Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:1704

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-02-2021
Datum publicatie
11-03-2022
Zaaknummer
8692265 \ CV EXPL 20-3786
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexiazaak, advisering tussenpersoon, wetenschap Dexia.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8692265 \ CV EXPL 20-3786

Vonnis van de kantonrechter van 24 februari 2021

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonende te Maastricht,

eisende partij,

verder te noemen [eiseres] ,

gemachtigde mr. G. van Dijk,

tegen:

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij,

verder te noemen Dexia,

gemachtigde USG Legal Professionals B.V.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 juli 2020;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek;

- de akte uitlaten producties zijdens [eiseres] .

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Dexia Bank Nederland, Bank Labouchere en Legio Lease. Waar sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder begrepen.

2.2.

[eiseres] is op 26 juni 2000 met Dexia een effectenlease-overeenkomst aangegaan, genaamd ‘Capital Effect’ (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst heeft contractnummer 21686062, een looptijd van 240 maanden en een leasesom van € 76.015,20.

2.3.

De gemachtigde van [eiseres] , Leaseproces, heeft bij brief van 24 juni 2005 vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

2.4.

De overeenkomst is geëindigd op 22 maart 2006. Daarbij is een restschuld ontstaan van € 3.995,55, die [eiseres] grotendeels niet heeft voldaan.

2.5.

[eiseres] heeft door middel van een zogenaamde ‘opt-out verklaring’ aangegeven niet gebonden te willen zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.

2.6.

Namens [eiseres] zijn (stuitings)brieven aan Dexia gezonden in 2005, 2009, 2012, 2015, 2016 en 2017.

3
3. De vordering en het verweer

3.1.

[eiseres] vordert (samengevat) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
2. Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiseres] van al datgene dat [eiseres] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

3. voor recht zal verklaren dat [eiseres] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,

4. Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiseres] ,
5. Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter merkt vooraf op dat [eiseres] op haar verzoek een nadere termijn heeft gekregen om te kunnen reageren op de door Dexia bij conclusie van dupliek overgelegde productie. Voor zover de akte uitlaten producties van [eiseres] meer omvat dan enkel een reactie op de door Dexia bij conclusie van dupliek overgelegde productie, zal dit buiten beschouwing blijven. Het was [eiseres] immers niet toegestaan een nadere ‘schriftelijke’ ronde te entameren.

4.2.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, waaronder [eiseres] .

4.3.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:11363.30). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.4.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [eiseres] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

volmacht
4.5. Dexia betwist allereerst - bij gebreke van een recente volmacht - dat Leaseproces gevolmachtigd is om namens [eiseres] deze procedure op te starten. Zij verzoekt de kantonrechter daarom om Leaseproces te gelasten een recente volmacht te overleggen waaruit de wil blijkt van [eiseres] om Dexia nog immer in rechte te betrekken.

Dit verweer slaagt niet. Door Dexia is niet betwist dat Leaseproces door [eiseres] gevolmachtigd is. Zij wil bewijs dat dit niet veranderd is. Hiervoor is geen grond. Dat in het verleden een enkele keer is voorgekomen dat een cliënt was overleden, betekent niet dat dit ook voor deze zaak geldt. Dexia heeft niet onderbouwd dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat juist [eiseres] haar machtiging heeft ingetrokken of is overleden.


verjaring
4.6. Dexia voert aan dat de vordering van [eiseres] is verjaard. Daartoe merkt Dexia op dat [eiseres] pas een beroep op de beweerde schending van artikel 41 NR 1999 heeft gedaan ruimschoots na verloop van vijf jaar nadat [eiseres] bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, terwijl de verjaring niet is gestuit. In de eerdere brieven, en in het bijzonder in de brieven van 2005, 2009 en 2012 wordt de beweerde schending niet genoemd. Ook de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als gevolg van schending van zorgplichten is volgens Dexia met deze brieven niet gestuit, nu uit deze brieven niet blijkt welke verwijten Dexia worden gemaakt, geen schending van zorgplichten wordt genoemd en geen aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding.

4.7.

Het beroep op verjaring wordt eveneens verworpen. De vordering is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart vijf jaar na het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW). Met de brief van 24 juni 2005 waarin onder meer de onrechtmatige daad wordt genoemd en de daarop volgende brieven heeft [eiseres] de verjaring van deze vordering op Dexia gestuit.


tussenpersoon
4.8. In de arresten van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2016:2015) heeft de Hoge Raad geoordeeld, kort weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Als de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet alleen heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden, handelt zij in strijd met artikel 41 NR 1999. Indien Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier tevens adviseerde, dan levert dit een (extra) onrechtmatigheidsgrond jegens de afnemer van het effectenproduct op. Gelet op de uiteenlopende ernst van de wederzijds gemaakte fouten, eist de billijkheid in dat geval in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer vormden.

