Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2514

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
03/257621-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schoppen tegen het hoofd en/of lichaam en het geven van een karateschop. Vrijspraak voor poging tot moord. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 6 maanden voor poging tot zware mishandeling, gepleegd met voorbedachte raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/257621-20

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortegegevens] 1992 en volgens opgave verdachte in [geboorteplaats] (Litouwen),

gedetineerd in P.I. Sittard, Op de Geer 1, 6135 KN te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. E. Gorsselink, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 maart 2021. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachte rade, te doden door hem omver te duwen en meermalen tegen zijn hoofd en/of lichaam te schoppen (primair). Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht poging tot moord bewezen. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte [slachtoffer] heeft opgewacht en beslopen om hem vervolgens omver te duwen en te schoppen terwijl [slachtoffer] op de grond lag. De verdachte is hierna weggelopen van het slachtoffer en na enkele meters weer omgedraaid richting het slachtoffer om hem met een ‘flying kick’ te raken op zijn hoofd. Dat de verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt, volgt uit de letselbeschrijving van [slachtoffer] , de camerabeelden en twee getuigenverklaringen. Door uit woede en onder invloed van alcohol een karatetrap tegen het hoofd van een ander te geven, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] om het leven zou komen. Uit de verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte ook het plan had om [slachtoffer] aan te vallen, zodat sprake is van voorbedachte raad.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte geen opzet (ook niet in voorwaardelijke vorm) op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. Van belang is dat de vechtpartij uit twee delen bestond. Het eerste deel bestond uit het omver duwen en twee keer schoppen in de richting van het hoofd van [slachtoffer] . Hij werd hierbij geraakt in zijn halsstreek. Deze gedragingen leveren geen aanmerkelijke kans op de dood op, zodat geen sprake is van een poging tot doodslag of poging tot moord.

Het eerste deel van de vechtpartij stopt zodra de verdachte wegloopt van [slachtoffer] . Na enkele meters draait de verdachte weer om in de richting van [slachtoffer] en dan begint het tweede deel van de vechtpartij. Hierbij geeft verdachte een sprongtrap tegen de borst van [slachtoffer] , waarna [slachtoffer] de benen van de verdachte vastpakt en de verdachte bij het lostrekken van zijn benen [slachtoffer] per ongeluk tegen het hoofd raakt. Ook deze gedragingen leveren geen aanmerkelijke kans op de dood op. Dat blijkt ook uit het beperkte letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen.

Het dossier bevat meerdere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte rade. Mocht de rechtbank voorbedachte rade wel aanwezig achten, dan ziet dit alleen op dit eerste deel van de vechtpartij.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 13 oktober 2020 omstreeks 23.15 uur vond er een geweldsincident plaats op het Stationsplein in Venlo. Bij dit incident waren de verdachte en [slachtoffer] betrokken. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich hierbij schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord/doodslag of poging tot (zware) mishandeling. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende bewijsmiddelen

Bewijsmiddelen

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij op 13 oktober 2020 omstreeks 23.00 uur arriveerde op het station van Venlo. Hij kan zich enkel nog herinneren dat hij bij de uitgang van het station een viertal personen zag staan en dat hij vervolgens mishandeld werd. Hij weet niet wie hem mishandeld heeft en op welke wijze dit is gebeurd. [slachtoffer] heeft pijn op meerdere plekken op het hoofd, er zijn twee hechtingen aangebracht op zijn hoofd en hij heeft pijn aan zijn ribben aan de rechterzijde van het lichaam.2

Hij heeft na het incident de spoedeisende hulp bezocht. Op de spoedeisende hulp werden een hersenschudding en een wond aan de rechterzijde van zijn hoofd geconstateerd. De wond op het hoofd is gehecht. Verder had [slachtoffer] gekneusde ribben aan de rechterzijde van het lichaam.3

Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij op 13 oktober 2020 omstreeks 23.10 uur vier personen zag zitten op een bankje aan de voorzijde van het station in Venlo. Deze personen keken constant in de richting van de ingang van het station. Omstreeks 23.15 uur rende een van de vier personen richting de ingang van het station. Op dat moment kwam een persoon het station uitgelopen, waarna een geweldsincident tussen beiden plaatsvond.4

Het geweldsincident is door camera’s van cameratoezicht Venlo vastgelegd. Deze camerabeelden zijn ter terechtzitting meermalen door de rechtbank bekeken. De rechtbank ziet op de beelden dat een persoon (de verdachte) sluipend langs een glazen wand in de richting van de in-/uitgang van station Venlo loopt. Het latere slachtoffer ( [slachtoffer] ) dat op dat moment via deze in-/uitgang het station verlaat, wordt door deze persoon omver geduwd en twee keer getrapt tegen of in de richting van zijn hoofd. De verdachte loopt vervolgens weg van het slachtoffer en keert na enkele meters om, loopt dan weer richting het slachtoffer dat nog steeds op de grond ligt, en raakt het slachtoffer met een karate-achtige trap ter hoogte van de borst-/halsstreek.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon is die op de camerabeelden [slachtoffer] aanvalt. De verdachte heeft [slachtoffer] die dag leren kennen en zij hebben samen de dag doorgebracht. Op het station in Eindhoven heeft [slachtoffer] de verdachte beledigd en één keer in zijn gezicht geslagen. Dit kwam voor de verdachte totaal onverwacht. Toen de verdachte [slachtoffer] terug wilde slaan, rende [slachtoffer] weg en sprong in een trein. De verdachte is later die avond naar zijn woonplaats Venlo gegaan. Op het station in Venlo zag de verdachte [slachtoffer] weer. De verdachte ging voor het station op een bankje zitten op ongeveer 10-15 meter van de ingang. De verdachte had het gevoel dat [slachtoffer] hem achtervolgde en dat een vechtpartij onvermijdelijk was; daarom besloot hij om [slachtoffer] te besluipen en aan te vallen toen hij zag dat deze richting de uitgang van het station in Venlo liep.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij wraak wilde nemen op [slachtoffer] . De verdachte heeft [slachtoffer] geslagen, waarna [slachtoffer] op de grond viel, en hij heeft hem twee keer geschopt tegen zijn hoofd en nek. Toen de verdachte wegliep, riep [slachtoffer] dat hij de verdachte zou gaan vermoorden. De verdachte besloot hierop terug te gaan naar [slachtoffer] en hem, na het nemen van een aanloopje, nog een keer te schoppen. Op dat moment verloor [slachtoffer] zijn bewustzijn.5

Tussenconclusie rechtbank

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat de verdachte [slachtoffer] heeft aangevallen door hem te duwen en meerdere keren te schoppen. De verdachte heeft [slachtoffer] hierbij één karateschop gegeven. [slachtoffer] is geraakt op zijn hoofd en lichaam en hij heeft letsel opgelopen.

Hoe moet dit handelen van de verdachte gekwalificeerd worden?

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of dit handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden als een poging tot moord/doodslag (primair) of een poging tot zware mishandeling (subsidiair). Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat de verdachte daadwerkelijk de intentie had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte door zijn gedragingen in voorwaardelijke zin opzet kan hebben gehad op de dood van [slachtoffer] . Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt.

Allereerst moet dan vastgesteld worden dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de [slachtoffer] gedood kon worden door de handelingen van de verdachte. Vervolgens moet vastgesteld worden dat de verdachte deze kans willens en wetens heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg zal intreden, in dit geval de dood van [slachtoffer] . Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. De aard van het gevolg is daarbij niet bepalend.

Is er sprake van poging tot moord/doodslag?

De rechtbank stelt voorop dat schoppen tegen het hoofd onder omstandigheden dodelijk kan zijn. Het hoofd is immers een zeer kwetsbaar deel van het lichaam. Daarbij is onder meer van belang waar het hoofd wordt geraakt en met welke kracht dit gebeurt. De rechtbank is van oordeel dat zij in deze zaak te weinig kennis heeft van de feitelijke omstandigheden om objectief te kunnen vast stellen dat er in het onderhavige geval een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer] dodelijk letsel zou oplopen. Zo weet de rechtbank, ook na het herhaaldelijk bekijken van de beelden, niet met welke kracht de verdachte heeft geschopt en is ook niet vast te stellen waar [slachtoffer] precies geraakt werd. De camerabeelden haperen op verschillende momenten en filmen het incident van een afstand, waardoor niet alle bewegingen van de verdachte duidelijk zichtbaar zijn. Ook is niet bekend wat voor schoenen de verdachte droeg, zodat ook niet vastgesteld kan worden welk letsel met een schop veroorzaakt zou kunnen worden. Dit alles maakt het voor de rechtbank niet mogelijk om achteraf vast te stellen dat de kans op de dood van [slachtoffer] aanmerkelijk was. Voor het primair ten laste gelegde moet daarom vrijspraak volgen.

Is er sprake van poging tot zware mishandeling?

Met betrekking tot de vraag naar het risico op zwaar lichamelijk letsel komt de rechtbank tot een andere conclusie. Naar algemene ervaringsregels brengt het schoppen tegen het hoofd wél een aanmerkelijke kans met zich dat het slachtoffer ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel zal oplopen. De verdachte heeft immers op het lichaam van [slachtoffer] ingetrapt, in de richting van zijn hoofd, nek en bovenlichaam. Dit zijn kwetsbare delen van het lichaam en het trappen kan dan tot zwaar lichamelijk letsel leiden. Dat niet vastgesteld kan worden met welke kracht de verdachte geschopt heeft en dat we niet precies weten waar het slachtoffer geraakt werd in de hoofd-/halsstreek maakt dit niet anders.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte die aanmerkelijke kans ook willens en wetens heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte meerdere keren trapt in de hoofd- en halsstreek van [slachtoffer] en dat de verdachte ook een karate-achtige trap aan hem uitdeelt. De verdachte heeft er dus voor gekozen om gericht in de richting van het hoofd, de hals en het bovenlichaam van [slachtoffer] te schoppen. Het gevaar daarvan moet voor de verdachte, net als voor ieder ander, duidelijk zijn geweest. Door dit handelen heeft de verdachte dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar gewond zou raken. Dat [slachtoffer] desondanks geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, is puur geluk geweest en betekent dat er geen sprake is van een voltooid delict maar van een poging om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Was er sprake van voorbedachte raad?

De rechtbank ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of er sprake was van voorbedachte raad. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte heeft verklaard dat aan het geweldsincident een ruzie in Eindhoven voorafging waarbij [slachtoffer] hem heeft geslagen. Op dat moment wilde de verdachte, volgens zijn eigen verklaring, al wraak nemen, maar kon hij dit niet doen, omdat [slachtoffer] gevlucht was. Toen de verdachte [slachtoffer] vervolgens tegenkwam in Venlo, besloot de verdachte alsnog wraak te nemen. De verdachte heeft, naar eigen zeggen, [slachtoffer] opgewacht, beslopen en aangevallen. Deze omstandigheden wijzen op een vooropgezet plan om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ook wijst dit erop dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Dat verdachte in een gemoedsopwelling heeft gehandeld, is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de raadsman dat er geen sprake kan zijn van voorbedachte raad ten aanzien van alle geweldshandelingen die de verdachte heeft verricht. De rechtbank ziet de geweldshandelingen die de verdachte heeft verricht als één geheel.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank poging tot zware mishandeling, gepleegd met voorbedachte rade, bewezen acht.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 13 oktober 2020 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer] heeft geslagen waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en vervolgens die [slachtoffer] , terwijl deze op de grond lag, meermalen tegen diens hoofd en lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op de feitelijkheden van deze zaak heeft de officier van justitie geen aansluiting gezocht bij straffen die doorgaans worden opgelegd voor een poging tot moord, maar meer bij straffen die worden opgelegd voor een poging tot doodslag.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan moet worden met een gevangenisstraf gelijk aan de duur die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Bij de strafbepaling moet een lagere straf opgelegd worden dan de oriëntatiepunten voorschrijven voor zware mishandeling, omdat er geen sprake is van een voltooid delict en het letsel beperkt is gebleven. Ook moet er rekening mee gehouden worden dat het voor de verdachte als buitenlander extra zwaar is om in Nederland gedetineerd te zijn.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte wilde wraak nemen op [slachtoffer] en heeft hem daarom opgewacht en vervolgens in openbaar gebied en in het bijzijn van getuigen aangevallen door hem omver te duwen en meerdere keren te schoppen. [slachtoffer] is hierbij op zijn lichaam en hoofd geraakt en heeft gekneusde ribben, een hersenschudding en een hoofdwond opgelopen. De verdachte heeft met zijn gedrag geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en hem angst en pijn bezorgd. Het is puur geluk geweest dat de gevolgen relatief beperkt zijn gebleven. Dergelijke delicten veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid bij anderen, zoals getuigen, en leiden tot maatschappelijke onrust en een toename van gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Gelet op de ernst van het feit dat de verdachte heeft gepleegd, kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden volstaan met een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur daarvan onder meer laten meewegen, dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.

De rechtbank heeft er ook rekening mee gehouden dat het geweldsincident geen op zichzelf staand incident was. Uit de verklaring van de verdachte volgt dat het conflict met [slachtoffer] al eerder die dag was ontstaan en dat hij dit conflict heeft willen oplossen door zelf geweld te gebruiken. Dat [slachtoffer] de verdachte eerder op die dag heeft geslagen, vormt in geen enkel geval een rechtvaardiging voor de verdachte om [slachtoffer] zo aan te vallen. Een dergelijke vorm van ‘voor eigen rechter spelen’ is niet acceptabel.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (de LOVS-oriëntatiepunten). Oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door bijvoorbeeld schoppen en/of trappen tegen het hoofd is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. In deze zaak heeft het slachtoffer niet daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waardoor het bij een poging is gebleven en de straf doorgaans met een derde verminderd wordt. Daar staat weer tegenover dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte rade. De rechtbank zal daarom, ook gelet op de overige feiten en omstandigheden die hiervoor zijn genoemd, het oriëntatiepunt volgen en aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 63, 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Gevangenisstraf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en

mr. drs. E.C.M. Hurkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Muijlkens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 maart 2021.

Buiten staat

mr. M.M. Beije is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1 primair:

hij op of omstreeks 13 oktober 2020 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] heeft geslagen waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] , terwijl deze op de grond lag, meermalen tegen diens hoofd en/of lichaam heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 13 oktober 2020 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer] heeft geslagen waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] , terwijl deze op de grond lag, meermalen tegen diens hoofd en/of lichaam heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Venlo / Beesel, proces-verbaalnummer [nummer] , gesloten d.d. 14 oktober 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 42.

2 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 11 en 12.

3 De medische verklaring, pagina 14 en 15.

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige] , pagina 16.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 38 en 39.