte voorschriften wordt de omgevingsvergunning geschorst tot zes weken na de verzending van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 20/3052 (beroep) en AWB/ROE 20/3053 (verzoek)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[Bedrijfsnaam 1] ., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.H. Damen),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: Peka Kroef B.V., Interchemie Werken, “De Adelaar” B.V., [bedrijfsnaam 2] , Nelipark Healthcare Packaging, BMN Bouwmaterialen B.V., [bedrijfsnaam 3] .,

(gemachtigde: mr. H.G.M. van der Westen).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een omgevingsvergunning (revisievergunning) verleend voor het veranderen en reviseren van haar inrichting aan de [straatnaam 1] [huisnr.] te [plaatsnaam] .

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021. Eiseres is verschenen bij [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde en deskundige [naam 2] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3].

Namens de derde-partijen heeft hun gemachtigde het woord gevoerd.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Verweerder heeft aan eiseres op basis van artikel 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een revisievergunning met (maatwerk)voorschriften verleend voor de aan de [straatnaam 1] [huisnr.] (en voorheen ook aan de [straatnaam 2] [huisnr.] ) te [plaatsnaam] gelegen inrichting van eiseres. In die inrichting wordt A-hout (afvalhout A-kwaliteit) en natuurhout (biomassa) aangevoerd en verwerkt tot onder andere houtvezels en houtpellets. Daarvoor zijn houtdrogers, -chippers en -brekers in gebruik. Tevens vindt opslag plaats in onder meer silo’s. Voor de inrichting zijn ook twee Warmte Kracht Koppelingen vergund en in bedrijf, die worden gestookt op (rest)hout, waarmee daarnaast ook stroom wordt opgewekt. Aan de [straatnaam 1] bevindt zich de poort voor de aan- en afvoer van vrachtwagens met gereed product. Het bedrijf is gelegen op het bedrijventerrein Smakterheide dat voor een deel is gezoneerd in de zin van de Wet geluidhinder. Het bedrijf van eiseres ligt niet in het geluidgezoneerde deel.

De door verweerder verleende revisievergunning vervangt de voorheen op 3 juni 2009 en

19 juli 2011 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray verleende milieuvergunning respectievelijk omgevingsvergunning(en) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, voor de twee voormalige onderdelen van de inrichting aan de [straatnaam 1] [huisnr.] en de [straatnaam 2] [huisnr.] te [plaatsnaam] .

2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen aan de omgevingsvergunning verbonden (maatwerk)voorschriften hoofdzakelijk met betrekking tot lucht/stof en geluid. Eiseres heeft verder een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de inwerkingtreding van de revisievergunning, en dan met name de bestreden (maatwerk)voorschriften, te beletten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op dit verzoek.

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Bij inwerkingtreding van de revisievergunning dient eiseres direct te voldoen aan de (maatwerk)voorschriften waarvan in beroep wordt gesteld dat die voorschriften zodanig ver strekken dat deze onrealistisch en niet uitvoerbaar zijn. De directe inwerkingtreding van die voorschriften maken een voldoende spoedeisend belang aannemelijk.

Uitspraak op het verzoek en het beroep

4. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Belanghebbende bedrijven

5. Eiseres heeft zich ertegen verweerd dat omliggende bedrijven, die als belanghebbende partijen waren betrokken bij de beroepszaak over handhaving, thans door de rechtbank als belanghebbende partijen zijn betrokken bij het onderhavige geschil over de verleende revisievergunning. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze omliggende bedrijven kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij de verleende revisievergunning, omdat zij (milieu)effecten ondervinden van de inrichting van eiseres en als zodanig belang hebben bij de uitkomst van dit geschil. Dit betoog van eiseres slaagt niet.

Niet eerder aangevoerde beroepsgronden

6. Verweerder heeft meermaals aangevoerd dat een beroepsgrond niet ook is genoemd in de zienswijze ten aanzien van het ontwerp van het bestreden besluit, en heeft betoogd dat hier sprake is van strijd met artikel 6:13 van de Awb.

Binnen de door de wet en goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat er geen rechtsregel aan in de weg dat bij de beoordeling van een beroep gronden worden betrokken die na het indienen van een zienswijze en na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd, voor zover die gronden zijn gericht op één en dezelfde activiteit / besluitonderdeel (in de zin van artikel 2.1 van de Wabo) waarvoor omgevingsvergunning is verleend. Nu de beroepsgronden van eiseres wel zien op één en hetzelfde besluitonderdeel als waarop haar zienswijze was gericht, bestaat er volgens de voorzieningenrechter geen reden om haar niet-ontvankelijk te verklaren in bepaalde beroepsgronden dan wel om beroepsgronden vanwege die reden buiten beschouwing te laten. Voorschriften, want daarop richten zich de beroepsgronden, zijn geen afzonderlijk besluitonderdeel. Dit betoog van verweerder slaagt niet.

7. De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van de beroepsgronden als volgt.

Welke vergunningvoorschriften zijn toelaatbaar?

8. In voorschrift 1.13 is bepaald dat als op grond van een vergunningvoorschrift een plan of rapport ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moet worden overgelegd, dit plan of rapport binnen zes maanden nadat de vergunning in werking is getreden aan het bevoegd gezag moet zijn toegezonden. Eiseres heeft aangevoerd dat dit een overbodige bepaling is omdat in de afzonderlijke voorschriften waarin een plan of rapport is voorgeschreven al een termijn, en ook wel een afwijkende termijn, is voorgeschreven. Ter zitting heeft verweerder erkend dat dit voorschrift tegenstrijdig en overbodig is en dat het kan vervallen. De beroepsgrond slaagt.

9. Ten aanzien van geluid is in voorschrift 7.2, onder b, bepaald dat indien binnen één jaar na het van kracht worden van dit besluit de woonbestemming van de woningen Spurkt 5a, 5b en 8 met een in werking getreden bestemmingsplanherziening niet is gewijzigd in een niet-geluidgevoelige bestemming (zoals bedrijfsbestemming), het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op vorenstaande beoordelingspunten niet meer mag bedragen dan volgens een daarbij gegeven tabel. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen voor zover is bepaald dat deze (strengere) normering gaat gelden indien binnen één jaar na het van kracht worden van het bestreden besluit de woonbestemming van de genoemde woningen op grond van een in werking getreden bestemmingsplanherziening niet is gewijzigd in een niet-geluidgevoelige bestemming (zoals bedrijfsbestemming). Dat betekent namelijk dat eiseres een grote investering moet plegen als de bestemmingsplan-wijziging (tot een later tijdstip dan een jaar na inwerkingtreding van de revisievergunning) wordt vertraagd. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat dat niet de bedoeling is en heeft ermee ingestemd dat deze bepaling zo wordt gewijzigd dat de voorwaarde enkel wordt gekoppeld aan de onherroepelijkheid van de geplande bestemmingsplanwijziging. De hierop gerichte beroepsgrond slaagt dan ook en de tekst van voorschrift 7.2, onder b, dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de tekst van voorschrift 7.2, onder b, als volgt te herformuleren:

7.2

b. De in de tabel onder dit voorschrift genoemde waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gaan gelden voor de inrichting van eiseres indien de woonbestemming van de woningen Spurkt 5a, 5b en 8 niet is gewijzigd in een niet-geluidgevoelige bestemming (zoals bedrijfsbestemming), de hierop ziende bestemmingsplanherziening onherroepelijk is geworden en sinds het onherroepelijk worden een jaar is verstreken.

10. Met herformulering van voorschrift 7.2, onder b, is het verband tussen dit gewijzigde voorschrift en de voorschriften 7.5, onder b, en 7.6 intact gebleven.

Vergunningvoorschriften lucht

11. In hoofdstuk 8 zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van emissies van stof naar de lucht. In de situatie voorafgaand aan deze revisievergunning waren er geen normen opgenomen voor (diffuse) emissies van stof en heeft verweerder naar aanleiding van klachten van omliggende bedrijven aan eiseres lasten onder dwangsommen opgelegd (onder meer) ten einde de stofoverlast die de inrichting van eiseres veroorzaakt voor de omliggende bedrijven te beperken. In de uitspraak van deze rechtbank van 25 september 2020 (ECLI:NL:RBLIM:2020:7217) over dat geschil heeft de rechtbank overwegingen gewijd aan stofemissienormen die in dat geschil tussen partijen en verschillende deskundigen in discussie waren. Dat betekent niet dat die overwegingen, die zijn gegeven in het kader van handhaving in een situatie waarin stofdepositienormen ontbreken, een doorslaggevende rol (moeten) spelen bij de verlening van de thans aan de orde zijnde revisievergunning waarin verweerder juist wel heeft getracht (handhaafbare) stofdepositienormen op te nemen. Voor zover partijen een beroep hebben gedaan op die overwegingen, slagen die betogen niet.

12. Verweerder heeft in de revisievergunning vanwege duidelijkheid en rechtszekerheid getracht een aanvaardbare en handhaafbare mate van stofemissie voor de activiteiten in de inrichting van eiseres te normeren. Die normering komt er voor zowel de gekanaliseerde als de diffuse bronnen op neer dat eiseres wordt opgelegd dat er in elk geval buiten de inrichtingsgrenzen geen visueel waarneembaar (hout)stof is of (hout)stof wordt gedeponeerd. Voor de gekanaliseerde bronnen is dat standpunt van verweerder neergelegd in de voorschriften 8.1, onder d, en 8.7. Voor de diffuse bronnen is dat neergelegd in de voorschriften 8.8 en 8.15a. Verder heeft verweerder zogeheten good house keeping voorschriften opgenomen om te bereiken dat vergunninghoudster voorkomt dat er buiten de inrichting sprake is van visueel waarneembare (hout)stof.

13. Eiseres is van mening dat het onredelijk is om bij vergunde activiteiten een nul-norm voor stofdepositie buiten de inrichting te stellen en dat verweerder niet verder heeft mogen gaan dan het opleggen van de verplichting zo veel mogelijk stofhinder te voorkomen.

De voorzieningenrechter ziet zich geplaatst voor beantwoording van de vraag of verweerders uitgangspunt dat stofverspreiding als gevolg van de activiteiten in de inrichting van eiseres, zowel wat gekanaliseerde als wat diffuse bronnen betreft, buiten de inrichtingsgrens geheel wordt voorkomen, de rechterlijke toets doorstaat. Van belang daarbij is dat het gaat om vergunde activiteiten en dat stofemissie inherent is aan het vergunde bedrijfsproces van eiseres. Verweerder heeft eiseres met de voorschriften 8.1, onder d, 8.7, en 8.15a de resultaatsverplichting opgelegd om verspreiding van (alle) zichtbaar houtstof of grof stof buiten de inrichting geheel te voorkomen. Daarnaast gelden voor de inrichting van eiseres inspanningsverplichtingen in de vorm van good house keeping voorschriften.

Gekanaliseerde bronnen

14. Voor de gekanaliseerde bronnen, vallend onder Europese BBT-conclusies, gelden de in voorschrift 8.1 genoemde maximale emissieconcentraties. Verweerder gaat er daarbij vanuit dat de voorgeschreven norm van 5 mg/ Nm³ per in het voorschrift genoemd emissiepunt een niet zichtbare stofemissie betreft. Verweerder heeft aanvullend daarop in voorschrift 8.1, onder d, bepaald dat in de nabijheid van de (op of nabij de inrichtingsgrens gelegen) emissiepunten 11 tot en met 13 geen visueel zichtbaar hout (poeder/stof) aanwezig mag zijn. Als stofemissie van maximaal 5 mg/ Nm³ bij één emissiepunt niet zichtbaar is, kan niet worden uitgesloten dat de totale stofemissie van meerdere (in dit geval drie) emissiepunten door cumulatie wel zichtbaar is of kan worden. Door in voorschrift 8.1 onder d, voor te schrijven dat in de nabijheid van de emissiepunten 11 tot en met 13 geen visueel zichtbaar hout (poeder/stof) aanwezig mag zijn, heeft verweerder aan eiseres een strengere norm opgelegd dan op grond van de Europese BBT-conclusies geldt, terwijl niet is gemotiveerd dat eiseres aan die strengere norm bij de reeds eerder vergunde activiteiten ook kan voldoen. Dat doet er niet aan af dat van eiseres en anders dan zij in beroep aanvoert in alle redelijkheid de good house keeping voorschriften van 8.1, onder b en c, kunnen worden verlangd. De voorzieningenrechter sluit in dit verband aan bij de in r.o. 17 genoemde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).

De beroepsgrond tegen voorschrift 8.1, onder d, slaagt dan ook en dit voorschriftonderdeel dient als resultaatsverplichting te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en voorschrift 8.1, onder d, te herformuleren als inspanningsverplichting:

8.1

d. Indien vervuiling door zichtbaar houtstof wordt geconstateerd in de nabijheid van emissiepunten 11 t/m 13 dient deze vervuiling per onmiddellijk opgeruimd te worden en dient de oorzaak van de vervuiling direct ongedaan te worden gemaakt om stofverspreiding buiten de inrichting te voorkomen.

De beroepsgrond van eiseres slaagt dus in zoverre wel, maar niet ten aanzien van voorschrift 8.1, onder b en c, en ook niet voor zover er onmiddellijk opgeruimd moet worden. Dat betreft naar het oordeel van de voorzieningenrechter inspanningsverplichtingen van good house keeping die in redelijkheid van eiseres gevraagd kunnen worden.

15. Voorschrift 8.7 bepaalt als restbepaling voor gekanaliseerde bronnen dat emissies van totaalstof naar de lucht zodanig moeten plaats vinden dat er geen visueel waarneembaar (hout)stof buiten de inrichting waarneembaar is, noch buiten de inrichting wordt gedeponeerd. Voor zover hiermee als resultaatsverplichting is voorgeschreven dat er geen visueel waarneembaar (hout)stof buiten de inrichting waarneembaar is, is de rechter ook hierover van oordeel dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiseres aan die strenge norm bij de reeds eerder vergunde activiteiten kan voldoen. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt dan ook en dit voorschrift dient als resultaatsverplichting te worden vernietigd.

De voorzieningenrechter ziet ook hier aanleiding om zelf te voorzien in de zaak en voorschrift 8.7 te herformuleren als inspanningsverplichting:

8.7

Emissies van totaalstof, al dan niet rechtstreeks vallend onder paragraaf 3.2.1, paragraaf 3.4.3 of artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, naar de lucht moeten zodanig (denk bijvoorbeeld aan toepassen nageschakelde stofbeperkende technieken (uitgezonderd bij emissiepunten 11 t/m 13), richting, hoogte, uitvoering en onderhoud/schoonmaken en schoonhouden van emissiepunten) plaats vinden dat indien vervuiling door zichtbaar houtstof wordt geconstateerd, deze vervuiling onmiddellijk opgeruimd dient te worden en de oorzaak van de vervuiling dient direct ongedaan te worden gemaakt om stofverspreiding buiten de inrichting te voorkomen.

Diffuse bronnen

16. Voor de diffuse bronnen binnen de inrichting geldt het volgende.

In artikel 3.32, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit), waaraan eiseres reeds voor op- en overslag van inerte goederen gebonden is, is bepaald dat goederen in de buitenlucht zodanig worden op- of overgeslagen dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan twee meter van de bron met het blote oog waarneembaar is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder met de voorschriften 8.15, onder b, en 8.15a aan eiseres een resultaatsverplichting heeft opgelegd die verder gaat dan de verplichting die voortvloeit uit genoemd artikel, omdat artikel 3.32 van het Activiteitenbesluit opdracht geeft om stofverspreiding die op een afstand van twee meter van de bron met het blote oog waarneembaar is zoveel mogelijk te voorkomen, terwijl de voorschriften in de revisievergunning verder gaan en opdracht geven stofverspreiding (ook bij stuifgevoelige goederen) aan de inrichtingsgrens dan wel op een afstand van twee meter van de bron in zijn geheel te voorkomen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de voorschriften 8.15, onder b, en 8.15a waarmee aan eiseres de verplichting is opgelegd om aan de inrichtingsgrens dan wel op twee meter van de bron alle zichtbare houtstof of grof stof geheel te voorkomen, niet voldoende onderbouwd met onderzoeksgegevens die aantonen of een dergelijk resultaat voor (de inrichting van) eiseres wel realistisch en haalbaar is, terwijl de binnen de inrichting verrichte activiteiten al eerder zijn vergund. De beroepsgronden van eiseres op dit punt slagen dan ook en de voorzieningenrechter ziet aanleiding om de voorschriften

8.15, onder b, en 8.15a te vernietigen. Er is voorts aanleiding voor de voorzieningenrechter om zelf te voorzien in de zaak en deze voorschriften als volgt te herformuleren:

8.15

b. Het bewerken van afvalstoffen alsmede de op- en overslag ervan, anders dan ten behoeve van het transport van houtachtige stromen naar derden moet te allen tijde zodanig geschieden dat, indien er in de onmiddellijke nabijheid (twee meter) van de bron visueel duidelijk waarneembare stofverspreiding optreedt, onmiddellijk adequate maatregelen worden getroffen om stofverspreiding buiten de inrichting te voorkomen.

8.15a Het op- en overslaan van goederen, zoals bedoeld in paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, dient zodanig te geschieden dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat er ten gevolge hiervan visueel zichtbaar stof buiten de inrichting wordt gedeponeerd. Indien bij het op- en overslaan van goederen vervuiling door zichtbaar houtstof wordt geconstateerd, dient deze vervuiling onmiddellijk opgeruimd te worden en dient de oorzaak van de vervuiling direct ongedaan te worden gemaakt om stofverspreiding buiten de inrichting te voorkomen.

17. De beroepsgronden van eiseres tegen de voorschriften 8.8 en 8.15, onder a, slagen niet, omdat hiermee inspanningsverplichtingen in de zin van good house keeping zijn opgelegd die in redelijkheid van eiseres gevraagd kunnen worden. De voorzieningenrechter acht deze voorschriften niet in strijd met de lijn in de jurisprudentie zoals daarvan blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 24 juli 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE5717; r.o. 2.4),

1 november 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AZ1273; r.o. 2.2.2) en 30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:854; r.o. 32.2).

Overige vergunningvoorschriften lucht

18. Voorschrift 8.2 gaat over meten en registreren (van de in voorschrift 8.1 voorgeschreven emissienormen). Eiseres is het niet eens met de daarin opgenomen verplichting om jaarlijks de voorgeschreven metingen te verrichten, omdat de periode van een jaar niet lang genoeg zou zijn om aan de cyclus van meten en verbeteren te voldoen. Daardoor zou de in het vooruitzicht gestelde lagere frequentie van eenmaal meten per drie jaar (als vier opeenvolgende jaren voldaan is aan de emissienorm van voorschrift 8.1) niet kunnen worden bereikt. Die grond is niet verder onderbouwd, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat een jaarlijkse meetfrequentie niet effectief en/of niet efficiënt is.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat het voorschrift praktisch niet uitvoerbaar zou zijn omdat eiseres voor de noodzakelijke metingen de toestemming om het naastgelegen bedrijf te betreden niet zou krijgen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu die stelling niet nader is onderbouwd, onvoldoende is gebleken dat hier sprake is van een civielrechtelijke onmogelijkheid of dat de metingen niet ook anderszins uitvoerbaar zouden zijn. Deze beroepsgronden van eiseres slagen niet.

19. Voorschrift 8.3, onder a en c, verwijzen voor controle van emissiepunten in voorschrift 8.1, met uitzondering van de emissiepunten 11 t/m 13, en voor de emissierelevante parameters naar (het controleregime van) het Activiteitenbesluit. De voorzieningenrechter ziet niet in dat de leden a en c van voorschrift 8.3, zelfs als het strikt genomen niet nodig zou zijn, niet zouden kunnen, al was het alleen maar voor de duidelijkheid. Niet gebleken is dat eiseres hierdoor in een nadeliger positie is komen te verkeren. De hierop gerichte beroepsgronden slagen niet.

20. Voorschrift 8.3, onder b, geeft een termijn van drie maanden na het van kracht worden van dit besluit waarbinnen eiseres aan het bevoegd gezag dient te rapporteren welk controleregime per emissiepunt wordt gehanteerd. Verweerder heeft zich tegen de wens van eiseres om dit te verlengen tot zes maanden niet verzet. De gemachtigde van de derde-belanghebbenden heeft tegengeworpen dat de omliggende bedrijven zich hiertegen wel verzetten vanwege de aanhoudende stofoverlast, terwijl met de beroepsgrond niet is gesteld dat een termijn van drie maanden niet haalbaar is.

De voorzieningenrechter gaat met verweerder en eiseres mee en passeert de tegenwerping van de omliggende bedrijven, omdat deze verlenging niet is gerelateerd aan het al dan niet veroorzaken van stofoverlast, maar enkel ziet op meten en registreren. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt, dit voorschrift komt voor vernietiging in aanmerking en is er aanleiding voor de voorzieningenrechter om zelf te voorzien in de zaak door dit voorschrift gewijzigd vast te stellen als volgt:

8.3

b. Binnen zes maanden na het van kracht worden van dit besluit dient onderbouwd aan het bevoegd gezag gerapporteerd te worden welk controleregime, zoals onder a bedoeld, per emissiepunt wordt gehanteerd.

21. Voorschrift 8.4 bepaalt dat giftige en\of brandgevaarlijke stoffen die vrijkomen uit analyse apparatuur worden opgevangen of teruggevoerd in het proces. Voorschrift 8.5 is gegeven voor het geval dat continu werkende emissieapparatuur in de inrichting van eiseres is geïnstalleerd. Tussen partijen is niet in geschil dat de inrichting van eiseres niet over dergelijke continue werkende apparatuur beschikt en (ten tijde van de vergunningverlening) hoeft te beschikken. Dat betekent dat eiseres door het voorschrift 8.5 niet in haar belang is geschaad en tegen voorschrift 8.4 zijn geen zelfstandige beroepsgronden gericht. De beroepsgrond slaagt niet.

22. Voorschrift 8.24 bepaalt dat vrachtwagens die de inrichting verlaten optisch zo goed als mogelijk schoon gemaakt dienen te worden, alvorens ze de inrichting verlaten. Verder is met dat voorschrift bepaald dat iedere vrachtwagen door vergunninghouder gecontroleerd dient te worden op het feit dat de lading is afgedekt/afgezeild en dat het afdekzeil niet is vervuild met houtstof.

Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat niet iedere vrachtwagen afgedekt behoeft te worden (voor zover er niet stuifgevoelige goederen worden vervoerd) en dat ze arbotechnische problemen voorziet bij het uitvoeren van (het tweede deel van) dit voorschrift en wel in het bijzonder als werknemers op de vrachtwagen zouden moeten klimmen om het afdekzeil schoon te maken.

Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat het bij dit voorschrift gaat om vrachtwagens die zijn geladen met stuifgevoelige goederen. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het voorschrift zo aan te vullen dat dit met de tekst van het voorschrift ook duidelijk is. De beroepsgrond die hierop is gericht slaagt. Dit voorschrift komt voor vernietiging in aanmerking en er is aanleiding voor de voorzieningenrechter om zelf te voorzien in de zaak door dit voorschrift gewijzigd vast te stellen als volgt:

8.24

Vrachtwagens welke de inrichting verlaten dienen optisch zo goed als mogelijk schoon gemaakt te worden, alvorens ze de inrichting verlaten, alsmede dient iedere vrachtwagen die stuifgevoelige goederen vervoert door vergunninghoudster gecontroleerd te worden op het feit dat de lading is afgedekt/afgezeild en het afdekzeil niet is vervuild met houtstof.

De voorzieningenrechter acht verder niet aannemelijk dat dit voorschrift niet op een andere wijze dan met de door eiseres geschetste arbotechnische problemen uitgevoerd kan of moet worden. Het voorschrift schrijft immers niet voor op welke wijze eiseres er voor dient te zorgen dat het afdekzeil niet is vervuild met houtstof. Die beroepsgrond slaagt niet.

23. Voorschrift 8.26 bepaalt dat de daken van de gebouwen binnen de inrichting en het gehele terrein van de inrichting zodanig schoon dienen te zijn en te worden gehouden dat hiervandaan geen diffuse houtstofverspreiding buiten de inrichting kan plaats vinden. Van eiseres wordt verlangd dat zij minimaal één keer per kalenderweek inspectierondes van het gehele inrichtingenterrein verricht en dat, indien tijdens inspectierondes vervuiling door houtstof wordt geconstateerd, deze vervuiling meteen dient te worden opgeruimd en de oorzaak van de vervuiling direct ongedaan dient te worden gemaakt.

Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat ook deze bepaling te ver gaat, omdat met de vergunde activiteiten nu eenmaal stof wordt geëmitteerd en van eiseres niet kan worden verlangd dat ze alle stofemissie buiten de inrichting reduceert tot nul.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit voorschrift van good house keeping in alle redelijkheid en in volle omvang van eiseres kan worden gevergd. Dit voorschrift formuleert immers niet de door eiseres gewraakte nul-norm, maar schrijft voor dat de daken en het gehele inrichtingenterrein schoon van (grof- en hout-)stof worden gehouden met als gevolg dat daardoor geen of nauwelijks stofemissie buiten het inrichtingenterrein plaats vindt. Anders dan de voorschriften die in r.o. 11 tot en met 16 aan de orde zijn, is hierbij sprake van een inspanningsverplichting die van eiseres gevergd kan en mag worden. De beroepsgronden van eiseres op dit punt slagen niet.

Overige vergunningvoorschriften

24. Voorschrift 9.2 bepaalt dat vergunninghoudster het in voorschrift 9.1 genoemde preventieplan voor het verbruik van drinkwater moet uitvoeren binnen de daarin aangegeven termijn en dat indien de onzekere of voorwaardelijke maatregelen niet worden uitgevoerd dit moet worden gemotiveerd. Voorschrift 9.3 bepaalt dat indien vergunninghoudster een maatregel wil vervangen door een gelijkwaardige maatregel, dit voornemen drie maanden voor de voorgenomen uitvoering aan het bevoegd gezag moet worden overgelegd. Daarbij dient vergunninghoudster aan te tonen dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de in het plan gestelde preventiedoelstelling.

Eiseres heeft zich tegen de inhoud van deze voorschriften verweerd en is van mening dat een plicht tot uitvoering van het preventieplan niet aan de orde is en eerst met een afweging van belangen door verweerder dient te worden gemotiveerd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door eiseres bedoelde belangenafweging door eiseres zelf bij de opstelling van het preventieplan wordt gemaakt. Daarbij dient immers te worden gemotiveerd welke maatregelen als zeker, onzeker en voorwaardelijk worden aangemerkt. Dat vervolgens van eiseres wordt verlangd dat de in het zelf opgestelde plan genoemde maatregelen binnen de in datzelfde plan door eiseres genoemde termijnen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd, zonder interventie van het bevoegd gezag, komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor. De voorzieningenrechter volgt niet het standpunt van eiseres dat zonder meer alle maatregelen moeten worden uitgevoerd, zolang eiseres zich houdt aan het preventieplan en de door eiseres zelf opgenomen preventiedoelstelling wordt behaald. Deze beroepsgronden slagen niet.

Beroep deels gegrond en ongegrond

25. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep deels gegrond is. In dat verband vernietigt de voorzieningenrechter de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften 1.13, 7.2, onder b, 8.1, onder d, 8.7, 8.15, onder b, 8.15a, 8.3, onder b, en 8.24. De voorzieningen-rechter voorziet zelf in de zaak door de voorschriften 7.2, onder b, 8.1, onder d, 8.7, 8.15, onder b, 8.15a, 8.3, onder b, en 8.24 gewijzigd vast te stellen, zoals in de uitspraak omschreven. In zoverre treedt de uitspraak in de plaats van de vernietigde voorschriften. Voor het overige is het beroep ongegrond.

Inwerkingtreding bestreden besluit

26. Verweerder heeft zich ter zitting niet ertegen verzet dat de inwerkingtreding van het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de verzending van deze uitspraak. Om eiseres niet te confronteren met onmiddellijke werking van de door haar gewraakte voorschriften treft de voorzieningenrechter dan ook de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit (zoals gewijzigd door deze uitspraak) wordt geschorst tot zes weken na de verzending van deze uitspraak.

Vergoeding van griffierecht en proceskosten

27. Omdat het beroep gegrond is en het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep en in het verzoek om voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Samenvatting

25. De gronden van beroep zijn met name gericht tegen de in de omgevingsvergunning (revisievergunning) opgenomen voorschriften over de (grove) houtstofemissie. Het gaat de voorzieningenrechter in het licht van de reeds eerder vergunde activiteiten te ver om een resultaatsverplichting op te nemen voor vergunninghoudster en dus om deze stofemissie (buiten de inrichting) geheel te voorkomen (nul-norm). Het beroep van eiseres slaagt in zoverre. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat van vergunninghoudster in alle redelijkheid verlangd kan worden dat (visuele) stofoverlast binnen en buiten de inrichting zo veel mogelijk wordt beperkt op basis van de door verweerder in de omgevingsvergunning voorgeschreven maatregelen voor good house keeping. Het beroep van eiseres in dat verband slaagt niet. Om eiseres niet te confronteren met onmiddellijke werking van de door haar gewraakte voorschriften wordt de omgevingsvergunning geschorst tot zes weken na de verzending van deze uitspraak.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de voorschriften 1.13, 7.2, onder

b, 8.1, onder d, 8.7, 8.15, onder b, 8.15a, 8.3, onder b, en 8.24 zijn vastgesteld;

- bepaalt dat de voorschriften 7.2, onder b, 8.1, onder d, 8.7, 8.15, onder b, 8.15a,

8.3, onder b, en 8.24 gewijzigd worden vastgesteld zoals in de uitspraak omschreven en dat in zoverre de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde voorschriften;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- schorst het bestreden besluit (zoals gewijzigd door deze uitspraak) tot zes weken na

de verzending van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 708,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.602,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.