Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:1836

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
AWB 20/2837 en AWB 20/2839
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verlening omgevingsvergunning voor nieuwbouwwoning in Panningen met toepassing binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in verband met dubbelbestemming archeologie. Perceel heeft woonbestemming in onherroepelijk bestemmingsplan. Argumenten tegen die woonbestemming hadden in de bestemmingsplanprocedure kunnen en moeten worden ingebracht en geven geen aanleiding voor exceptieve toetsing van het bestemmingsplan. Niet gebleken dat omgevingsvergunning in strijd is met eerdere toezeggingen/uitspraken. Beroep slaagt niet.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 20/2837 en AWB 20/2839

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 maart 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder

(gemachtigden: drs. A.P. Langerak en W. Schers).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam vergunninghouder] (hierna: de vergunninghouder).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2020 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuwbouwwoning aan [adres 1] (hierna: het perceel).

Bij brief van 7 juli 2020 is door eiser tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij brief van 9 juli 2020 is voorts de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), te treffen.

Bij besluit van 8 oktober 2020 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn ingediend op 4 november 2020. Eiser heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De vergunninghouder en zijn echtgenote, [naam echtgenote]

, zijn verschenen.

De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook onmiddellijk in de hoofdzaak.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Het gaat in deze zaak om de omgevingsvergunning die verweerder aan de vergunninghouder heeft verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel. Eiser is het er niet mee eens dat verweerder deze omgevingsvergunning heeft verleend. Hij voert aan dat het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd is met eerdere rechterlijke uitspraken en raadsbesluiten en bovendien in strijd is met toezeggingen die door de wethouder van (de rechtsvoorganger van) verweerder zouden zijn gedaan. Daarnaast betoogt eiser dat de bouw van een woning op het perceel onevenredig bezwarend voor omwonenden is en er geen rekening wordt gehouden met de aard van de omgeving. De bouw van een woning in een beeldbepalend historisch park vernietigt het karakter van het park definitief en ontneemt velen het plezier van het gebruik hiervan, aldus eiser.

Wat ging aan deze zaak vooraf?

2. Eiser woont aan [adres 2] . Zijn woning ligt schuin tegenover het perceel. Ter plaatse geldt - voor zover hier relevant - het bestemmingsplan “Dubbelkern Helden-Panningen”, vastgesteld op 5 februari 2013 (hierna: het bestemmingsplan). Op het perceel rusten de bestemmingen “Wonen - 3” en “Waarde - Archeologie 4”.

3. Op 10 april 2020 heeft de vergunninghouder bij verweerder een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een vrijstaande nieuwbouwwoning op het perceel. Uit de bestektekening die zich in het dossier bevindt, blijkt dat de woning wordt voorzien van een kelder die zich ongeveer 2,90 meter onder het maaiveld bevindt.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning heeft volgens verweerder betrekking op de activiteit “bouwen” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Ook heeft deze omgevingsvergunning betrekking op “het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, aldus verweerder. De bebouwing van de te bouwen woning reikt namelijk dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld en er is geen sprake van het vergroten van bestaande gebouwen en/of bouwwerken met een oppervlak van minder dan 250 m2: er wordt immers een nieuwe woning gebouwd. Dit is in strijd met artikel 38.2.1, aanhef en onder respectievelijk a en b, van het bestemmingsplan. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en onder 1°, van de Wabo in samenhang met artikel 38.3.1 van het bestemmingsplan heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend om af te wijken van hetgeen in artikel 38.2.1 van het bestemmingsplan is bepaald.

5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Naar aanleiding daarvan heeft de AWB-adviescommissie van het college van burgemeester en wethouders, burgemeester en de raad (hierna: de bezwaarcommissie) op 7 september 2020 geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en het primaire besluit te handhaven. Hiertoe heeft de bezwaarcommissie overwogen dat verweerder een omgevingsvergunning heeft mogen verlenen voor het bouwen van de vrijstaande woning op het perceel, omdat dit op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. De belangen die eiser tegen het bouwplan aanvoert, zoals verlies van uitzicht, verlies van groen, toename van verkeer en waardevermindering van andere woningen, hadden in de bestemmingsplanprocedure kunnen worden ingebracht. Deze bezwaren kunnen nu niet leiden tot het weigeren van de gevraagde omgevingsvergunning, omdat de raad deze belangen bij het vaststellen van het bestemmingsplan heeft meegewogen en dit plan onherroepelijk is vastgesteld. Het betoog van eiser dat door de raad en het college toezeggingen zijn gedaan, slaagt volgens de bezwaarcommissie niet. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd blijkt namelijk niet dat door de raad, het college of ambtenaren concrete toezeggingen zijn gedaan die zouden moeten worden nagekomen.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder - onder overneming van het advies van de bezwaarcommissie - het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Wie heeft beroep ingesteld?