4.9.

[eiseres] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via tussenpersoon Spaar Select. Tussen partijen is niet in geschil dat Spaar Select niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. Beoordeeld moet daarom worden of Spaar Select beleggingsadvieswerkzaamheden verrichtte en of Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn.

Partijen zijn het erover eens dat van advisering sprake is indien een aanprijzing wordt toegesneden op de persoonlijke financiële situatie en/of als een product (in dit geval een effectenleaseovereenkomst) als vanwege diens financiële situatie geschikt voor de betrokken persoon wordt aanbevolen. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon haar in voormelde zin heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiseres] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiseres] .

4.10.

[eiseres] stelt hierover het volgende:

[eiseres] kwam in 1998 in contact met Spaar Select via een collega. Er werd een afspraak gemaakt met een adviseur van Spaar Select, de heer [naam adviseur 1] . Tijdens dit huisbezoek werd [eiseres] geadviseerd om drie Altijd Doen Plan producten van Dexia af te sluiten. [eiseres] heeft dit advies opgevolgd en heeft drie Altijd Doen Plan producten afgesloten. Deze overeenkomsten zijn niet in het geding gebracht nu [eiseres] daar geen schade op heeft geleden.

In 2000 werd [eiseres] opnieuw telefonisch benaderd door Spaar Select. Er werd wederom een afspraak gemaakt voor een huisbezoek met adviseur [naam adviseur 1] om de financiële situatie en wensen van [eiseres] te bespreken. De partner van [eiseres] was ook aanwezig bij de gesprekken.

Tijdens het huisbezoek kwam naar voren dat [eiseres] een erfenis van haar overleden moeder had ontvangen. [eiseres] gaf aan dat de erfenis bestemd was om haar pensioen aan te vullen. Adviseur [naam adviseur 1] adviseerde [eiseres] de erfenis niet op een spaarrekening te laten staan, maar de erfenis op een aparte bankrekening te zetten en vanuit deze bankrekening maandelijks f 700,00 te investeren in het Capital Effect product van Dexia. [eiseres] zou op deze wijze meer rendement behalen dan wanneer ze de erfenis op de spaarrekening zou laten staan.

Het was volgens adviseur [naam adviseur 1] fiscaal aantrekkelijker om maandelijks in te leggen in het Capital Effect. Op een kladblaadje liet de adviseur zien hoeveel vermogen opgebouwd zou kunnen worden. Na twintig jaar zou het Capital Effect product een zodanige uitbetaling opleveren dat [eiseres] haar pensioen daarmee kon aanvullen en wellicht zelfs twee jaar eerder kon stoppen met werken, aldus de adviseur. De adviseur baseerde zich naar zijn zeggen op resultaten uit het verleden die andere cliënten hadden behaald. Omdat het een erfenis betrof vroeg [eiseres] naar de risico’s. Zij wilde geen risico lopen. De adviseur garandeerde dat de investering altijd terug zou komen en bood aan dat op papier te zetten (dat echter nooit is gebeurd). Het aanvraagformulier werd ingevuld en de aanvraag werd in gang gezet.

Enige tijd later kwam er een andere adviseur van Spaar Select, [naam adviseur 2] , aan de deur met de overeenkomst. Adviseur [naam adviseur 2] gaf aan dat hij het had overgenomen van adviseur [naam adviseur 1] . Nadat adviseur [naam adviseur 2] nogmaals benadrukt had dat dit het juiste advies was voor het pensioen van [eiseres] , heeft [eiseres] besloten de overeenkomst te tekenen. De ongehuwde partner van [eiseres] tekende ook mee, nu dat volgens adviseur [naam adviseur 2] nodig was.

De adviseurs hebben [eiseres] nimmer geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo hebben ze er niet op gewezen dat er belegd ging worden met geleend geld en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van het effectenleasecontract.

4.11.

[eiseres] heeft haar stellingen onderbouwd met de volgende stukken:
- het bewijs van nalatenschap;

- het aanvraagformulier;

- de overeenkomst met daarop voorgedrukt “Adviseur: (…) Spaar Select B.V.”;
- een brief d.d. 26 juni 2000 waarin Dexia voor overige vragen verwijst naar “uw financieel adviseur”;

- een brief d.d. 7 juli 2000 waarin Dexia de ontvangst van de ondertekende overeenkomst bevestigt en [eiseres] bedankt voor het gestelde vertrouwen in “zowel uw financieel adviseur als in Bank Labouchere”.

4.12.

[eiseres] stelt voorts dat Dexia een vaste, uitgekiende, methode had om mensen te bewegen een effectenleasecontract af te sluiten en dat hierbij altijd sprake was van advisering. [eiseres] onderbouwt deze stelling met de volgende stukken:
- de toenmalige website van Spaar Select waar onder meer vermeld stond: “(…) Spaar Select werkt volgens het concept van Persoonlijke Financiële Planning. (…) Allereerst maakt de accountmanager een inventarisatie van uw huidige situatie. Vervolgens kijkt hij naar uw wensen. U kunt hierbij denken aan (…) aanvullend pensioen (…) Aan de hand van de inventarisatie (…) maakt de accountmanager een Persoonlijk Financieel Plan. Hierin omschrijft hij hoe u door de combinatie van verschillende spaarvormen van diverse banken en maatschappijen uw wensen kunt realiseren tegen zo laag mogelijke kosten. (…) Spaar Select is uitgegroeid tot een gerenommeerd financieel adviesbureau (…)”, (productie 1 van [eiseres] );

- de schriftelijke verklaring van [naam directeur] , van 1993 tot 2002 directeur van Spaar Select:“(…) de grootste omzetcomponent van Spaar Select was de verkoop van effectenleaseproducten die door (…) Dexia op de markt werden gebracht. (…) Tussen Spaar Select en (…) Dexia bestond intensief contact. Ons aanspreekpunt was de heer [naam 1] , die ons wekelijks bezocht en op de hoogte was van de werkwijze van Spaar Select. (…) Spaar Select maakte bij haar verkoopactiviteiten gebruik van brochures van Bank Labouchere c.q. Dexia en ook van eigen brochures, die echter altijd vooraf door Bank Labouchere c.q. Dexia werden goedgekeurd. (…) Spaar Select werd in de contracten omschreven als adviseur en de medewerkers van Spaar Select presenteerden zich ook als zodanig.(…)”, (Productie 5 van [eiseres] );

- de schriftelijke verklaring van [naam 2] van 13 augustus 2014, inhoudend:

“(…) 1. Van april 1998 tot eind 2002 ben ik werkzaam geweest bij Spaar Select Twente B.V., een franchiseonderneming van Spaar Select B.V. (…)

4. Spaar Select kende een strakke structuur. Het hoofdkantoor bepaalde het beleid tot in de puntjes. Het hoofdkantoor bepaalde: (…)

- de werkwijze van Spaar Select, zoals de wijze waarop de adviseurs de producten moesten aanbieden;(…)

5. Er bestond geen vrijheid om van de van bovenaf opgelegde regels af te wijken. Het hoofdkantoor wenste dat alle vestigingen op exact dezelfde wijze werkten.

6. De werkwijze van Spaar Select bestond erin eruit dat adviseurs van Spaar Select (de accountmanagers) in persoonlijke gesprekken met klanten specifieke adviezen gaven over af te nemen producten. Er was steeds direct persoonlijk contact.

7. De adviesgesprekken vonden meestal plaats bij de mensen thuis (…). In deze gesprekken presenteerden de accountmanagers zich als financieel adviseur. (…) In het eerste gesprek werd bij de klant geïnformeerd naar zijn persoonlijke situatie, in het bijzonder zijn financiële situatie en de wensen van de klant. Vervolgens werd een advies opgesteld, waarin de adviseur aangaf op welke wijze hij de wensen van de klant kon realiseren. In dit advies werden concrete financiële producten geadviseerd (zoals een specifiek aandelenleasecontract of (…)). Met de geadviseerde producten kon volgens de adviseur het beoogde (financiële) doel worden gehaald. Als de klant het advies (…) wenste op te volgen, werden de contracten aangevraagd en werd het papierwerk geregeld (…).

8. De adviesgesprekken vonden plaats volgens een vaste, door het hoofdkantoor opgelegde verkoopmethode. Deze methode heette SPEND. SPEND staat voor:

- Situatie

- Probleem

- Effect

- Noodzaak om het probleem op te lossen

- Doen beslissen

9. SPEND schreef precies voor hoe een adviesgesprek behoorde te verlopen.(..)

10. Nieuwe adviseurs kregen, alvorens zij aan de slag gingen, een opleiding op het hoofdkantoor van drie tot vier weken. Tijdens deze opleiding werden de adviseurs bekend gemaakt met de producten die Spaar Select verkocht en (vooral) met de werkwijze waarop deze producten werden verkocht (…) Precies zoals tijdens de cursus werd geleerd, dienden de adviseurs de adviesgesprekken in te richten. (…)

12. De verkoop van aandelenleaseproducten was een belangrijk speerpunt van Spaar Select. Het grootste gedeelte van de geadviseerde en verkochte producten, betrof aandelenleaseproducten van (…) Dexia. (…) Het kwam vaak voor dat de combinatie aandelenleaseproduct en een extra hypotheek werd geadviseerd. De storting in het aandelenleaseproduct werd dan betaald uit de extra opgenomen hypotheek. Het betrof dan vaak een vooruitbetaling van enkele jaren. (…)

13. Negatieve koersontwikkelingen (het dalen van de aandelenkoersen) werden door de adviseurs niet voorgespiegeld.(…) Spaar Select rekende in haar adviezen met en koersstijging van 12,5% als uitgangspunt. Deze koersstijging werd dan als conservatief gepresenteerd. Dit versterkte bij de klanten het gevoel van veiligheid. Aan de klanten werd niet verteld wat de gevolgen waren als de koersen zouden dalen (het verliezen van de gehele inleg en het betalen van een restschuld als het product na 5 jaar werd beëindigd).

14. De aandelenleaseproducten werden onder meer geadviseerd om eerder te kunnen stoppen met werken, als pensioenvoorziening en om te sparen voor de studie van de kinderen.

(…)” (productie 7 van [eiseres] ).

4.13.

Dexia heeft het betoog van [eiseres] ten aanzien van de totstandkoming van de overeenkomst bestreden. Zij wijst erop dat [eiseres] haar stellingen niet (voldoende) heeft onderbouwd met relevante stukken. Dexia betwist daarom dat [eiseres] een op haar persoon toegesneden financieel advies heeft ontvangen. Dit verweer slaagt niet. Nu Dexia niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft betwist dat een huisbezoek heeft plaatsgevonden, heeft [eiseres] met de overgelegde stukken haar stellingen voldoende onderbouwd. Gelet op de gemotiveerde uiteenzetting van [eiseres] over hoe zij in contact is gekomen met de adviseur van Spaar Select, en hoe het gesprek is verlopen, had het op de weg gelegen van Dexia om concreet uiteen te zetten wat er niet juist is aan het relaas van [eiseres] . Dat heeft zij niet gedaan. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van wat [eiseres] stelt ten aanzien van wat zij met de adviseur heeft besproken.

Dit tegen de achtergrond van de werkwijze van Spaar Select en wetenschap van Dexia, zoals hierna genoemd.

4.14.

[eiseres] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat Spaar Select een op haar persoon toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit.
In diverse uitspraken van verschillende rechtbank is overwogen en beslist dat in zijn algemeenheid uit de door Leaseproces in vele procedures (waaronder deze) overgelegde stukken het beeld naar voren komt, dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat Spaar Select op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. De rechtbank betrekt hierbij ook het oordeel van het Gerechtshof Den Haag, neergelegd in het arrest van 12 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2530, waarin is geoordeeld over de wetenschap destijds van Dexia, haar gerichtheid op het op grote schaal door tussenpersonen adviseren over effectenleaseproducten, ook door cliëntenremisiers, de wetenschap van Dexia van de op stelselmatig adviseren gerichte werkwijze van Spaar Select en het belang van Spaar Select als tussenpersoon. Er bestaat geen aanleiding om in de huidige procedure omtrent deze stukken een ander oordeel te geven.

4.15.

Hoewel het voorgaande betrekking heeft op de algemene gang van zaken bij de verkoop en bemiddeling van beleggingsproducten via en door tussenpersonen en daaruit niet blijkt dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan [eiseres] , komt uit deze stukken wel naar voren dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat Spaar Select op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. Het had daarom op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van leaseovereenkomsten via Spaar Select, zoals in dit geval de overeenkomst met [eiseres] , navraag te doen bij Spaar Select of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van Spaar Select, teneinde te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [eiseres] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [eiseres] door Spaar Select is geadviseerd.


aansprakelijkheid
4.16. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiseres] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens haar onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiseres] omstandigheden toerekenbaar die tot haar schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie de eerdergenoemde arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7). Deze lijn is nadien bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

4.17.

De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld doordat Dexia niet heeft geweigerd de overeenkomst met [eiseres] aan te gaan, terwijl [eiseres] als potentiële cliënt bij Dexia was aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn.

4.18.

De als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade, bestaande uit de door [eiseres] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus dividenduitkeringen) en betaalde restschuld dient Dexia te vergoeden. De gevorderde wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim is geraakt, zijnde de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte van de schade. [eiseres] heeft geen concreet bedrag ter zake van de schade gesteld. Dit moet echter inmiddels door partijen te begroten zijn.
Ook moet rekening gehouden worden met het fiscale voordeel dat door [eiseres] is genoten. Partijen zijn het er over eens dat dit voordeel € 2.028,94 bedraagt.
Dit deel van de vordering zal derhalve worden toegewezen als na te melden.

4.19.

Uit het voorgaande volgt tevens dat [eiseres] de openstaande restschuld niet is verschuldigd, zodat de gevorderde verklaring voor recht die daarop ziet toewijsbaar is.


buitengerechtelijke kosten
4.20. [eiseres] heeft vergoeding gevorderd van buitengerechtelijke kosten. De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, over deze kwestie uitgesproken. In het arrest is geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen.
In de procedure van partijen zijn dezelfde buitengerechtelijke werkzaamheden gesteld als die, welke in het arrest aan de orde waren, namelijk het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken (zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven), het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van de belegger en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van de belegger te kunnen bepalen, zodat ook in dit geval geen aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

uitvoerbaar bij voorraad
4.21. [eiseres] vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dexia voert verweer hiertegen en verzoekt een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarbij wijst Dexia er op dat deze vordering onderdeel is van het grote aantal procedures. De financieel nadelige gevolgen voor Dexia bij een (massale) uitvoerbaar bij voorraad verklaring van betalingsveroordelingen staan niet in verhouding tot het relatieve ongemak van [eiseres] om wat langer te moeten wachten op betalingen, te meer omdat [eiseres] zelf al vele jaren gewacht heeft voordat de procedure is begonnen. Ook is er een restitutierisico, aldus Dexia.
heeft op dit verweer niet inhoudelijk gereageerd. Volgens vaste jurisprudentie kan aangenomen worden, dat degene, die een veroordeling tot betaling van een geldsom vordert, het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft (HR 27 februari 1998, NJ 1998/512), terwijl een daartegenover gesteld restitutierisico geconcretiseerd moet worden (HR 17 juni 1994, NJ 1994/591). Dat de executie mogelijk tot ingrijpende gevolgen leidt, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar is slechts een omstandigheid die meegewogen moet worden (HR 28 mei 1993, NJ 1993/468). Dexia heeft niet onderbouwd dat en waarom uitvoerbaar bij voorraadverklaring voor haar zal leiden tot financieel nadelige gevolgen. Het gestelde restitutierisico is niet geconcretiseerd voor wat betreft de situatie van [eiseres] . Het belang van Dexia weegt niet zwaarder dan het belang van [eiseres] , zodat de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring toegewezen zal worden.

proceskosten

4.22.

Nu Dexia grotendeels in het ongelijk gesteld wordt zal zij worden veroordeeld in de proceskosten. De nakosten zullen, zoals gevorderd, worden vastgesteld op € 100,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door haar als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select [eiseres] niet alleen als klant aanbracht maar haar tevens persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat,

5.2.

verklaart voor recht dat [eiseres] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,

5.3.

veroordeelt Dexia om aan [eiseres] te betalen de door haar geleden schade, bestaande uit de door haar betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus dividenduitkeringen en het fiscale voordeel ad € 2.028,94) en de betaalde restschuld, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf het moment waarop een desbetreffend gedeelte van de betaling daadwerkelijk is voldaan tot de dag van algehele voldoening,

5.4.

veroordeelt Dexia in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiseres] tot op heden vastgesteld op:

a. kosten dagvaarding € 100,89

b. griffierecht € 499,00

c. salaris gemachtigde € 480,00

€ 1.079,89

5.5.

veroordeelt Dexia in de nakosten ten bedrage van € 100,00,

5.6.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. R.A.J. van Leeuwen.

type: ksf

coll: