Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2047

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
C/03/273760 / HA ZA 20-69
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partij wordt in staat gesteld schriftelijke verklaringen over te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/273760 / HA ZA 20-69

Vonnis bij vervroeging van 3 maart 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. A.D.A. Quaedvlieg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. E. [naam 1] .

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met zeven producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met zes producties;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 29 januari 2021.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn vennoten geweest in een V.O.F. (hierna de Vennootschap). Partijen waren overeengekomen dat zij gelijkelijk in de Vennootschap zouden inbrengen en gelijkelijk alles zouden delen. De vennootschap doet geen zaken meer en er moet worden overgegaan tot afwikkeling van het vermogen van de Vennootschap. Het vermogen bestaat uit de verkoopopbrengst van de al aan de derde overgedragen en betaalde woning [adres 1] te [plaats] (hierna de woning) en de verkoopprijs van het nog te verkopen onbebouwd perceel [adres 2] te [plaats] (hierna het perceel).

2.2

Met de koopsom van de woning is onder meer afgelost een door [gedaagde] in privé gesloten hypothecaire lening van € 70.164,50. Het betreffende hypotheekrecht rustte op de woning. Een deel van de koopsom is in elk geval vóór oktober 2016 in depot gestort bij een notaris.

2.3

Het als productie 2 bij antwoord door [gedaagde] op 3 oktober 2016 handgeschreven ondertekende stuk houdt in, voor zover relevant:

“(…)

[gedaagde] (…) verklaart ermee akkoord te gaan dat een gedeelte van de gelden in depot groot € 155.902,94 bij helfte zal worden uitbetaald aan de heer [eiser] (…) en ondergetekende, onder de voorwaarde dat de ondergetekende voldoet de courtagenota van [naam makelaardij] makelaardij als eigen schuld (…).

Het in depot staande bedrag ad € 47.727,27 zal voorlopig in depot blijven totdat de aanslag omzetbelasting is opgelegd. (…)”.

2.4

Het als productie 3 bij antwoord door [eiser] op 3 oktober 2016 handgeschreven ondertekende stuk houdt in, voor zover relevant:

“(…)

[eiser] (…) verklaart ermee akkoord te gaan dat een gedeelte van de gelden in depot groot € 155.902,94 bij helfte zal worden uitbetaald aan de heer [gedaagde] (…) en ondergetekende, onder de voorwaarde dat de heer [gedaagde] voldoet de courtagenota van [naam makelaardij] makelaardij als eigen schuld (…).

Het in depot staande bedrag ad € 47.727,27 zal voorlopig in depot blijven totdat de aanslag omzetbelasting is opgelegd. (…)”.

3 Het geschil

3.1

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar

bij voorraad, ook wat de proceskosten betreft:

I. voor recht verklaart dat de Vennootschap is opgezegd/ontbonden per 24 januari 2016, althans 1 november 2019, althans is opgezegd/ontbonden per datum nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

II. de (wijze van) verdeling/vereffening vaststelt zoals uiteengezet onder randnummer 33 van de dagvaarding, primair middels de onder randnummer 33 sub a beschreven methode, subsidiair middels de onder randnummer 33 sub b beschreven methode en meer subsidiair middels de onder randnummer 33 c beschreven methode, althans uiterst subsidiair de

verdeling vast te stellen op de volgens de rechtbank meest gerede wijze;

III. in geval van verdeling conform randnummer 33 sub a: gedaagde veroordeelt tot medewerking aan levering aan eiser binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat gedaagde nalaat zijn medewerking aan levering te verlenen met een maximum van € 50.000,00;

IV. in geval van verdeling conform randnummer 33 sub b: gedaagde veroordeelt tot medewerking aan het verstrekken van een gezamenlijke verkoopopdracht aan makelaar [naam makelaar] ( [naam makelaardij] Makelaardij) en/of een andere aan te wijzen deskundige makelaar, voor een verkoopprijs van € 110.000,00, alsmede wordt veroordeeld tot zijn medewerking aan verkoop en levering conform de gegeven opdracht, een en ander binnen 14 dagen na

betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of dagdeel dat gedaagde nalaat zijn medewerking aan levering te verlenen met een maximum van € 50.000,00;

V. gedaagde veroordeelt tot betaling van de verschuldigde wettelijke rente over € (zo begrijpt de rechtbank) 35.082,25 gerekend vanaf 16 november 2016, althans vanaf

1 november 2019, althans de dag der dagvaarding;

VI. gedaagde veroordeelt tot betaling van de verschuldigde buitengerechtelijke kosten (zo begrijpt de rechtbank) ad € 1.125,00;

VII. gedaagde veroordeelt in de proceskosten van onderhavige procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf dagtekening vonnis en indien voldoening uitblijft de nakosten ter hoogte van € 157,-, te vermeerderen met € 82,- in geval van betekening.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Vennootschap is geëindigd en dat moet worden afgerekend. In het kader van die afrekening moet volgens hem rekening worden gehouden met het feit dat [gedaagde] zich uit het vennootschapsvermogen heeft toegeëigend € 70.164,50 en dat het perceel nog moet worden toegedeeld aan één van partijen onder betaling van de overwaarde dan wel moet worden verkocht waarna de opbrengst moet worden verdeeld.

3.2

[gedaagde] is van mening dat alleen nog gelijkelijk moet worden verdeeld de waarde van het perceel. Zijn hypothecaire lening op de woning is conform afspraak met [eiser] afbetaald met een deel van de koopsom van de woning. Met deze afbetaling werd weer een 50-50 vermogensverhouding tussen partijen bereikt.

4 De beoordeling

4.1

Vordering I ligt als niet weersproken voor toewijzing gereed.

4.2

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] een privé schuld van € 70.164,50 heeft betaald met vermogen van de Vennootschap. Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat hij dit bedrag weer moet inbrengen in de Vennootschap en dat daarna tot verdeling kan worden overgegaan. Dit is anders indien partijen hebben afgesproken dat de privé schuld van [gedaagde] van € 70.164,50 met vennootschapsvermogen mocht worden betaald omdat daarmee de financiële verhouding van 50-50 die partijen in het vennootschapsvermogen hadden afgesproken, (weer) zou zijn bereikt. De betreffende stelling van [gedaagde] is een bevrijdend verweer, dat hij op de voet van de hoofdregel van art. 150 Rv voldoende onderbouwd moet stellen en bewijzen. Aan alle door partijen overgelegde producties komt op dit moment wat dit betreft nauwelijks waarde toe. Het enkele feit dat het depotbedrag aan partijen mocht worden uitbetaald, betekent immers op zich zelf niet meer dan dat er mocht worden uitbetaald. In geen enkele overgelegde productie valt te lezen dat met deze (uit)betalingen (en dus de betaling van de privé schuld van [gedaagde] ) weer evenwicht is bereikt in de vermogenspositie van partijen binnen de Vennootschap of dat finale kwijting of iets dergelijks is verleend. Daarmee is de stelling van [gedaagde] dat zijn hypothecaire lening op de woning conform afspraak met [eiser] mocht worden afbetaald en ook is afbetaald met een deel van de verkoopsom van de woning die tot het vermogen van de Vennootschap behoorde, feitelijk met niets onderbouwd.

4.3

Uit het van de comparitie opgemaakt proces-verbaal blijkt dat [gedaagde] toen heeft verklaard: “Dat de Rabo vordering op mij van € 70.164,50 als vof schuld tussen ons twee zou worden verdeeld is uitgebreid besproken en ook becijferd en berekend door onze wederzijdse boekhouders op dat moment. [eiser] had hiervoor [naam 1] ingeschakeld en ik had [naam 2] ingeschakeld. Beide heren hebben berekeningen gemaakt over de wijze waarop een en ander moest worden verdeeld en bij deze berekeningen is uitgebreid die schuld van € 70.164,50 besproken en is afgesproken dat van deze schuld een vof schuld zou worden gemaakt, omdat het meerdere dat [eiser] uit de vof had gehaald dan ik, op deze manier zou worden verrekend.”.

De stelling van [gedaagde] dat, kort gezegd, met de betreffende betaling is verrekend, is voldoende onderbouwd om eventueel tot bewijslevering over te gaan indien [gedaagde] een verklaring van de hiervoor genoemde [naam 1] en [naam 2] in het geding brengt waarin deze heren de verklaring van [gedaagde] ter zitting zoals hiervoor geciteerd, bevestigen. Gelet op productie 3 dagvaarding zullen zijn bedoeld [naam 1] en [naam 2] .

Zonder een dergelijke schriftelijke verklaring van [naam 1] en [naam 2] heeft [gedaagde] zijn stelling zo onvoldoende onderbouwd dat zelfs niet tot getuigenbewijs of andersoortige bewijslevering zal worden overgegaan. De rechtbank zal [gedaagde] in staat stellen de genoemde schriftelijke verklaringen over te leggen.

4.4

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de waarde van het perceel. Zonder een dergelijke overeenstemming kan het perceel niet aan één van hen worden toegedeeld. Dit betekent dat de rechtbank voornemens is op kosten van partijen, gelijkelijk te dragen, een deskundige te benoemen die de waarde van het perceel moet taxeren. Elke partij kan na die taxatie voor zich zelf beslissen of zij het perceel voor die waarde wil overnemen. Indien geen der partijen het perceel wil overnemen tegen de door een deskundige vastgestelde waarde, zal de rechtbank bepalen dat het perceel openbaar te koop moet worden aangeboden en dat na verkoop de opbrengst tussen partijen zal worden verdeeld als nader door de rechtbank te bepalen. Partijen zullen in staat worden gesteld zich uit te laten over de vraag wie het perceel moet taxeren en tegen welke kosten.

4.5

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

stelt [gedaagde] in staat ter rolle van 31 maart 2021 over te leggen schriftelijke verklaringen of een gemeenschappelijke schriftelijke verklaring van [naam 1] en [naam 2] waarin deze verklaren dat de Rabo vordering op [gedaagde] van € 70.164,50 als Vennootschapsschuld gelijkelijk zou worden verdeeld tussen [gedaagde] en [eiser] en dat door [naam 1] en [naam 2] is becijferd en berekend dat van de schuld van € 70.164,50 een Vennootschapsschuld zou worden gemaakt, omdat het meerdere dat [eiser] uit de Vennootschap had gehaald op deze manier zou worden verrekend met hetgeen [gedaagde] toekwam;

5.2

stelt partijen in staat zich op de rol van 31 maart 2021 uit te laten over de vraag welke deskundige de waarde van het perceel [adres 2] te [plaats] moet schatten en welk voorschot die deskundige hiertoe in rekening mag brengen;

5.3

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2021.