8. Eiser heeft gesteld dat in “de groep [naam eiser] en anderen” ruim 400 medestanders zijn verenigd die zich tegen het bouwplan van de vergunninghouder verzetten en hier samen beroep tegen hebben ingesteld.

9. De voorzieningenrechter overweegt dat degene die het niet eens is met een besluit van een bestuursorgaan - in dit geval het besluit van verweerder om de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwbouwwoning te verlenen - op grond van artikel 7:1 van de Awb eerst bezwaar moet maken tegen dat besluit voordat hij beroep kan instellen bij de bestuursrechter.

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser “en medestanders”, wonende aan [adres 2] - het adres van eiser - in de brief van 7 juli 2020 bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit. Het bezwaarschrift is enkel ondertekend door eiser. Eiser heeft binnen de termijn waarin bezwaar moet worden gemaakt tegen het primaire besluit geen enkele naam van de gestelde medestanders bekendgemaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de omstandigheid dat bezwaar wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de bezwaartermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de bezwaartermijn immers nog niet vast wie bezwaar heeft willen maken. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken bezwaar in te stellen namens nog onbekende personen. De identiteit van degene(n) namens wie bezwaar wordt gemaakt, moet voor afloop van de bezwaartermijn bekend zijn. De voorzieningenrechter vindt voor dit oordeel steun in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van

20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:547) en 19 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:492).

Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter er bij de beoordeling van de vraag wie beroep heeft ingesteld vanuit gaat dat eiser de enige is die bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit.

11. In de brief van 4 november 2020 hebben eiser “en medestanders”, wonende aan [adres 2] beroep ingesteld tegen het primaire besluit. Ook het beroepschrift is enkel door eiser ondertekend. Zoals overwogen is eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter de enige is die bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Dit betekent dat hij op grond van artikel 7:1 van de Awb ook de enige is die beroep kan instellen tegen het bestreden besluit. Voor zover het beroep door de niet nader geduide medestanders van eiser is ingediend, verklaart de voorzieningenrechter hen daarom niet-ontvankelijk in hun beroep. Voor zover het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening door “de medestanders” is gedaan, zal het verzoek reeds hierom worden afgewezen.

Het ter zitting ingenomen betoog van eiser dat zij in de brief van 24 november 2020 hebben aangegeven dat “de medestanders” dezelfde zijn als degene(n) die zich hebben gesteld in de nog lopende zaken ROE 20/93 WOB van 14 januari 2020 en ROE 20/613 WOB van 4 maart 2020 en dat zij op 5 februari 2020 de namen en adressen van al deze eisers, inclusief handtekening hebben gezonden, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de brief van 24 november 2020 niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien. Deze brief is namelijk verstuurd na het verstrijken van de bezwaartermijn, op het moment dat de identiteit van degene(n) namens wie bezwaar wordt gemaakt, bekend had moeten zijn. Nog los daarvan wordt in deze brief enkel verwezen naar een lijst met namen en adressen van “de medestanders” die beweerdelijk kenbaar zijn gemaakt. Deze lijst is echter niet meegezonden, zodat nog steeds onbekend is wie deze “medestanders” zijn. Bovendien is deze lijst met namen en adressen van “de medestanders” ingezonden in zaken die betrekking hebben op het beroep van eiser “en medestanders” tegen besluiten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). Voor zover uit die lijst blijkt dat eiser “en medestanders” het niet eens zijn met de besluiten op grond van de Wob waartegen ze beroep hebben ingesteld, wil dat niet zeggen dat zij het (ook) niet eens zijn met het verlenen van de onderhavige omgevingsvergunning en daartegen beroep hadden willen instellen. De voorzieningenrechter zal het verzoek en het beroep hierna inhoudelijk beoordelen voor zover dat door eiser is ingediend.

Is voldaan aan de voorwaarden voor het treffen van een voorlopige voorziening en/of te beslissen op het door eiser ingestelde beroep?

