Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2542

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
C/03/289280 / KG ZA 21-89
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 7:460 BW, Richtlijn KNMG Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst,

opzegging behandelingsovereenkomst door zorginstelling, klinische behandelplaats, onheus of agressief gedrag, geweldsincident, de patiënt wil niet meewerken aan de behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2021-0108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/289280 / KG ZA 21-89

Vonnis in kort geding van 23 maart 2021

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2] ,

3. [eiser sub 3]

4. [eiser sub 4] ,

allen wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. H.C. Ingelse te Maastricht,

tegen

de stichting

STICHTING ZUYDERLAND MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde,

advocaat mr. dr. L.A.P. Arends te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] , vader, moeder, broer – samen aan te duiden als [eisers] – en Zuyderland genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding op verkorte termijn en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 8

  • -

    de voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegezonden producties 9, 10 en 11 van [eisers] ,

  • -

    de wijziging van eis,

  • -

    de op voorhand toegezonden conclusie van antwoord van Zuyderland en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 31,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eisers] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is een twintigjarige jongen en gediagnosticeerd met een gecombineerd beeld van autisme en de dwangstoornis OCD. Dat betekent onder meer dat hij last heeft van angsten, dwanggedachten en dwanghandelingen. Drukte, veranderingen, onzekerheden en gebrek aan perspectief leiden tot toename van klachten. Eisers sub 2 en 3 zijn de ouders van [eiser sub 1] , eiser sub 4 is de broer van [eiser sub 1] .

2.2.

[eiser sub 1] verbleef tot 26 januari 2021 in “Het Hostel”. Het Hostel maakt deel uit van Zuyderland GGz, een organisatie voor geestelijke gezondheidszorg in Sittard. Zuyderland GGz maakt deel uit van Zuyderland Medisch Centrum. Het Hostel is een van de vijf klinische afdelingen en is gelegen op een aparte locatie in de binnenstad van Sittard.

2.3.

Zuyderland heeft [eiser sub 1] vanaf februari 2015 ambulante behandelingen geboden. Door veel stress, waaronder het behalen van zijn havodiploma en het vertrek van zijn individuele behandelaar, is in de zomer van 2019 zijn situatie verslechterd. De ouders van [eiser sub 1] raakten in toenemende mate overvraagd, tot op het punt dat zij de zorg voor [eiser sub 1] niet meer aankonden. Op 29 augustus 2019 is [eiser sub 1] op vrijwillige basis opgenomen op de Low Care-afdeling Unit 4, één van de klinische afdelingen van Zuyderland. Vandaaruit is hij op 4 december 2019 naar het Hostel gegaan.

2.4.

In het Hostel wordt door een 24-uursteam behandeling geboden aan mensen met psychiatrische problematiek die vaak gepaard gaat met uiteenlopende complexe sociale problematiek. De behandeling wordt aangepast aan de individuele mogelijkheden van de patiënt en is gericht op herstel en het zelfstandig kunnen leven en wonen na afloop van de opname. De overplaatsing naar het Hostel is gebeurd op een advies in het kader van een second opinion bij [naam 1] en [naam 2] (gespecialiseerd in autisme).

2.5.

Partijen konden geen overeenstemming vinden over een passende behandeling voor [eiser sub 1] en zijn behandeling boekte geen vooruitgang meer. Daarom is vanaf november 2020 gekeken naar een alternatieve behandelplek of een begeleide woonvorm. In afwachting daarvan is hij opgenomen gebleven bij het Hostel tot 26 januari 2021.

2.6.

Op 25 januari 2021 heeft zich een incident voorgedaan, waarbij [eiser sub 1] fysiek geweld heeft gepleegd tegen een medewerkster van Zuyderland. Voor Zuyderland is dit aanleiding geweest om [eiser sub 1] vanaf 26 januari 2021 een time-out te geven gedurende een week en hem naar huis te sturen in afwachting van een definitieve beslissing. Vervolgens is in het teamoverleg van 28 januari besloten dat [eiser sub 1] niet terug kan keren. Omdat [eiser sub 1] niet verscheen op een afspraak op 2 februari 2021 en telefonisch niet werd bereikt, is dit besluit in een e-mail van 2 februari 2021 door psychiater [naam psychiater] aan [eiser sub 1] medegedeeld. Daarin is toegelicht dat hiertoe is besloten omdat de impact van het incident op het team en andere cliënten zo groot is dat, in samenhang met de enorm moeizaam verlopende samenwerking door het gebrek aan overeenstemming over het behandelplan, terugkeer geen optie meer is. Daarbij zijn wel andere vormen van ondersteuning aangeboden, waaronder intensieve begeleiding thuis (IHT). De beslissing is in reactie op een brief van de raadsman van [eiser sub 1] door de geneesheer-directeur van Zuyderland nogmaals herhaald en toegelicht in diens brief van 12 februari 2021.

2.7.

Op 11 februari 2021 is door [naam psychiater] namens Zuyderland in een e-mailbericht een tijdelijke opname op Unit 4 aan [eiser sub 1] aangeboden. Daarbij is een concept-behandelplan gevoegd, dat door [eiser sub 1] ondertekend teruggestuurd kon worden. Tevens is aangeboden dat tijdens de opname externe expertise wordt ingeroepen over passend vervolgbeleid door de Kliniek Intensieve Behandeling van GGz Eindhoven en de regio casuïstiektafel Limburg. Omdat [eiser sub 1] niet heeft gereageerd op het aanbod, is hij er per e-mail nogmaals op gewezen dat de plek die bij Unit 4 voor hem werd vrij gehouden na 16 februari 2021 niet langer kon worden vastgehouden. [eiser sub 1] heeft vervolgens medegedeeld dat hij niet kan instemmen met de voorwaarden die aan het voorstel zijn gekoppeld.

2.8.

Partijen hebben enkele dagen voor de behandeling van het kort geding nog een gesprek gehad, dat geen oplossing heeft gebracht.

3 Het geschil

3.1.

De familie vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter Zuyderland gelast [eiser sub 1] direct weer toe te laten tot zijn woonplek op het Hostel, subsidiair op Unit 4 van Zuyderland, en onderdak en zorg/ondersteuning voort te zetten, ook ter overbrugging, tot voor [eiser sub 1] een passende behandelplek/begeleid wonen-plek beschikbaar is, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 75.000,00, kosten rechtens.

3.2.

De familie stelt dat Zuyderland verplicht is tot het bieden van een adequate behandeling. Daar maken het bieden van de woonplek en de zorg van het Hostel deel van uit. Het ontzeggen van de woonplek en zorg/begeleiding is geen goed hulpverlenerschap. Daar zijn ook geen gewichtige redenen voor. Daarnaast is er een afspraak tussen partijen dat [eiser sub 1] een woonplek, ondersteuning en zorg kan krijgen op het Hostel voor onbepaalde tijd, althans totdat een alternatief is gevonden. Verder heeft Zuyderland aangekondigd dat [eiser sub 1] zijn woonplek moet ontruimen, anders gaat Zuyderland daartoe over. [eiser sub 1] heeft geen toestemming gegeven om zijn spullen daar weg te halen. Zuyderland dreigt derhalve zonder titel te handelen en dat is onrechtmatig.

3.3.

Zuyderland voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De familie stelt dat de urgentie van terugkeer naar het Hostel hoog is, want de impact op [eiser sub 1] en het gezin van zijn verblijf thuis is groot. Dat [eiser sub 1] weer thuis is, is schadelijk voor zijn gezondheid en die van de andere leden van het gezin. [eiser sub 1] heeft 24/7 zorg nodig en zijn ouders en broer kunnen dat niet bieden. Het gezin is overbelast en de situatie is onhoudbaar. [eiser sub 1] wil terugkeren naar zijn woonplek op het Hostel. Daarmee worden hij en zijn familie ontlast.

4.2.

Het spoedeisend belang van [eiser sub 1] en zijn familie bij het treffen van een voorziening in kort geding, dat van de zijde van Zuyderland overigens niet is betwist, vloeit voort uit de aard van de vordering.

4.3.

Het verzoek om een tijdelijke voorziening te treffen in afwachting van dit vonnis, door Zuyderland te verbieden [eiser sub 1] woonplek te betreden en te ontruimen, is bij de behandeling ter zitting door de voorzieningenrechter afgewezen.

4.4.

De vordering van de familie is gebaseerd op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De wettelijke regeling over de geneeskundige behandelingsovereenkomst is opgenomen in afdeling 5, titel 7 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), ook wel de WGBO genoemd. In artikel 7:460 BW is opgenomen dat de hulpverlener, in dit geval de zorginstelling, een behandelingsovereenkomst, behoudens gewichtige redenen, niet eenzijdig kan opzeggen. Wat onder ‘gewichtige redenen’ moet worden verstaan, hangt blijkens de toelichting van de wetgever af van de omstandigheden van het geval. De KNMG heeft voor haar leden de Richtlijn KNMG (meest recente versie januari 2021), Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst opgesteld aan de hand van de relevante wetgeving en rechterlijke uitspraken. Hier worden bij de vijf meest voorkomende gewichtige redenen onder meer genoemd: de patiënt vertoont zeer onheus of agressief gedrag en de arts heeft een ernstig conflict met de patiënt en/of de patiënt wil niet meewerken aan de behandeling.

Zijn er gewichtige redenen dan geldt dat alvorens tot (eenzijdige) beëindiging kan worden overgegaan, een aantal zorgvuldigheidseisen in acht dient te worden genomen. Zo moet er voldoende gewaarschuwd zijn voor opzegging, dient er een redelijke termijn te zijn gegeven om de behandeling elders voort te zetten, moet gepoogd zijn het gedrag te corrigeren en moet er voor alternatieve hulpverlening zijn gezorgd.

4.5.

Zuyderland voert aan dat er sprake is van een zodanig verstoorde vertrouwensrelatie tussen [eiser sub 1] en de (behandelaren van) Zuyderland dat opname in het Hostel niet meer mogelijk is.

4.5.1.

Daartoe stelt zij op de eerste plaats dat het ernstige geweldsincident op 25 januari 2021 heel veel commotie heeft veroorzaakt onder de cliënten en de medewerkers. Eén van de begeleidsters is hierbij op kantoor aangevallen door [eiser sub 1] , waarbij [eiser sub 1] de medewerkster harde klappen op het hoofd heeft gegeven, hard aan haar haren heeft getrokken en haar niet los liet. Twee van de andere aanwezige medewerksters hebben geprobeerd hem te stoppen, maar werden hardhandig weggeduwd. De gevolgen voor de medewerkster die door [eiser sub 1] is aangevallen zijn groot. Niet alleen heeft zij lichamelijke klachten gehad als gevolg van hoofdletsel, mede doordat er een pluk haar is uitgetrokken, maar door de psychische hinder die zij hiervan ondervindt is zij tot op heden niet in staat om te werken. Het incident heeft een enorme impact gehad op het team en cliënten. Als gevolg hiervan is er geen enkele basis meer om nog zorg te kunnen verlenen aan [eiser sub 1] . De behandeling van andere cliënten is niet gebaat bij de terugkeer van [eiser sub 1] . Geweld, in ieder geval in deze mate, is in de setting van het Hostel hoogst ongebruikelijk.

4.5.2.

Daarnaast was vóór dit incident al sprake van een langdurige impasse. Zo was er geen overeenstemming over de behandeling van [eiser sub 1] . De behandelaren en de geraadpleegde externe adviseurs zijn van oordeel dat zijn behandeling en begeleiding primair dient te worden gericht op het autisme, waarbij de OCD-klachten secundair zijn aan het autisme. [eiser sub 1] en zijn familie delen die visie niet, zij zijn van mening dat de focus op de OCD-klachten moet liggen. Dit heeft er toe geleid dat [eiser sub 1] en zijn familie steeds minder vertrouwen hadden in de behandeling en begeleiding door Zuyderland. De uiteenlopende visies hebben vermoedelijk ook geen positief effect op de behandeling van [eiser sub 1] . Zijn toestandsbeeld is tijdens de opname niet of nauwelijks verbeterd, hij is juist verder gehospitaliseerd geraakt. Daarom werd al enige tijd gekeken naar de mogelijkheden om [eiser sub 1] over te plaatsen naar een begeleide woonvorm waar goed kan worden ingespeeld op zijn kwetsbaarheden gerelateerd aan zijn autisme. Het is echter gebleken dat het erg lastig is om een geschikt alternatief te vinden, gelet op de afhankelijkheidsrelatie van [eiser sub 1] en het feit dat hij niet meewerkt aan overleg hierover.

4.5.3.

Zuyderland wijst er voorts op dat ten onrechte de indruk wordt gewekt dat er sprake is van een woonplek bij het Hostel. [eiser sub 1] is opgenomen in een klinische behandelplaats, gericht op resocialisatie. Het verblijf in de Hostel is tijdelijk, maximaal twee jaar.

4.6.

[eiser sub 1] en zijn familie betreuren het incident, maar stellen dat dit gedrag eenmalig was en dat er geen sprake was van structureel ernstig grensoverschrijdend gedrag. In zijn toestand en met zijn aandoening was dit verklaarbaar. [eiser sub 1] had er ook meteen al enorm spijt van en heeft zijn verontschuldigingen aangeboden. Incidenteel onaangepast gedrag, gerelateerd aan de problematiek van de patiënt, moet Zuyderland kunnen opvangen en dulden. Dit vormt geen gewichtige redenen die beëindiging van de behandelingsovereenkomst rechtvaardigt. Zuyderland had kunnen volstaan met een waarschuwing. Zij zijn van mening dat Zuyderland aan [eiser sub 1] een nieuwe kans moet bieden.

4.6.1.

Daarnaast stelt [eiser sub 1] en zijn familie dat het ontbreken van samenwerking door [eiser sub 1] er met de haren bij wordt gesleept. Dit was al maanden bekend en vormde nimmer een reden om de zorg te beëindigen. Integendeel, dit was de reden dat gezocht werd naar een alternatief. Men was het erover eens dat hij niet terug naar huis kon. Het wonen op het Hostel is een belangrijk onderdeel van de behandeling en zorg voor [eiser sub 1] , en er was de afspraak dat hij kan blijven tot er een alternatief is. Door [eiser sub 1] op straat te zetten beëindigt Zuyderland een essentieel onderdeel van de behandeling en de zorg. [eiser sub 1] kan er niet veel aan doen dat hij de samenwerking niet kan opbrengen. Naarmate hij hier minder aan kan doen en dit zijn zorg bemoeilijkt, is het voor Zuyderland niet goed te verantwoorden om hem de nodige zorg te onthouden en de behandeling te beëindigen.

4.6.2.

Als er al sprake is van gewichtige redenen, dan zal Zuyderland in ieder geval moeten proberen of herstel van de behandeling, dus inclusief heropname op het Hostel, mogelijk is. Dit kan door in gesprek te gaan over het ongewenste gedrag, te zoeken naar mogelijkheden om dat gedrag te verbeteren en daar afspraken over te maken.

Volgens [eiser sub 1] en zijn familie heeft Zuyderland ook verder de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen niet in acht genomen. Zo is er geen schriftelijk waarschuwing geweest na het incident en is geen redelijke termijn voor beëindiging gehanteerd. Zuyderland heeft de opname abrupt beëindigd. Het aanbod tot plaatsing op Unit 4 is niet gelijk aan wat hij in het Hostel had, waar hij zou mogen blijven tot er een alternatief was gevonden. Hij moet voor een plaatsing op Unit 4 akkoord gaan met een opname van vier weken; dan bestaat de kans dat hij na vier weken weer moet vertrekken.

4.7.

Vooropgesteld zij dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet is gebleken dat, zoals door [eiser sub 1] en zijn familie is gesteld, sprake is van een combinatie van behandeling en wonen, in die zin dat de rechtsverhouding mede te kwalificeren is als een huurovereenkomst. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van Zuyderland dat er sprake is van een opname op een klinische afdeling, gebaseerd op de geneeskundige behandelingsovereenkomst, zoals hiervoor bedoeld.

4.8.

Wat betreft de beëindiging van de klinische opname van [eiser sub 1] het volgende. Zoals gezegd staat vast dat [eiser sub 1] op 25 januari 2021 fysiek geweld heeft gebruikt tegen (in elk geval) één medewerkster van Zuyderland. Terecht heeft Zuyderland naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarop besloten tot een time-out en, uiteindelijk, ontslag. De omstandigheid dat er een relatie bestaat tussen het gedrag van [eiser sub 1] en zijn psychische problematiek, zoals [eiser sub 1] betoogt en Zuyderland niet betwist, maakt dat niet anders. [eiser sub 1] en familie stellen weliswaar terecht dat Zuyderland enig onaangepast gedrag dat is gerelateerd aan de problematiek van haar patiënten heeft te dulden, maar het gedrag moet wel passen bij de problematiek van de patiënten die in het Hostel verblijven. Hiervan is in dit geval geen sprake. Zuyderland heeft immers onbetwist gesteld dat in de setting van het Hostel het gebruik van geweld hoogst ongebruikelijk is. De terugkeer van [eiser sub 1] kan hierdoor tot (nog meer) commotie (dan het incident op zich al deed) leiden bij de andere patiënten en daarmee een negatief effect op hun behandeling hebben. Ook de impact op het personeel is aanzienlijk als [eiser sub 1] zou terugkeren, zo heeft Zuyderland aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat de medewerkster die slachtoffer is geweest van het door [eiser sub 1] gebruikte geweld en daarvan aangifte heeft gedaan bij de politie, is in dit verband illustratief; zij is daarbij tot op heden niet in staat haar werk binnen het Hostel weer op te pakken. Dat op de vertrouwensrelatie tussen [eiser sub 1] en het team ernstig inbreuk is gemaakt, moge in het licht hiervan duidelijk zijn. Hierbij dient nog in aanmerking te worden genomen dat de kans op herhaling niet valt uit te sluiten. Het ging immers vóór het incident op 25 januari 2021 al niet goed met [eiser sub 1] en in die situatie is geen verandering gekomen. Overeenstemming over de behandeling ontbrak al langere tijd en [eiser sub 1] werkte – mede daardoor – niet voldoende mee aan de behandeling; [eiser sub 1] toestand verslechterde en hij raakte steeds verder gehospitaliseerd. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat het zowel in het belang van de in het Hostel verblijvende patiënten als in dat van het personeel niet wenselijk is dat [eiser sub 1] teruggaat naar het Hostel. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van [eiser sub 1] om terug te keren naar het Hostel. Gelet hierop heeft Zuyderland aannemelijk gemaakt dat er gewichtige redenen voor de beëindiging van de klinische opname waren.

4.9.

Nu vast is komen te staan dat gewichtige redenen voor de beëindiging van de klinische opname aanwezig waren, ziet de voorzieningenrechter zich thans voor de vraag geplaatst of Zuyderland bij die beëindiging de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend.

Zuyderland heeft weliswaar een betrekkelijk korte opzegtermijn gehanteerd en geen waarschuwing gegeven, maar zoals hiervoor al is overwogen hangt dit samen met het voor Zuyderland geheel onverwachte karakter van het incident en de grote impact die dit heeft gehad op het team en de patiënten, waardoor een onmiddellijke beëindiging van de klinische opname gewenst was. Daar komt bij dat Zuyderland direct nadat [eiser sub 1] naar huis is gestuurd intensieve ambulante behandeling thuis, ook voor zijn familie, heeft aangeboden om het verblijf thuis zo goed mogelijk te laten verlopen en dat Zuyderland voldoende pogingen heeft gedaan om [eiser sub 1] andere behandeling en opvang te bieden. Dit aanbod is echter afgeslagen door [eiser sub 1] en zijn familie. Zoals hierboven al is weergegeven is hem daarna nog een plaats op Unit 4 aangeboden en is aangeboden dat externe expertise wordt ingeroepen over passend vervolgbeleid door de Kliniek Intensieve Behandeling van GGz Eindhoven en de regio casuïstiektafel Limburg. [eiser sub 1] heeft echter geweigerd om de voor opname op Unit 4 vereiste behandelingsovereenkomst te tekenen, omdat hierin een opname-termijn van 4 weken is opgenomen, hetgeen kennelijk als te kort wordt beschouwd. Van de zijde van Zuyderland is verklaard dat dit een voorwaarde is die aan iedere patiënt wordt gesteld en waar niet van kan worden afgeweken. Er dient te worden ingestemd met een minimale behandeltermijn van vier weken, omdat de opname anders te vrijblijvend is. Een langere termijn of een garantie op verblijf totdat een plaats in een begeleide woonomgeving is gevonden, kan ook niet worden opgenomen in de overeenkomst, omdat dit strijdig zou zijn met het klinische karakter van de opname. Het verblijf is afhankelijk van het succes van de behandeling; slaat deze aan dan kunnen de behandelaren besluiten de opname te verlengen.

4.10.

Bij deze stand van zaken kan de voorzieningenrechter niets anders concluderen dan dat Zuyderland de vereiste zorgvuldigheid bij de eenzijdige beëindiging van de klinische opname in acht heeft genomen; zij heeft [eiser sub 1] allerminst in de kou laten staan. De voorzieningenrechter begrijpt dat verblijf thuis niet wenselijk is voor de behandeling van [eiser sub 1] en dat de belasting voor [eiser sub 1] en zijn familie dusdanig is dat het niet is op te brengen dat [eiser sub 1] nog langer thuis verblijft. Helaas moet echter worden geconstateerd dat het Hostel ook niet de juiste plaats voor [eiser sub 1] is en terugkeer, gezien de hiervoor besproken omstandigheden, niet van Zuyderland kan worden verlangd.

4.11.

Het voorgaande brengt met zich dat de vordering om [eiser sub 1] direct toe te laten tot zijn woonplek op het Hostel en te gelasten onderdak en zorg/ondersteuning voort te zetten, ook ter overbrugging, tot voor [eiser sub 1] een passende behandelplek/begeleid wonen-plek beschikbaar is, zal worden afgewezen.

4.12.

Ook de subsidiaire vordering om [eiser sub 1] direct op te nemen op Unit 4 van Zuyderland, zal worden afgewezen. [eiser sub 1] weigert immers om te voldoen aan het voor opname gestelde vereiste dat hij de behandelovereenkomst met de daarin gestelde voorwaarden dient te ondertekenen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Zuyderland deze eis mag stellen.

4.13.

[eiser sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Zuyderland worden begroot op:

- griffierecht € 667,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.683,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van Zuyderland tot op heden begroot op € 1.683,00,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.1

1 type: EvdS coll: