Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:2045

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
AWB 21/279
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting van de woning voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b Opiumwet. Verzoeker is de enige huurder in het pand. In het appartement van verzoeker zijn gsm’s aangetroffen en op de begane grond drugs, een vuurwapen en een flinke som contant geld. De woning wordt gezien als een samenhangend geheel. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 21/279

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 maart 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam 1], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. P.J.M. Bongaarts),

en

De Burgemeester van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C.W. Ploum en M. van den Bosch).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2021, verzonden op 22 januari 2021 (het primaire besluit) heeft

verweerder onder aanzegging van bestuursdwang verzoeker gelast de woning op het adres

[adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) te sluiten voor de duur van zes

maanden met ingang van 26 januari 2021.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Deze zaak gaat over een last tot sluiting van de woning van verzoeker. In het primaire besluit heeft verweerder verzoeker gelast de woning aan de [adres] te [woonplaats] met ingang van 26 januari 2021 voor de duur van zes maanden te sluiten. De sluiting is reeds geeffectueerd.

2. Niet is in geschil dat verzoeker als enige huurder op het adres van de woning staat ingeschreven.

3. In de sluitingsrapportage van 26 november 2020 staat vermeld dat door de politie op

25 november 2020 bij de woning een onderzoek is ingesteld op grond van de Opiumwet. Op de begane grond (niet als woning ingericht) is in de keukenkasten 712 gram heroïne, 137 gram cocaïne, een vuurwapen en een geldbedrag van € 14.140 aangetroffen. Op de eerste etage (niet als woning ingericht) werd niets aangetroffen en op de tweede etage (wel als woning ingericht) werden 14 gsm-toestellen gevonden. Bij gehouden MMC verdovende middelen-testen reageerden monsters van de heroïne en cocaïne positief. Tevens wordt vermeld dat in het kader van een lopend onderzoek geen verdere informatie kan worden verstrekt.

4. Bij brief van 3 december 2020 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van het voornemen tot sluiting van de woning. Verzoeker heeft geen zienswijze gegeven. Hij stelt dat hij het voornemen niet ontvangen heeft. Verweerder heeft bij het primaire besluit op grond van artikel 13b van de Opiumwet en zijn daarop gebaseerde beleid sluiting van de woning gelast voor de duur van zes maanden met ingang van 26 januari 2021. In het besluit wordt – anders dan in de sluitingsrapportage is vermeld – aangegeven dat het vuurwapen, het geld en de gsm-toestellen aangetroffen zijn op de tweede etage.

5. Verzoeker heeft (samengevat weergegeven) aangevoerd dat hij op de tweede verdieping woont en geen weet had van wat zich op de eerste verdieping afspeelde. Verzoeker is gehoord als getuige en heeft de gsm-toestellen terug gekregen. Verzoeker geeft aan dat zich in 2017 een identieke situatie heeft voorgedaan. Ook toen was op de benedenverdieping sprake van vergelijkbaar drugs- en wapenbezit en zou de woning voor zes maanden gesloten worden. Uiteindelijk is bepaald dat de sluiting beperkt diende te blijven tot de benedenverdieping. De voorzieningenrechter heeft zich daar destijds ook over uitgelaten. De woning is reeds gesloten en verzoeker heeft geen onderdak. Verzocht wordt de voorziening te treffen dat verzoeker weer in zijn woning kan.

Waarover moet de voorzieningenrechter beslissen?

6. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om schorsing van het besluit tot sluiting van de woning van verzoeker. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het primaire besluit te schorsen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemzaak niet. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Gelet op de aard van de zaak, een woningsluiting, neemt de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aan en gaat zij over tot inhoudelijke behandeling van het primaire besluit.

Was verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om tot sluiting over te gaan?

7. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet luidt vanaf 1 januari 2019 als volgt:

De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 of artikel 11a voorhanden is.

Ter uitvoering van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder het “Damoclesbeleid Lokalen en woningen 2019” (de beleidsregels) vastgesteld.

Volgens de beleidsregels wordt de woning gesloten voor de duur van drie maanden indien sprake is van

a.het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van een middel als bedoeld op lijst I lof lijst II behorend bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, of

b.het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid onder 3°, of artikel 11a, van de Opiumwet (voorbereidingshandelingen).

Indien een tweede keer een situatie zoals onder 5 a of b genoemd wordt geconstateerd, wordt de woning gesloten voor de duur van zes maanden.

8. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) onder meer in haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1771, heeft overwogen, is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van toepassing indien drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking in een woning of lokaal aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs de drugs in beginsel bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking.

9. Niet in geschil is dat op de begane grond in de keukenkasten 712 gram heroïne, 137 gram cocaïne, een vuurwapen en een geldbedrag van € 14.140 aangetroffen is, op de eerste etage niets werd aangetroffen en op de tweede etage, de woning van verzoeker, 14 gsm-toestellen werden gevonden.

10. Met betrekking tot de grond van verzoeker dat verweerder niet bevoegd is tot sluiting van het gehele pand over te gaan, omdat de drugs zich niet in zijn appartement op de tweede etage bevonden, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

11. In de rechtspraak is daarvoor als criterium ontwikkeld dat van belang is of er een zodanige relatie bestaat tussen de onderscheiden (delen van) bouwwerken dat die als één geheel moeten worden beschouwd (Zie: ECLI:NL:RVS:2016:2456 en ECLI:NL:RVS:2020:489). Als er een dergelijke samenhang bestaat, dan strekt de bevoegdheid zich uit tot dat geheel, ongeacht of in de onderscheiden onderdelen al dan niet handelsvoorraden drugs zijn aangetroffen. De voorzieningenrechter weegt bij die beoordeling mee dat de sluitingsbevoegdheid enerzijds is bedoeld om aan het voorhanden hebben van de handelsvoorraad daadwerkelijk een einde wordt gemaakt, maar anderzijds om naar de (criminele) buitenwereld te laten zien dat de betreffende, als zodanig bekend staande locatie aan de drugshandel is onttrokken. Tegen die achtergrond beoordeelt de voorzieningenrechter of de gehele woning als een samenhangend geheel moesten worden gezien.

12. De voorzieningenrechter gaat uit van de feitelijke situatie. Zoals toegelicht door verweerder op zitting en ook niet betwist door verzoeker is de feitelijke situatie van de woning in zoverre anders ten opzichte van de situatie in 2017, dat verzoeker nu de enige huurder van de woning is, terwijl in 2017 er nog twee huurders op het adres ingeschreven stonden. Verder is de feitelijke situatie momenteel zo dat de begane grond niet als woning ingericht is en ook niet bewoond is. Vanaf de achterzijde van het pand is een schuifpui die niet goed dicht gaat. Dit is aldus verweerder de enige ingang van het pand. De voordeur klemde zodanig dat de politie en de slotenmaker via de achterzijde naar binnen moesten gaan. Tevens geeft verweerder aan dat er in het gehele pand één meterkast op de begane grond aanwezig is. Als enkel het appartement van verzoeker open zou blijven, zou hij geen toegang hebben tot de meterkast. Verweerder wil nu met gehele sluiting van het pand het signaal afgeven dat de bekendheid als drugspand teniet gedaan wordt. Verweerder heeft verder een overzicht overgelegd met sluiting van de panden in de directe nabijheid om aan te geven dat de situatie in de straat precair is en gewezen op het feit dat het voor de tweede keer is dat er verdovende middelen in het pand zijn aangetroffen en er een onderzoek bij de recherche loopt. Verder is zijn er nu, anders dan in 2017 toen niets in de woning van verzoeker werd aangetroffen, 14 gsm’s in diens appartement aangetroffen.

13. Verzoeker betwist dat hij enkel via de achterkant de woning kon betreden. Hij maakte altijd gebruik van de voordeur en ging dan via de trap gelijk naar boven. Hij had geen zicht op wat zich beneden en op de eerste verdieping afspeelde.

14. Gelet op de stroomvoorziening vanuit de woning, op de ingang aan de achterzijde en gelet op de in de woning aangetroffen zaken, heeft verweerder tussen het appartement op de tweede etage waar verzoeker woont en waar de gsm’s zijn aangetroffen en de begane grond waar de drugs, wapens en het geld zijn aangetroffen een zodanige relatie kunnen aannemen dat het appartement van verzoeker en de rest van de woning voor de beoordeling van de bevoegdheid tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet als één woning en één samenhangend geheel kunnen worden beschouwd. Dat verzoeker naar eigen zeggen graag aan telefoons sleutelt en om die reden een dergelijk aantal gsm’s in huis had, acht de voorzieningenrechter zonder nadere toelichting op voorhand niet aannemelijk. Vooral in dit geval is gehele sluiting van het pand van belang om naar de (criminele) buitenwereld te laten zien dat de betreffende, als zodanig bekend staande locatie aan de drugshandel is onttrokken, te meer nu er een rechercheonderzoek loopt. Dat verzoeker geen verdachte is, doet daar niet aan af.

15. Verweerder was gelet op het voorgaande bevoegd om de gehele woning te sluiten.

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 maart 2021.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.