12. In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu eiser beroep heeft ingesteld tegen het besluit waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

14. Wat betreft de vraag of het spoedeisend belang bij het onderhavige verzoek genoegzaam is aangetoond, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De vergunninghouder heeft aangegeven voornemens te zijn vanaf eind februari 2021 te starten met de bouw van de nieuwbouwwoning op het perceel. Op dit perceel is nu een deel van het park gelegen. Eiser probeert met zijn verzoek te voorkomen dat het park onomkeerbaar wordt veranderd door de bouw van de nieuwbouwwoning. Daarmee is het spoedeisend belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven.

15. Het verzoek om een voorlopige voorziening betreft een verzoek hangende beroep in de hoofdzaak. Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter dan onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak, indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

16. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt met zich dat de voorzieningenrechter overgaat tot het geven van een rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit. In dit kader moet de voorzieningenrechter toetsen of verweerder de gevraagde omgevingsvergunning aan de vergunninghouder heeft mogen verlenen.

17. Het relevante juridische kader is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Wat is de omvang van het geding?

18. De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd die zien op het verlenen van de omgevingsvergunning voor zover deze betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo: het gebruiken van de gronden in strijd met het bestemmingsplan (namelijk het dieper bouwen dan 40 cm onder het maaiveld wat op grond van de archeologiebestemming, behoudens binnenplanse afwijking, niet is toegestaan). Eiser heeft dit ter zitting bevestigd. Het gaat hem erom dat zijn zicht op het park wordt ontnomen door de bouw van de woning. Hij maakt zich niet druk over de archeologische waarden van het terrein waarop ook het perceel is gelegen. De voorzieningenrechter zal dit deel van het besluit daarom niet bij zijn beoordeling betrekken.

Is de bezwaarcommissie onafhankelijk?

19. Eiser betoogt dat de bezwaarcommissie niet onafhankelijk is. Hij voelt zich onheus bejegend door de commissie, omdat de door hem opgestelde pleitnota pas na aandringen mocht worden voorgelezen tijdens de hoorzitting. Verder is eiser het niet eens met het advies van de bezwaarcommissie. Volgens hem is de bezwaarcommissie niet serieus ingegaan op de ingebrachte stukken en zijn bezwaren tegen het primaire besluit.

19.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de bezwaarcommissie een commissie betreft als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de bezwaarcommissie bij de behandeling van zijn bezwaar of het uitbrengen van het advies niet onafhankelijk of objectief is geweest. Dat de bezwaarcommissie in haar advies heeft ingestemd met wat door verweerder naar voren is gebracht, maakt niet dat hieruit is op te maken dat er geen sprake is van een onafhankelijk advies. Ook voor het overige is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het bezwaar van de adviescommissie onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft dit advies dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. Het betoog van eiser slaagt dus niet.

Maakt het bestemmingsplan woningbouw op het perceel mogelijk?

20. Eiser betoogt - zo begrijpt de voorzieningenrechter - dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij in 2013 beroep had moeten instellen tegen het bestemmingsplan “Dubbelkern Helden-Panningen” indien hij wilde voorkomen dat op het perceel gebouwd zou worden. Volgens eiser is namelijk pas in 2018 bij, zoals eiser het aanduidt, de herziening van dit bestemmingsplan door het bestemmingsplan “Herinrichting omgeving Huis van de Gemeente” ervoor gekozen het perceel te verkopen, zodat daarop gebouwd kan worden. In dit verband wijst eiser erop dat in de plantoelichting bij het bestemmingsplan “Dubbelkern Helden-Panningen” niet is vermeld dat op het perceel gebouwd mag worden.

21. De voorzieningenrechter overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling de op de planverbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De niet bindende (plan)toelichting heeft in zoverre betekenis, dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan gegeven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst op zichzelf, noch in samenhang duidelijk zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:682 en 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1578). In deze zaak betekent dit dat aan de hand van de planverbeelding en de regels van het bestemmingsplan, moet worden bepaald of al dan niet gebouwd mag worden op het perceel.

22. De voorzieningenrechter stelt vast dat ter plaatse het bestemmingsplan “Dubbelkern Helden-Panningen” geldt en dat dit bestemmingsplan onherroepelijk is. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de digitale planverbeelding (via www.ruimtelijkeplannen.nl) getoond. Daarop is te zien dat het perceel is aangeduid met een gele kleur en dat op dit perceel daarom - onder meer - de bestemming “Wonen - 3” rust. Eiser heeft dit ter zitting niet betwist. Op grond van artikel 26.2.1 van de planregels mag op dit perceel een vrijstaande woning worden gebouwd die moet voldoen aan de overige eisen die in dit artikel worden gesteld. Eiser heeft niet bestreden dat de nieuwbouwwoning die de vergunninghouder op het perceel wil bouwen niet aan deze eisen voldoet. Dit betekent dat het bestemmingsplan woningbouw in het algemeen en de bouw van de woning in het bijzonder op het perceel mogelijk maakt. Reeds hierom slaagt het betoog van eiser niet dat in de plantoelichting van het bestemmingsplan niet is vermeld dat op het perceel gebouwd mocht worden. Aan de plantoelichting komt immers pas - zoals onder 21. is overwogen - betekenis toe als de planverbeelding en de bestemmingsplanregels niet duidelijk zijn. Hiervan is geen sprake. Voor zover eiser bedoelt dat de gemeenteraad de woonbestemming bij toekenning daarvan in 2013 had moeten motiveren (in de plantoelichting), betreft dit een aspect dat, wat hier verder ook van zij, in de bestemmingsplanprocedure aan de orde had kunnen komen, maar nu niet meer aan de orde gesteld kan worden.

Het voorgaande betekent eenvoudig gezegd: het perceel heeft in in het bestemmingsplan dat in 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld, een voor iedereen (zowel op de analoge als digitale kaart) duidelijk zichtbare gele kleur gekregen die betekent dat het perceel een woonbestemming heeft, en niet een groene kleur zoals de rest van het park. Deze bestemming is het uitgangspunt voor de beoordeling door de voorzieningenrechter.

23. Het ter zitting ingenomen betoog van eiser dat hem ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan in 2013 niet bekend was dat op het perceel de bestemming

“Wonen - 3” rust, omdat verweerder het bestemmingsplan enkel digitaal ter inzage heeft gelegd en dat hij om die reden geen bezwaar heeft gemaakt tegen dit bestemmingsplan, slaagt ook niet. Verweerder heeft dit betoog ter zitting uitdrukkelijk betwist. Volgens hem kon een papieren versie van de planverbeelding op het gemeentehuis worden ingezien. Eiser heeft het tegendeel niet (op zijn minst) aannemelijk gemaakt.

24. Gezien hetgeen onder 22 is overwogen, slaagt het betoog van eiser evenmin dat pas bij het vaststellen van de omgevingsvergunning (door eiser als bestemmingsplan aangeduide) “Herinrichting omgeving Huis van de Gemeente” is vastgesteld dat op het perceel - onder meer - de bestemming “Wonen - 3” rust en dat op dat perceel woningbouw is toegestaan. Daarbij komt dat het betoog van eiser dat het bestemmingsplan is herzien door de omgevingsvergunning “Herinrichting omgeving Huis van de Gemeente” zowel feitelijk als juridisch onjuist is. In 2018 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de herinrichting van de omgeving van het Huis van de Gemeente. Deze omgevingsvergunning heeft het bestemmingsplan echter niet herzien en kan deze ook niet herzien. Dit kan slechts door het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. Dat reeds ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning in 2018 op het perceel mocht worden gebouwd, blijkt uit de zich in de ruimtelijke onderbouwing van die omgevingsvergunning bevindende uitsnede uit het bestemmingsplan, waarop het perceel met een gele kleur is aangeduid. Om die reden beoordeelt de voorzieningenrechter de beroepsgronden niet die eiser onder verwijzing naar de omgevingsvergunning heeft ingenomen, zoals zijn grond dat de cultuurhistorische waarde van het park zich tegen het bouwen van de nieuwbouwwoning op het perceel verzet.

25. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij het vaststellen van het bestemmingsplan in 2013 - onder meer - de bestemming “Wonen - 3” aan het perceel is toegekend. Vanaf dat moment maakte het bestemmingsplan woningbouw op het perceel mogelijk. In het verlengde daarvan volgt de voorzieningenrechter verweerder in zijn standpunt dat indien eiser het niet eens was tegen het toekennen van deze bestemming in het bestemmingsplan, hij daar in 2013 beroep tegen had moeten instellen.

Is de omgevingsvergunning in strijd met eerdere uitspraken?

26. Eiser betoogt dat het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwplan in strijd is met de uitspraak van de Voorzitter van de (voormalige) Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 22 oktober 1993 en de uitspraak van de Afdeling van

16 november 1995.

27. Dit betoog slaagt niet naar het oordeel van de voorzieningenrechter. De uitspraak van 22 oktober 1993 betreft de vernietiging van de beslissing op bezwaar tegen de met toepassing van de zogeheten anticipatieprocedure verleende vergunning voor het bouwen van een woonhuis aan [naam straat] wegens een motiveringsgebrek, omdat de noodzaak voor het volgen van de anticipatieprocedure onvoldoende was gebleken. Uit deze uitspraak kan niet worden afgeleid dat destijds is geoordeeld dat woningbouw aan [naam straat] nooit mogelijk zou kunnen zijn. Bovendien doet dit niet af aan het in 2013 vastgestelde bestemmingsplan dat de bouw van een woning hier toelaat.

28. De uitspraak van 16 november 1995 heeft betrekking op (het goedkeuringsbesluit inzake) de vaststelling door de raad van de toenmalige gemeente Helden van het bestemmingsplan “1e partiële herziening bestemmingsplan kern Panningen”. Dit plan voorzag onder andere in een nieuwe invulling van het gebied waar nu het park en het gemeentehuis is gelegen, waaronder de realisatie van een bouwkavel aan [naam straat] . De Afdeling heeft het tegen dit bestemmingsplan ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking had op de voornoemde bouwkavel, de woonbestemming vernietigd en opdracht gegeven in zoverre een nieuw besluit te nemen. Of een dergelijk besluit is genomen, is niet uit het dossier af te leiden. Dit is echter niet bezwaarlijk, omdat vanaf 2013 het (nieuwe) bestemmingsplan “Dubbelkern Helden- Panningen” van kracht is op grond waarvan ter plaatse woningbouw is toegestaan. Het is dit (onherroepelijke) bestemmingsplan waaraan de aanvraag van vergunninghouder diende te worden getoetst. Aan het bestemmingsplan “1e partiële herziening bestemmingsplan kern Panningen” en/of de uitspraak van de Afdeling komt daarom thans geen betekenis meer toe.

Is het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd met eerdere raadsbesluiten?

29. Onder verwijzing naar de besluiten van de gemeenteraad van de voormalige gemeente Helden van 3 maart 1960, voorzien van de nummers 73 en 74, betoogt eiser dat niet mag worden gebouwd op het perceel. Het perceel of in ieder geval een deel daarvan is volgens eiser namelijk geschonken dan wel verkocht onder de voorwaarde dat dit terrein de bestemming van een openbaar park krijgt. Het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuwbouwwoning op het perceel is in strijd met deze raadsbesluiten, aldus eiser.

30. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het raadsbesluit, voorzien van nummer 73, blijkt dat [naam persoon 1] een gedeelte van de bij zijn woning aan de [adres 3] in (destijds) [plaats] behorende tuin ter grootte van ongeveer 20 aren aan de toenmalige gemeente Helden heeft geschonken onder de voorwaarde dat dit terrein de bestemming krijgt van openbaar park. Uit het raadsbesluit, voorzien van nummer 74, blijkt dat [naam persoon 2] een gedeelte van zijn perceel aan de [adres 5] in (destijds) [plaats] ter grootte van ongeveer 55 are heeft verkocht met het oog op het realiseren van dit openbare park. De voorzieningenrechter volgt eiser daarom in zoverre in zijn betoog dat in het verleden gronden zijn geschonken dan wel verkocht om het openbare park te realiseren, waarin ook het perceel is gelegen. Verweerder betwist dit ook niet. Zoals eerder overwogen heeft de gemeenteraad echter (ondanks voornoemd raadsbesluit uit 1960) bij het vaststellen van bestemmingsplan “Dubbelkern Helden-Panningen” in 2013 bepaald dat op het perceel woningbouw is toegestaan. In hoeverre de gemeenteraad bij het vaststellen van dit bestemmingsplan rekening had moeten houden met de (civielrechtelijke) afspraken die gemaakt zijn bij de eventuele schenking of verkoop van gronden, had destijds in de bestemmingsplanprocedure aan de orde kunnen komen. Nu het bestemmingsplan onherroepelijk is, moet ervan uit worden gegaan dat de woonbestemming geldt en eerdere besluiten, afspraken of toezeggingen, wat daarvan ook zij, kunnen niet meer afdoen aan het feit dat deze woonbestemming geldt. De rechtbank ziet niet in dat op basis van besluiten uit een ver verleden, geoordeeld zou moeten worden dat de nu aan de orde zijnde omgevingsvergunning niet op basis van het in 2013 vastgestelde bestemmingsplan verleend had mogen worden. Het beroep van eiser op de in 1960 genomen besluiten en het ter zitting ingenomen betoog van eiser dat niet blijkt dat de raadsbesluiten nietig zijn verklaard, slaagt dan ook niet.

Is het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd met eerdere toezeggingen?

31. Eiser betoogt dat het perceel in 2013 is gesplitst, waarbij ongeveer 1/3e deel is verkocht als tuin aan de bewoner van [adres 6] . Volgens eiser is bij de verkoop door de toenmalige wethouder toegezegd dat het resterende deel park zou blijven.

32. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder niet bestrijdt dat in het verleden een deel van het perceel is verkocht aan de eigenaar van het naastgelegen perceel. Verweerder betwist echter uitdrukkelijk dat door hem c.q. door het toenmalige college van burgemeester en wethouders of door de toenmalige wethouder toezeggingen zijn gedaan waardoor bij eiser de indruk gewekt kon worden dat het perceel nooit zou worden bebouwd. Het ligt daarom op de weg van eiser aan te tonen dat wel dergelijke toezeggingen zijn gedaan. Eiser is hier niet in geslaagd. Hij heeft dit betoog namelijk niet met stukken onderbouwd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet slagen. Los daarvan heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat de verkoop van een deel van het perceel niet betekent dat de (woon)bestemming van het perceel nooit ingevuld kan worden. Na verkoop van het 1/3e deel was volgens verweerder nog een groot genoeg perceel over om op te bouwen. Dat een deel van het kavel werd verkocht om als tuin gebruikt te worden, betekent ook niet dat daar nooit op gebouwd mag worden.

Is de bouw van een woning op het perceel onredelijk bezwarend?

33. Voor zover eiser betoogt dat de bouw van een woning op het perceel onredelijk bezwarend voor omwonenden is en een beeldbepalend historisch park vernietigt, overweegt de voorzieningenrechter dat eiser daarmee in feite de keuze van de raad van verweerders gemeente aan de orde stelt om op grond van het bestemmingsplan “Dubbelkern Helden- Panningen” woningbouw ter plaatse mogelijk te maken. Die afweging kan echter in de procedure omtrent de omgevingsvergunning niet meer worden bestreden; dit had - zoals overwogen - in het kader van een procedure tegen de vaststelling van het bestemmingsplan moeten gebeuren.

Wat is de conclusie?

34. De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwbouwwoning op het perceel heeft mogen verlenen. In 2013 heeft de gemeenteraad een bestemmingsplan vastgesteld waarin aan het perceel een woonbestemming is gegeven. Toen is dus de keuze gemaakt om een deel van het park om te zetten naar een woonbestemming. Dat was het moment geweest waarop eiser had kunnen en moeten reageren. Dat bestemmingsplan kan nu niet meer ter discussie gesteld worden (voor een zogenoemde “exceptieve toets” bestaat in dit geval geen aanleiding). Dit bestemmingsplan geeft de basis voor het verlenen van onderhavige omgevingsvergunning. Omdat de omgevingsvergunning, behalve wat betreft archeologie (maar dat staat niet ter discussie) past binnen dit bestemmingsplan, is er geen reden waarom de vergunning niet verleend had kunnen worden. De omgevingsvergunning is niet in strijd met eerdere rechterlijk uitspraken, noch met raadsbesluiten of eerdere - beweerdelijk gedane - toezeggingen.

35. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. J.W.J. Reuvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 2 maart 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

[…]

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan […], tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

[…].

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts

geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan […]:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan […] opgenomen regels inzake afwijking;

[…].

Bestemmingsplan Dubbelkern Helden-Panningen

Artikel 26.1

De voor “Wonen - 3” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

[…].

Artikel 38.2.1

Op de voor “Waarde - Archeologie 4” aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:

a. het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;

b. het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van minder dan 250 m2.

Artikel 38.3.1

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 38.2.1, ten behoeve van het bouwen en/of vergroten van gebouwen en/of bouwwerken, met dien verstande dat:

a. door de aanvrager een archeologisch rapport dient te worden overlegd op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld;

b. een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer:

1. naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld, waarbij het oordeel van het bevoegd gezag gebaseerd dient te zijn op archeologisch onderzoek en verslaglegging (zowel bureauonderzoek als veldonderzoek) dat is uitgevoerd, vastgelegd en gecontroleerd door deskundigen conform de geldende archeologische beroepsnorm;

2. door het overleggen van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onderzoek blijkt dat de verstoringsdiepte van de bouwactiviteit minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld.