Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2265

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19_225
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AW. Verzoek om schadevergoeding. (Buitensporige) werkomstandigheden. Zorgplicht werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/225

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2021

in de zaak tussen

[naam 1] , te Roermond, eiser

(gemachtigde: mr. T.D.D. Loeffen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder

(gemachtigde: mr. V.L.S. van Cruijningen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

Bij besluit van 8 mei 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder eisers verzoek om een aanvullende uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid in en door de dienst afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2019. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens geschorst om verweerder in staat te stellen nadere stukken in te dienen. Op 18 september 2019 heeft verweerder een aantal stukken aan de rechtbank gezonden en daarbij een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb.

Bij beslissing van 22 november 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming van voornoemde stukken gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend kennis te nemen van deze stukken.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 24 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2].

Overwegingen

1. Eiser heeft sedert [jaartal] bij de gemeente Roermond gewerkt als stadswacht. Vanwege het afschaffen van de gesubsidieerde banen is eiser per 1 januari 2008 aangesteld in de functie van medewerker Toezicht en Veiligheid. Bij brief van 8 maart 2017 heeft eiser verweerder aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het in acht nemen van onvoldoende zorg met betrekking tot een veilige werkomgeving en de gezondheid van eiser. Eiser stelt dat hij zich in 2014 ziek heeft gemeld met psychische klachten mede als gevolg van gedragingen van een leidinggevende ([naam 3]), maar ook andere gebeurtenissen op het werk.

Verweerder heeft deze aansprakelijkstelling opgevat als een verzoek tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:90 van de Awb. Bij besluit van 3 april 2017 heeft het UWV eiser per 1 januari 2017 een arbeidsomgeschiktheidsuitkering toegekend. Bij besluit van 20 april 2017 heeft verweerder eiser eervol ontslag verleend per 1 januari 2017. Bij het primaire besluit I heeft verweerder eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Eiser heeft op 19 januari 2018 een verzoekschrift tot vergoeding van de schade ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit verzoek teruggestuurd naar verweerder om te laten behandelen als bezwaarschift. Daarnaast heeft verweerder het verzoekschrift opgevat als een aanvraag tot toepassing van artikel 7:5 van de CAR/UWO (aanvullende uitkering). Bij het primaire besluit II heeft verweerder eisers verzoek om een aanvullende uitkering afgewezen.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat het op de weg van eiser ligt om de stelling dat de schade is gelegen in de uitoefening van zijn werkzaamheden van een toereikende onderbouwing te voorzien. Verweerder stelt dat het gestelde verband tussen eisers ziekmelding en de gedraging van een (of meer) leidinggevende respectievelijk andere gebeurtenissen op zijn werk niet nader zijn gemotiveerd. Niet is gebleken dat sprake zou zijn van buitensporige werkomstandigheden. In dit verband stelt verweerder dat er onvrede was op de afdeling waar eiser werkte, die mede te maken had met de wijze waarop de stijl van leidinggeven van [naam 3] door een deel van de medewerkers werd ervaren. Niet kan echter worden gesteld, volgens verweerder, dat [naam 3] eiser zo verkeerd heeft bejegend dat de werkomstandigheden daardoor als buitensporig zouden moeten worden beschouwd.

3. Eiser voert in beroep aan -kort samengevat- dat de bedrijfsarts meermaals heeft aangegeven dat er sprake is van werkgerelateerde arbeidsongeschiktheid en dat gewerkt diende te worden aan herstel van de arbeidsrelatie. Voorts heeft eiser bij zijn verzoekschrift van 19 januari 2018 medische verklaringen overgelegd van zijn behandelaren (psycholoog en psychiater). Eiser is van mening dat hiermee de causaliteit tussen de verstoorde arbeidsrelatie en zijn klachten is onderbouwd. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat hij zijn werkzaamheden onder buitensporige werkomstandigheden moest verrichten. Zijn leidinggevende ([naam 3]) intimideerde hem voortdurend en klachten hieromtrent werden door verweerder niet onderzocht (in dit verband biedt eiser getuigenbewijs aan en verzoekt hij de rechtbank een deskundige te benoemen).

4 De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 7:5, eerste lid, van de CAR/UWO wordt aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.

Ingevolge artikel 7:1 van de CAR/UWO wordt onder arbeidsongeschiktheid in en door de dienst verstaan: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:

◾de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of;

◾in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht;

en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8837) heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wanneer de gestelde schade in sterkere mate psychisch van aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden, objectief bezien, een buitensporig karakter dragen. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat dergelijke in het werk of werkomstandigheden gelegen factoren zich voordoen.

Volgens eveneens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2015:98) moet een bestuursorgaan ook de schade vergoeden die het gevolg is van een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een ondergeschikte, als de kans op de fout is vergroot door de taakopdracht aan die persoon en het bestuursorgaan zeggenschap had over de gedragingen van die persoon.

5. Met betrekking tot de vraag of er sprake is geweest van schending van de zorgplicht door verweerder respectievelijk buitensporige werkomstandigheden als gevolg van het gedrag van eisers leidinggevende ([naam 3]) overweegt de rechtbank het volgende.

6. Eiser heeft in zijn beroepschrift en ter zitting verklaard dat het huisbezoek door [naam 3] naar aanleiding van diens ziekmelding in juli 2014 “de spreekwoordelijke druppel was die de emmer deed overlopen”. Verweerder heeft erkend dat dit huisbezoek niet handig was en bepaalde emoties bij eiser kon oproepen. [naam 3] had geprobeerd contact met eiser te krijgen en toen dat telefonisch niet lukte is hij bij eiser thuis langsgegaan. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet is af te leiden dat, onder voormelde omstandigheden, sprake is van buitensporigheid. Daartoe overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat [naam 3] bij eiser thuis langs gaat niet buitensporig is. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser geen (medische) stukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat dit huisbezoek als (ziekmakend en dus) buitensporig kan worden aangemerkt.

7. Vervolgens is op 27 augustus 2014 met eiser gesproken over zijn psychische klachten, maar eiser heeft toen geen concrete voorbeelden genoemd (behalve het huisbezoek). Er bestond, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook geen aanleiding voor nader onderzoek door verweerder.

8. Over eisers stelling dat de bedrijfsarts meermaals heeft aangegeven dat sprake is van werkgerelateerde arbeidsongeschiktheid bij eiser overweegt de rechtbank dat dit geen onderbouwing is van het feit dat eisers werkomstandigheden, objectief bezien, een buitensporig karakter zouden hebben.

9. Met betrekking tot de door eiser overgelegde medische verklaringen overweegt de rechtbank dat uit de brief van 1 september 2014 van psycholoog Zwaard blijkt dat eiser gepreoccupeerd is met de gedragingen van zijn direct leidinggevende. Na een ziekmelding wordt eiser, naar eigen zeggen, geïntimideerd door zijn manager. Uit de brief van 10 oktober 2014 van PsyQ blijkt dat eisers klachten samenhangen met een jarenlange verstoorde arbeidsrelatie. Eiser werkte ruim 10 jaar met een leidinggevende waarbij sprake zou zijn van machtsmisbruik en intimidatie.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze medische informatie blijkt dat eiser zelf van mening was (subjectief) dat hij werd geïntimideerd door [naam 3]. Deze (medische) verklaringen bevatten echter verder geen onderbouwing van eisers stelling dat sprake was van werkomstandigheden met een (objectief) buitensporig karakter.

10. Over de door verweerder overgelegde (geheime) stukken, te weten: het Ronda-rapport van maart 2016 en enkele naar aanleiding van dit rapport opgestelde/genomen adviezen/besluiten, overweegt de rechtbank dat het rapport een algemeen beeld geeft van de verhoudingen op eisers afdeling, maar geen enkele informatie bevat over de specifieke relatie tussen eiser en [naam 3]. Uit dit rapport kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden afgeleid dat sprake was van buitensporige werkomstandigheden.

11. Aangezien de rechtbank over voldoende informatie beschikt met betrekking tot eisers werkomstandigheden, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser in de gelegenheid te stellen hierover nog getuigen te doen horen.

12. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werkomstandigheden -objectief bezien- een buitensporig karakter droegen. Hierbij is ook van belang dat de bedrijfsarts in juli 2014 geoordeeld heeft dat eiser volledig inzetbaar was. Dit betekent dat verweerder eisers verzoeken om schadevergoeding respectievelijk een aanvullende uitkering terecht heeft afgewezen.

13. Omdat de rechtbank van oordeel is dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werkomstandigheden een buitensporig karakter droegen op grond van de door hem overgelegde medische informatie bestaat er geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals door eiser verzocht.

14 Het beroep is ongegrond.

15 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen (voorzitter), en mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. T. Dohmen, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 maart 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.