Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:1605

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-02-2021
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
AWB 20/3536
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van acht zelfstandige wooneenheden in een gemeentelijk monument in Maastricht. Het realiseren van deze wooneenheden is niet in strijd met het Bouwbesluit. Wel is het in strijd met het ter plaatse geldende (facet)bestemmingsplan dat gestapelde woningen en woningsplitsing niet toestaat. Verweerder heeft echter met toepassing van de Kruimelgevallenregeling een omgevingsvergunning mogen verlenen om af te wijken van het (facet)bestemmingsplan. Hij heeft zich in dit verband op het standpunt mogen stellen dat het realiseren van de wooneenheden niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Anders dan verzoekers stellen, is een beoordeling van de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit niet vereist. Ook heeft verweerder een omgevingsvergunning mogen verlenen voor het wijzigen van het monument. Verweerder heeft bij het verlenen daarvan doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan het advies van de welstand-/monumentencommissie. Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/3536

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , verzoeker

[naam 2] , verzoekster en

(hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers)

(gemachtigden: ir. N.H.G. Bisscheroux en P.M.N. Defauwes),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigden: M.M.E. Carta en mr. C.M.J.J. Erdkamp).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam vergunninghouder] (hierna: de vergunninghouder)

(gemachtigde: mr. T. Delmée).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2020 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning aan de vergunninghouder verleend voor het realiseren van

acht zelfstandige wooneenheden aan de [adres A en B] (hierna: het pand).

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen; hiervan is gebruik gemaakt.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

De vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021. Verzoekers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De vergunninghouder is vertegenwoordigd door [naam 3] en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Waar gaat deze zaak over?

2. Het gaat in deze zaak om het besluit van verweerder om aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van acht zelfstandige wooneenheden in het pand. Verzoekers zijn het daar niet mee eens. Verweerder heeft zich volgens hen ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verzoekers zijn namelijk van mening dat hun woongenot en het woonmilieu ter plaatse ernstig worden aangetast door het bouwplan. Ook wordt de monumentale waarde van het pand ernstig aangetast. In deze procedure gaat het vooral om de vraag of de verleende omgevingsvergunning geschorst moet worden tot verweerder heeft beslist op het door verzoekers gemaakte bezwaar tegen de omgevingsvergunning, zoals verzoekers graag zien.

Wat ging aan dit verzoek vooraf?

3. Verzoekers zijn de eigenaren van de woning aan de [adres 2] . De vergunninghouder heeft op 23 maart 2020 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend die betrekking heeft op het belendende pand aan de [adres A en B] . Dit gebouw is een gemeentelijk monument. Ter plaatse geldt - voor zover hier van belang - het bestemmingsplan Maastricht West, vastgesteld op 18 september 2012 (hierna: het bestemmingplan) en het facetbestemmingsplan Woningsplitsing en Woningomzetting, vastgesteld op 28 mei 2019 (hierna: het facetbestemmingsplan). Op de gronden waarop het pand is gelegen rust de enkelbestemming “Wonen” en de dubbelbestemming “Waarde - Maastrichts Erfgoed”.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van acht zelfstandige wooneenheden in het pand. Deze omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteiten het (ver)bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, hierna: de Wabo), het wijzigen/herstellen van een beschermd monument dan wel het slopen van een beschermd monument (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f of artikel 2.2., eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo) en het handelen in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo). Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit.

Is voldaan aan de vereisten om een voorlopige voorziening te treffen?

5. De voorzieningenrechter kan een voorziening treffen, indien is voldaan aan de vereisten die in artikel 8:81 van de Awb staan vermeld. Dit artikel bepaalt dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu verzoekers een bezwaarschrift hebben ingediend tegen het besluit ten aanzien waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

7. Wat betreft de vraag of het spoedeisend belang bij het onderhavige verzoek genoegzaam is aangetoond, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De vergunninghouder heeft ter zitting aangegeven dat de verbouwing van het pand in zelfstandige wooneenheden vergevorderd is en dat hij van plan is deze wooneenheden vanaf begin april 2021 te verhuren. Verzoekers proberen met hun verzoek te voorkomen dat het pand door de verbouwing daarvan onomkeerbaar wordt veranderd, maar ook - gelet op hun betoog dat hun woongenot en het woonmilieu ter plaatse ernstig wordt aangetast - dat het pand na verbouwing daarvan in gebruik zal worden genomen voor bewoning door studenten of meer dan twee gezinnen, zoals tot voor kort het geval was. Daarmee is het spoedeisend belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven.

8. Hetgeen onder 6. en 7. is overwogen, brengt met zich dat de voorzieningenrechter overgaat tot het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit. In dit verband moet de voorzieningenrechter toetsen of verweerder de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen aan de vergunninghouder.

Wat is het juridisch kader waaraan de voorzieningenrechter het bestreden besluit toetst?

9. De voorzieningenrechter toetst het bestreden besluit aan de Wabo, het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), het bestemmingsplan en het facetbestemmingsplan. De relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

10. De vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van zelfstandige wooneenheden in het pand. Dat is - onder meer - een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. De aangevraagde vergunning kan slechts worden geweigerd, indien sprake is van één van de criteria opgesomd in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Doet geen van deze weigeringsgronden zich voor, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend (het limitatief-imperatieve stelsel).

Is de bouwactiviteit in strijd met het Bouwbesluit?

11. Ter zitting hebben verzoekers betoogd dat uit de bouwtekeningen blijkt dat de toiletten bovenop een bouwmuur worden gebouwd en dat dit - zo begrijpt de voorzieningenrechter - op grond van het Bouwbesluit niet is toegestaan om geluidsoverlast te voorkomen/beperken. In dit verband hebben verzoeker verwezen naar hetgeen daarover is opgenomen in het advies van de welstand-/monumentencommissie: dat vanwege de inpassing van een natte cel per woning de hiervoor in te brengen leidingen een belangrijk aandachtspunt vormen.

11.1.

Voor zover verzoekers met hun stelling betogen dat de bouwactiviteit in strijd is met het Bouwbesluit en dat zich - om die reden - de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo voordoet, slaagt dit betoog niet. Verweerder heeft zich in dit opzicht terecht op het standpunt gesteld dat in beginsel doorslaggevende betekenis toegekend mag worden aan het advies van de bouwcommissie, tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanig gebreken vertoont dat het bestuursorgaan dit niet - of niet zonder meer - aan zijn conclusie omtrent het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning ten grondslag heeft mogen leggen. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het advies in strijd is met de criteria die in het Bouwbesluit staan vermeld. Verzoekers hebben geen advies overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie waaruit blijkt dat het advies van de bouwcommissie in strijd is met de criteria die in het Bouwbesluit staan vermeld. Evenmin is gebleken dat het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan dit niet - of niet zonder meer - aan zijn conclusie omtrent de monumentenzorg ten grondslag heeft mogen leggen. Het eerst ter zitting ingenomen niet onderbouwde standpunt van verzoekers, maakt niet dat aan het advies van de bouwcommissie geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

Heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, aanhef en onder a, onder 2° van de Wabo mogen afwijken van het bestemmingsplan?

12. Verzoekers betogen dat verweerder het bouwplan aan het verkeerde bestemmingsplan heeft getoetst. In het bestreden besluit is namelijk vermeld dat verweerder het bouwplan aan het bestemmingsplan “Maastricht Centrum” heeft getoetst, terwijl ter plaatse het bestemmingsplan “Maastricht West” geldt.

12.1.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat in het bestreden besluit abusievelijk is opgenomen dat het bouwplan aan het bestemmingsplan “Maastricht Centrum” is getoetst in plaats van aan het bestemmingsplan “Maastricht West”. Het bouwplan is volgens verweerder - onbestreden - getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Maastricht West” en de daarin opgenomen bestemmingsplanregels. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan deze ter zitting gedane mededeling te twijfelen.

13. Niet in geschil is dat de bouwactiviteit in strijd is met het bestemmingsplan en het facetbestemmingsplan. Uit de zich in het dossier bevindende bouwtekeningen blijkt dat het pand, dat op dit moment bestaat uit twee zelfstandige wooneenheden, wordt verbouwd in acht zelfstandige gestapelde wooneenheden. Gestapelde woningen zijn ter plaatse niet toegestaan en ook woningsplitsing is op basis van beide bestemmingsplannen niet toegestaan. Dit betekent dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo zich voordoet.

13.1.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo - het handelen in strijd met het bestemmingsplan - slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het is mogelijk om van het bestemmingsplan af te wijken als het bestemmingsplan daarvoor regels biedt (de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid; artikel 2.12, aanhef en onder a, onder 1⁰), maar ook als dit niet het geval is (de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid; in dit geval artikel 2.12, aanhef en onder a, onder 2⁰).

13.2.

De beslissing om al dan niet af te wijken van het bestemmingsplan is een discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan heeft daarbij beleidsruimte: de vrijheid om binnen de juridische kaders voor deze situatie een eigen belangenafweging te maken. Vanwege deze beslissingsruimte mag de voorzieningenrechter het besluit slechts terughoudend toetsen, in die zin dat de voorzieningenrechter beoordeelt of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Daarbij toetst de voorzieningenrechter of het genomen besluit in overeenstemming is met het recht, berust op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen en een deugdelijke afweging van de betrokken belangen, deugdelijk is gemotiveerd en geen onevenredige gevolgen heeft voor verzoekers in verhouding met de tot het besluit te dienen doelen. Of de voorzieningenrechter zelf ook tot de gemaakte keuze zou komen, is daarbij niet doorslaggevend omdat de voorzieningenrechter de beslissingsruimte van het bestuursorgaan moet respecteren.

13.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestemmingsplan en het facetbestemmingsplan geen regels bieden om af te wijken van het bestemmingsplan. Binnenplans afwijken is dus niet mogelijk. Verweerder heeft aangegeven dat hij buitenplans, met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van Bijlage II bij het Bor, van het bestemmingsplan kan afwijken.

13.4.

Verzoekers betogen dat verweerder niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van Bijlage II bij het Bor heeft mogen afwijken van het bestemmingsplan. Op grond van deze artikelen kan namelijk een omgevingsvergunning worden verleend voor het gebruiken van bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, indien het bouwvolume niet wordt vergroot. Het bouwvolume van het pand wordt volgens verzoekers echter uitgebreid door het bouwen van een dakkapel op het dakvlak van het achterhuis van het pand.

13.5.

De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat hij met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van Bijlage II bij het Bor kan afwijken van het met het bestemmingsplan en facetbestemmingsplan strijdige gebruik. Het betoog van verzoekers dat door het plaatsen van de dakkapel op het dakvlak van het achterhuis het bouwvolume wordt vergroot, leidt niet tot een ander oordeel. De strijdigheid met het bestemmingsplan heeft immers alleen betrekking op de woningsplitsing en het bouwen van gestapelde woningen en niet op het bouwen van de dakkapel. De zinsnede “eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten” heeft alleen betrekking op bouwactiviteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan.1 Verweerder heeft gesteld dat het bouwen van de dakkapel niet in strijd is met het bestemmingsplan. Eerst ter zitting hebben verzoekers aangevoerd dat uit het bouwplan blijkt dat de dakvoet van het dak van het achterhuis wordt verhoogd en dat dit betekent dat geen dakkapel op het dak van het achterhuis wordt gebouwd, maar dat een verdieping aan het achterhuis wordt toegevoegd. De voorzieningenrechter volgt deze stelling niet. Hiertoe overweegt zij dat de bouwtekening waarop verzoekers deze stelling baseren, niet als bijlage bij de verleende omgevingsvergunning is gevoegd en in zoverre dus geen juridische betekenis heeft. Uit de bouwtekeningen die wel als bijlage bij deze omgevingsvergunning zijn gevoegd en daarmee onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning, blijkt niet van een verhoging van de dakvoet. Verweerder en de vergunninghouder hebben ter zitting ook uitdrukkelijk bestreden dat dit de bedoeling is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen. Nu de dakkapel niet in strijd is met het bestemmingsplan, was het voor verweerder mogelijk om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van Bijlage II bij het Bor, een omgevingsvergunning in afwijking van het (facet)bestemmingsplan te verlenen, voor zover het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening?


Bewoners/aantal huishoudens

14. Verzoekers betogen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het bezwaarschrift hebben verzoekers in dit verband aangevoerd dat zij vrezen dat de te bouwen acht zelfstandige wooneenheden gebruikt zullen worden voor de huisvesting van studenten en dat dit - kort gezegd - een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse tot gevolg heeft. Ter zitting hebben verzoekers in dit verband aangevoerd dat het pand veel intensiever wordt gebruikt na het verbouwen daarvan in acht zelfstandige wooneenheden waarin (in totaal) 16 personen kunnen worden gehuisvest dan wanneer het pand wordt gebruikt door twee gezinnen, zoals tot voor kort het geval was. Verzoekers vrezen dat het intensievere gebruik van het pand onder meer leidt tot een toename van de geluidsoverlast en het verslechteren van de parkeermogelijkheden.

14.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in het bestreden besluit is vermeld dat een omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van acht zelfstandige wooneenheden in het pand voor starters/jongvolwassenen (één- en tweepersoonshuishoudens). Zij volgt verzoekers om die reden in zoverre in hun betoog dat de omgevingsvergunning de mogelijkheid biedt om studenten dan wel in totaal 16 personen in het pand te huisvesten. De vergunninghouder heeft ter zitting echter aangegeven dat hij de acht zelfstandige wooneenheden niet aan studenten wil verhuren én - vanwege de beperkte oppervlaktes daarvan - deze slechts wil verhuren aan éénpersoonshuishoudens. Dit betekent dat in totaal acht personen in het pand worden gehuisvest en dat het pand door acht personen wordt gebruikt. De vergunninghouder verzet zich er niet tegen dat aan de verleende omgevingsvergunning de voorschriften worden verbonden dat de zelfstandige wooneenheden niet aan studenten worden verhuurd én dat iedere zelfstandige wooneenheid slechts aan een éénpersoonshuishouden wordt verhuurd. Ook verweerder heeft ter zitting aangegeven daarmee te kunnen instemmen. Gezien het voorgaande gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat verweerder (in het nog te nemen besluit op bezwaar) aan de omgevingsvergunning de voorschriften verbindt dat de zelfstandige wooneenheden niet aan studenten worden verhuurd én dat iedere zelfstandige wooneenheid slechts aan een éénpersoonshuishouden wordt verhuurd. Om die reden gaat de voorzieningenrechter er bij de beoordeling van de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanuit dat het pand door acht personen, niet zijnde studenten, wordt gebruikt.


Woon- en leefklimaat

14.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat de omgevingsvergunning - zoals eerder overwogen - betrekking heeft op het gebruik van bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan voor gestapeld wonen en het splitsen van de woning in acht zelfstandige wooneenheden. Dit betekent dat de ruimtelijke gevolgen van het gebruik en de objectief redelijkerwijs daarvan te verwachten overlast, zoals bijvoorbeeld de parkeerbehoefte, van belang zijn. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het gebruik van het pand intensiever is dan wanneer het pand niet in zelfstandige wooneenheden gesplitst zou worden. De voorzieningenrechter kan verweerder echter volgen dat het intensievere gebruik van het pand dat het gevolg is van de woningsplitsing, niet zodanig is dat sprake is van een onevenredig zware inbreuk op het woon- en leefklimaat van verzoekers. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het pand is gelegen in een stedelijk woonmilieu en dat op de gronden waarop het pand is gelegen de bestemming “Wonen” rust. Verder heeft verweerder er in dit verband op mogen wijzen dat maatregelen worden getroffen ter verhoging van de geluidwerendheid tussen enerzijds de afzonderlijke zelfstandige wooneenheden en anderzijds deze wooneenheden en de belendende panden, waaronder het pand van verzoekers.


Parkeerdruk

14.3.

Wat betreft het betoog van verzoekers dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege de verhoging van de parkeerdruk en de verslechtering van de - al zeer beperkte - parkeermogelijkheden voor de huidige bewoners die het bouwplan met zich brengt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

14.4.

Het plan is gelegen in het facetbestemmingsplan Parkeren, vastgesteld op

29 mei 2018 (hierna: het facetbestemmingsplan parkeren). Artikel 3.1 van het facetbestemmingsplan parkeren bepaalt dat de in het plangebied aanwezige gronden slechts worden bebouwd en/of in gebruik worden genomen en/of het gebruik van deze gronden enkel mag worden gewijzigd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en/of in stand gehouden. Artikel 3.2 van het facetbestemmingsplan parkeren bepaalt dat sprake is van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan het parkeer(normen)beleid van het college van burgemeester en wethouders, getiteld “Parkeernormen Maastricht 2017”, zoals laatstelijk gewijzigd d.d. 11 juli 2017, met inbegrip van de daarin opgenomen afwijkingsmogelijkheden. Indien het parkeer(normen)beleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, is sprake van voldoende parkeergelegenheid wanneer aan dit gewijzigde beleid wordt voldaan. De voorzieningenrechter kan verweerder volgen dat het bouwplan zorgt voor een toename van de parkeerbehoefte van twee parkeerplaatsen. Hiertoe overweegt zij als volgt. Bij de berekening van de toename van de parkeerbehoefte is verweerder er vanuit gegaan dat het pand in zone B ligt. In het pand bevonden zich, voor de verbouwing daarvan, twee wooneenheden met een woonoppervlakte van meer dan 110 m2. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per wooneenheid, zodat de bestaande parkeerbehoefte (2 x 1,6 = 3,2) afgerond drie parkeerplaatsen is. In het pand worden acht zelfstandige wooneenheden met een woonoppervlakte van minder dan 60 m2 gerealiseerd. Voor deze wooneenheden geldt een parkeernorm van 0,6 parkeerplaats per wooneenheid, zodat de parkeerbehoefte (8 x 0,6 = 4,8) afgerond vijf parkeerplaatsen is na het verbouwen van het pand. Het bouwplan leidt dus tot een toename van de parkeerbehoefte van twee parkeerplaatsen. Het ter zitting ingenomen standpunt van verzoekers dat bij het vaststellen van de parkeerbehoefte geen rekening is gehouden met de bezoekers van de te realiseren zelfstandige wooneenheden in het pand, slaagt niet naar het oordeel van de voorzieningenrechter. Verweerder heeft ter zitting immers - onbestreden - gesteld dat de bezoekersnorm in de vastgestelde parkeernorm is verdisconteerd. Ook kan de voorzieningenrechter verweerder volgen in zijn standpunt dat de bouwverordening van de gemeente Maastricht de mogelijkheid biedt vrijstelling te verlenen voor de parkeereis, indien de aanleg of uitbreiding van parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is. Aan dit vereiste wordt voldaan als de gemeente op zich neemt zorg te dragen voor de benodigde parkeercapaciteit. De daarmee gemoeide kosten worden gefinancierd uit het Parkeerfonds. Dit houdt in dat in de omgevingsvergunning in relatie tot de hiervoor bedoelde vrijstelling de voorwaarde wordt opgenomen dat een bedrag van
€ 2.722,68 per parkeerplaats in het gemeentelijk Parkeerfonds dient te worden gestort. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder aan de omgevingsvergunning - onder meer - het voorschrift heeft verbonden dat gebleken is dat er voor twee parkeerplaatsen in het gemeentelijke Parkeerfonds een storting van € 5.445,36 dient plaats te vinden. Deze storting heeft inmiddels plaatsgevonden, aldus de vergunninghouder ter zitting. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de parkeerdruk door het bouwplan weliswaar wordt verhoogd, maar dat dit niet betekent dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.


Hoog bewonersverloop

14.5.

Onder verwijzing naar het rapport van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie van november 2019 “Staat van de woningmarkt 2019” betogen verzoekers nog dat het verloop onder de bewoners hoog zal zijn, omdat de gemiddelde “starter op de huurmarkt” snel zal willen doorgroeien naar een grotere woning. Verzoekers vrezen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse ernstig wordt aangetast door dit grote verloop en dat de woningen in de buurt in waarde dalen.

14.6.

Voor zover verzoekers hiermee betogen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, slaagt dit betoog niet naar het oordeel van de voorzieningenrechter. Of, en zo ja, in welke mate sprake zal zijn van een hoog verloop onder bewoners is een onzekere, toekomstige gebeurtenis. Ook is het - in het verlengde daarvan - maar de vraag of dit gestelde hoge verloop onder bewoners de door verzoekers gestelde verslechtering van hun woon- en leefklimaat en de waardedaling van hun woning tot gevolg heeft.

14.7.

Gelet op het voorgaande staan ruimtelijke motieven dan ook niet in de weg aan vergunningverlening en heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Is op grond van artikel 2.8 van het Bor een beoordeling van de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit vereist?

15. Verzoekers betogen dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.8 van het Bor een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer is vereist. Verweerder is hier niet toe overgegaan.

15.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 2.8 van het Bor uitvoering geeft aan artikel 5.16, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm). Op grond van dat artikel is bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken - zoals in deze zaak - een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van de Wm vereist, voor zover het betreft gevallen waarvoor dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald. De categorie gevallen waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo een omgevingsvergunning kan worden verleend, zijn aangewezen bij artikel 4 van Bijlage II bij het Bor. Op grond van artikel 5.16, vierde lid, van de Wm gelden voor de beoordeling van de luchtkwaliteit het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (hierna: het besluit) en de bijbehorende Regeling niet in betekenende mate bijdragen (hierna: de regeling). Artikel 4 van het besluit bepaalt dat bij ministeriële regeling categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijk voorschriften in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt. Op grond van artikel 4 van de regeling, in samenhang bekeken met Bijlage 3A bij de regeling is sprake van zo’n geval bij woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat. Nu in het pand slechts acht zelfstandige wooneenheden worden gerealiseerd, is de beoordeling van de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit niet vereist. Het betoog van verzoekers slaagt daarom niet.

Heeft verweerder een omgevingsvergunning mogen verlenen voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo: het wijzigen van een monument?

16. Verweerder heeft de door de vergunninghouder aangevraagde omgevingsvergunning vanwege het feit dat het pand een gemeentelijke monument is, ook aangemerkt als een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo: het wijzigen van een monument. De aangevraagde vergunning kan volgens artikel 2.18 van de Wabo slechts worden geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening. In het bestreden besluit is vermeld dat de betreffende verordening de Erfgoedverordening (hierna: de verordening) betreft. Artikel 3.3 van deze verordening bepaalt dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien het belang van de monumentenzorg en het bepaalde in het bestemmingsplan zich daartegen niet verzet.

17. Ter zitting hebben verzoekers betoogd dat verweerder het advies van de welstand-/ monumentencommissie niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. In dit verband voeren verzoekers aan dat de stukken waarover deze commissie heeft beschikt onvoldoende zijn om de conclusie te dragen dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand dan wel de monumentenzorg. Zo zijn van het pand geen bouwtekeningen aanwezig in het bouwarchief bij het Regionaal Historisch Centrum Limburg, noch foto’s van vroegere situaties ter plekke of de omgeving. De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van verzoekers aldus dat zij betogen dat verweerder het advies van de welstand-/ monumentencommissie niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het verlenen van de omgevingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Dit betoog slaagt niet. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

17.1.

In het advies van de welstand-/ monumentencommissie is een onderbouwing gegeven waarom het belang van de monumentenzorg en het bepaalde in het bestemmingsplan zich niet verzet tegen het bouwplan. Redengevend is geacht dat in het achterhuis de wandstructuur in combinatie met de schoorsteenkanalen met schouwtjes en het trappenhuis in het geheel gehandhaafd blijft, waardoor de context van het (ooit) separaat functionerende achterhuis met haar symmetrisch opgezette plattegrond en centraal trappenhuis hierdoor als zodanig afleesbaar blijft. Wat betreft de vloerdetails heeft de welstand-/monumentencommissie overwogen dat ingestemd kan worden met de aanvullende maatregelen ter verhoging van de geluid- en/of brandwerendheid, omdat dit niet tot gevolg heeft dat monumentale onderdelen aan het zicht onttrokken gaan worden.

17.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat in beginsel doorslaggevende betekenis toegekend mag worden aan het advies van de welstand-/monumentencommissie, tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanig gebreken vertoont dat het bestuursorgaan dit niet - of niet zonder meer - aan zijn conclusie omtrent het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning ten grondslag heeft mogen leggen. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het advies in strijd is met de criteria die in de verordening staan vermeld.

17.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers geen advies hebben overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie waaruit blijkt dat het advies van de welstand-/monumentencommissie in strijd is met de criteria die in de verordening staan vermeld. Evenmin is gebleken dat het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bestuursorgaan dit niet - of niet zonder meer - aan zijn conclusie omtrent de monumentenzorg ten grondslag heeft mogen leggen. Het eerst ter zitting ingenomen en niet onderbouwde betoog dat de stukken waarover de welstand-/ monumentencommissie onvoldoende zijn om de conclusie te dragen, maakt niet dat aan het advies geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

Wat is de conclusie?

18. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal houden. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

19. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 februari 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht


Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…)
(…).

Artikel 2.2
1. Voor zover ingevolge aan bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
(…)
b. een monument als bedoeld in een zodanige verordening:
1° te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of
2° te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,
(…)
geldt een zodanige bepaling als een verbod om en project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
(…).

Artikel 2.10
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

(…)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…) tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

(…).

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…):

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan (…) opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

(…).

Artikel 2.18
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.


Besluit omgevingsrecht

Bijlage II, artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

(…)

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;

(…).

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 13 november 2019, r.o. 2, ECLI:NL:RVS:2019:3843 en 7 februari 2018, r.o. 3.2, ECLI:NL:RVS:2018:378.