Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2516

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
C/03/286982 / HA RK 21-2
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Civiel recht, Burgerlijk Procesrecht, Insolventierecht

Verzoek art. 843a Rv tot inzage urenregistratie faillissementscurator afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rekestnummer: C/03/286982 / HA RK 21-2

Beschikking van 12 maart 2021

in de zaak van

[verzoeker] ,

thans wonend te [woonplaats] , [adres] ,

verzoeker,

advocaat mr. R.W.J.L. Loonen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,

advocaat mr. J.M.C. de Ree.

Partijen worden hierna [verzoeker] en de curator genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen 1 t/m 3, ter griffie ontvangen op 5 januari 2021,

  • -

    het verweerschrift met één bijlage, ter griffie ontvangen op 22 februari 2021,

  • -

    de mondelinge behandeling op 2 maart 2021.

1.2.

Ter zitting zijn verschenen:

  • -

    dhr. [verzoeker] , bijgestaan door mr. Loonen (vergezeld van een stagiaire);

  • -

    [belanghebbende] , bijgestaan door mr. De Ree.

1.3.

Ten slotte is de beschikking bepaald op heden.

2 De feiten
2.1. Bij vonnis van deze rechtbank van 15 mei 2018 is [verzoeker] in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. B.R.M. de Bruijn tot rechter-commissaris en met aanstelling van [belanghebbende] tot curator (insolventienummer F.03/18/105).

2.2.

Bij beschikking van 26 mei 2020 is het faillissement opgeheven wegens gebrek aan baten, onder gelijktijdige vaststelling van het salaris van de curator.

3. Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om de curator op de voet van art. 843a Rv te verplichten om binnen 14 dagen na vonnis (kennelijk wordt bedoeld beschikking) af te geven aan [verzoeker] , dan wel aan hem inzage te verstrekken in, de urenspecificaties van de curator over verslagperiode 1 t/m 5 van het faillissement van [verzoeker] .

3.2.

De curator heeft gemotiveerd verweer gevoerd, op welk verweer de rechtbank hierna voor zover nodig nader zal ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker] grondt zijn verzoek op artikel 843a Rv. Dit artikel bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Het vorenstaande impliceert dat de bescheiden alleen opgevraagd kunnen worden in een dagvaardingsprocedure. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR: 2014:3533), een bij verzoekschrift ingesteld verzoek ex artikel 843a Rv ook ontvangen kan worden.

4.2.

Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt [verzoeker] een rechtmatig belang te hebben bij inzage of afschrift. De hoogte van de opgenomen uren aan werkzaamheden door de curator en daarnaast de opheffing van het faillissement dat heeft plaatsgevonden, zijn voor hem aanleiding zijn geweest om te twijfelen aan de juistheid van de opgenomen uren. Naar de mening van [verzoeker] zijn erg veel uren gerekend voor werkzaamheden in zijn faillissementsdossier, met name vanaf de derde verslagperiode nadat de opbrengsten van diverse vermogensbestanddelen in de boedel zijn gevloeid. Op grond van artikel 8.1 van de Insolad Praktijkregels dient de curator jegens de failliet zoveel mogelijk openheid te betrachten over zijn werkzaamheden, zolang het geen andere belangen schaadt. Een afwijzing door de curator met een verwijzing naar het verslag acht [verzoeker] onvoldoende. De curator dient actief en concreet te informeren. Het is de failliet zelf die onderzoek dient te doen naar de correctheid. Bovendien ziet het verzoek op specifieke bescheiden zodat van een zogenaamde “fishing expedition” geen sprake is. Mocht uit de verlangde bescheiden blijken dat de werkzaamheden niet de omvang in tijd vereisen die wel door de curator zijn opgenomen, en dit derhalve heeft bijgedragen tot de opheffing van het faillissement, dan levert dit voor [verzoeker] een grond op voor het instellen van een vordering tegen de curator op grond van onrechtmatige daad. Naar de mening van [verzoeker] bestaat er voor de curator geen zwaarwegend belang om niet aan het verzoek te hoeven voldoen.

4.3.

De curator stelt in zijn verweerschrift dat hij in de verslagperiodes 1 en 2 in verband met het door [verzoeker] ingestelde hoger beroep tegen het faillissement weinig werkzaamheden heeft kunnen verrichten. Na de mondelinge behandeling bij het gerechtshof op 11 juli 2018 waarbij de curator aanwezig was, heeft het hof op 23 augustus 2018 het vonnis van de rechtbank van 15 mei 2018 bekrachtigd. De curator kon daarna starten met de inhoudelijke werkzaamheden, hetgeen resulteerde in veel werkzaamheden na verslagperiode 2. Bij het verrichten van deze werkzaamheden worden in voorkomend geval ook kantoorgenoten betrokken. Ook deze uren worden (met een bepaalde verdeelsleutel) in de urenregistratie opgenomen. In verslagperiode 4 zijn er nog onderdelen afgewikkeld en in verslagperiode 5 werd het laatste onderdeel afgewikkeld waardoor dit verslag als eindverslag kon gelden. De curator stelt, onder verwijzing naar de inhoud van zijn verweerschrift, dat het faillissement van [verzoeker] bewerkelijk was, mede door de opstelling van [verzoeker] zelf. [verzoeker] is telkens uitgebreid geïnformeerd. Bovendien verzetten de belangen van derden zich tegen openbaarmaking van de urenregistratie. Met name als het gaat over degenen die inlichtingen hebben gegeven over gefailleerde en diens vermogen.

4.4.

Naar de mening van de curator heeft de gefailleerde geen recht op inzage in de urenspecificaties van de curator. De Faillissementswet voorziet hierin niet. Bovendien zijn de tijdregistraties niet openbaar (art. 2.2. sub d van de Recofa-richtlijnen). Dit is [verzoeker] door de rechter-commissaris zo ook medegedeeld. Een beroep op artikel 8.1 Insolad Praktijkregels 2019 maakt dit niet anders. Integendeel: ook hierin is expliciet bepaald dat de urenspecificaties niet openbaar zijn. Het is de rechter-commissaris die aan de hand van de urenregistratie het salaris vaststelt.

4.5.

[verzoeker] heeft van de curator bij brief van 22 april 2020 nog een toelichting ontvangen met betrekking tot de bestede uren. Daarna heeft hij op 24 april 2020 schriftelijk ingestemd met de voorgenomen opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, productie 1 van de curator.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 843a Rv ziet op de bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. Hierbij gaat het om gevallen waarin de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar deze dat stuk niet in haar bezit heeft, terwijl zij het desbetreffende stuk bijvoorbeeld in een procedure zou willen overleggen. In Nederland bestaat geen algemene exhibitieplicht voor partijen, in die zin dat partijen jegens elkaar verplicht kunnen worden tot het verschaffen van informatie en documenten. Met het oog daarop verbindt artikel 843a lid 1 Rv aan de toewijsbaarheid van die vordering (lees: verzoek) drie cumulatieve voorwaarden:

a. de eisende (lees: verzoekende) partij dient een rechtmatig belang te hebben,

b. de vordering (lees: het verzoek) moet 'bepaalde bescheiden' betreffen en

c. die bescheiden hebben van doen met een rechtsbetrekking waarbij eiser (lees: verzoeker) partij is.

4.7.

Niet ter discussie staat dat het verzoek betrekking heeft op bepaalde bescheiden, te weten de urenregistraties.

4.8.

Beoordeeld moet worden of [verzoeker] een rechtmatig belang heeft bij inzage in die stukken. Als uitgangspunt heeft te gelden dat curatoren zich bij de openbare verslaglegging dienen te conformeren aan het ter zake bepaalde in de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling. Curatoren ontlenen een grond voor afwijzing van het verzoek om inzicht te geven in de urenverantwoording aan artikel 2.2. onder d van genoemde richtlijnen. Dit artikel 2.2. luidt als volgt:

“Bij ieder openbaar verslag wordt de tijdsregistratie gevoegd zoals bedoeld in artikel 6.1. onder h, die betrekking heeft op de periode waarop het verslag betrekking heeft. Op een afzonderlijk voorblad worden de (sub)totalen per tijdschrijfgroep vermeld op de wijze als vermeld in het bij deze richtlijnen als bijlage H gevoegde model, dat ook via internet beschikbaar is. Deze tijdregistraties zijn niet openbaar. [onderstreping rechtbank]

De curator heeft dan ook gelijk met zijn stelling dat de tijdregistraties niet openbaar zijn. Het is de rechter-commissaris die van de wetgever de taak heeft gekregen erop toe te zien dat de curator een juiste urendeclaratie indient. [verzoeker] heeft niet betwist dat de rechter-commissaris de urendeclaratie heeft goedgekeurd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen.

4.9.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de curator de door hem bestede uren wel degelijk aan [verzoeker] heeft toegelicht. In ieder verslag zijn de bestede uren in die verslagperiode vermeld en de werkzaamheden (globaal) opgesomd. In totaal heeft de curator 208 uren en 30 minuten gedeclareerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] erkend dat de uren in de eerste twee verslagperioden (17, respectievelijk 33 uren) als normaal kunnen worden beschouwd, mede gelet op het hoger beroep dat [verzoeker] tegen de faillietverklaring heeft ingesteld. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft in de tweede verslagperiode plaatsgevonden. [verzoeker] heeft – zo begrijpt de rechtbank – met name bezwaar tegen de uren die in de derde verslagperiode (98 uren 40 minuten) zijn gerekend, nadat de opbrengst van diverse vermogensbestanddelen in de boedel was gevloeid. De curator heeft uitgelegd dat die opbrengsten juist in die periode door zijn werkzaamheden beschikbaar zijn gekomen en heeft zowel in zijn uitvoerige brief van 22 april 2020 aan [verzoeker] als ter mondelinge behandeling daar nadere uitleg over gegeven. Hij heeft er daarbij op gewezen dat het met name de houding van [verzoeker] zelf is geweest die het faillissement bewerkelijk heeft gemaakt. [verzoeker] heeft belangrijke informatie voor de curator verzwegen en hij heeft die achterhaald door controle van de bankafschriften. De curator heeft onder meer gewezen op de (praktische) gang van zaken bij de verkoop van de woning en de motorfiets. [verzoeker] heeft voorts na uitspraak faillissement nog een lening aan zijn schoonmoeder terugbetaald die hij niet bij de curator had gemeld. Ook is hij na de faillietverklaring met een verpande tenttrailer met vakantie gegaan en heeft deze daarna verkocht en de opbrengst aan de pandhouder gegeven. De curator was genoodzaakt een procedure tegen de pandhouder te starten. Ook heeft de rechter-commissaris nog een faillissementsverhoor gelast. Deze toelichting is door [verzoeker] niet concreet betwist. De enkele stelling van [verzoeker] dat hij twijfelt aan de juistheid van de urenregistratie is tegen het licht van deze toelichting dan ook volstrekt onvoldoende onderbouwd.

4.10.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek van [verzoeker] om inzage als bedoeld in artikel 843a Rv zal worden afgewezen.

4.11.

[verzoeker] zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van de curator gevallen, tot op vandaag begroot op € 1.126,00 (2 punten x tarief € 563,00).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek van [verzoeker] af,

5.2.

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze procedure tot op vandaag begroot € 1.126,00,

5.3.

verklaart deze beschikking wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: JvdH