Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:10130

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-09-2021
Datum publicatie
22-04-2022
Zaaknummer
C/03/296012 / JE RK 21-1787 en C/03/296014 / JE RK 21-1788
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2022:3168
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Een eerdere aarzeling over inzet van hulpverlening kan niet blijvend worden tegengeworpen. Ouder krijgt de kans om te laten zien dat hulpverlening in het vrijwillig kader nu wel kan slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Maastricht

Zaaknummer: C/03/296012 / JE RK 21-1787 en C/03/296014 / JE RK 21-1788

Datum uitspraak: 29 september 2021

Beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Roermond,

betreffende

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] , en

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonend op een bij de rechtbank bekend adres binnen het arrondissement Limburg,

advocaat mr. J.B.G. Gelissen, kantoorhoudend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- de verzoeken met bijlagen van de GI van 27 augustus 2021, ingekomen bij de griffie op 27 augustus 2021;

- aanvullend stuk van de GI van 10 september 2021, zijnde het verslag van Plinthos van 3 september 2021, ingekomen bij de griffie op 10 september 2021;

- het verweerschrift van de moeder van 24 september 2021, ingekomen bij de griffie op 24 september 2021.

1.2.

Op 29 september 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling.

Aan een stagiaire van de advocaat is bijzondere toegang verleend.

2 De feiten

2.1.

Het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

2.2.

Bij beschikking van 23 oktober 2020 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld voor de duur van zes maanden tot 23 april 2021 en is de beslissing op het verzoek voor de resterende termijn aangehouden. Bij beschikking van 12 april 2021 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 23 oktober 2021.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende aangevoerd. Er is nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, die zit in de kwetsbaarheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat zij getuigen zijn geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en de vader van [minderjarige 2] . Het is onduidelijk in hoeverre er ook geweld is gebruikt tegen de kinderen. Hier zijn wel zorgen over geuit bij Veilig Thuis maar die zijn niet concreet gebleken. Er is nog steeds weinig zicht op de binnenwereld van de kinderen, vooral van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is erg gesloten en op zijn hoede bij volwassenen. Daarnaast is hij ook regelmatig afwezig geweest zonder afmelding of vaker ziek gemeld. Verder worden de kinderen met momenten belast met volwassenproblematiek door de moeder. Ook zijn er zorgen of de moeder voldoende in staat is om regels en grenzen te stellen aan de kinderen. Na jarenlang ontbreken van contact met de vader van [minderjarige 1] , heeft deze zich nu gemeld en onderzocht zal moeten worden hoe en in welke vorm er gewerkt kan worden aan contactherstel tussen [minderjarige 1] en zijn vader.

De moeder en de vader van [minderjarige 2] zijn uit elkaar maar de vraag is of de moeder toch nog contact met hem heeft. De gezinsvoogden merken dat de moeder hier verschillende verhalen over vertelt die niet altijd lijken te kloppen. Er is weinig zicht op hun onderlinge relatie op dit moment wat zorgen baart vanwege het eerdere huiselijke geweld. Het contact tussen [minderjarige 2] en de vader loopt niet gestructureerd en is niet goed vastgelegd, waardoor er momenteel onvoldoende grip op is. Anacare en Plinthos zijn ingezet om meer zicht te krijgen op de thuissituatie van de moeder en de kinderen en de contacten met de beide vaders.

Wat de kwaliteit van het gezag betreft zijn er zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder en de openheid en eerlijkheid van de moeder in de contacten met de hulpverlening. De zorg die nog steeds bestaat is dat de moeder, ondanks de intensieve hulpverlening, alsnog bijna op straat heeft gestaan en dat zij en de kinderen onvoldoende geld hebben gehad gedurende een periode om eten te kopen. Daarnaast is er nog veel onduidelijkheid over wat de ouders nodig hebben in het verbeteren van de oudercommunicatie en hoe het contact tussen de kinderen en hun beide vaders eruit moet zien en welke vorm van contact voor beide kinderen passend is.

Afschalen naar het vrijwillig kader is nog niet gepast omdat inzet van hulpverlening nog nodig is om meer zicht te krijgen op de opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. Op dit moment kan de GI er nog niet op vertrouwen dat de moeder in staat is en blijft om in het belang van de kinderen te handelen. Het is daarom nodig dat de huidige ingezette hulpverlening gecontinueerd wordt door de moeder en dat er duidelijkheid gaat komen over een passende omgang tussen de kinderen en hun vaders. Het lukt de ouders op dit moment nog onvoldoende om dit zonder hulp van een gezinsvoogd vorm te geven.

Ter zitting heeft de GI gesteld dat er zicht moet komen op de thuissituatie en dat de moeder wisselend meewerkt aan hulpverlening. Verder is het een zorg dat er geen structurele omgang is geregeld met de vaders. Drie maanden is te kort om te kunnen zien of de positieve ontwikkeling vastgehouden kan worden.

4 Het standpunt van de belanghebbende

4.1.

De moeder heeft verweer gevoerd en primair verzocht de verzoeken af te wijzen en verzoekster te veroordelen in de proceskosten, subsidiair om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot maximaal 3 maanden, dan wel een kortere termijn dan is verzocht.

4.2.

Allereerst voert de moeder aan dat de verzoeken, met name het plan van aanpak, niet voldoen aan het procesreglement Civiel (maart 2021) artikel 2.4.10.; er wordt niet voldaan aan het deugdelijkheidscriterium. De moeder verzoekt de rechtbank de gevolgen hieraan te verbinden die de rechtbank geraden acht.

Inhoudelijk erkent de moeder dat ze niet tijdig haar zienswijze heeft kenbaar gemaakt over wat de sterke en zwakke punten van de kinderen zijn. De reden was dat haar moeder in het ziekenhuis lag. De moeder voert thans alsnog de sterke en zwakke punten aan.

De moeder stelt dat geen sprake is van ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Daarnaast staat de moeder open voor hulpverlening en accepteert zij deze.

De GI noemt het standpunt van een gedragswetenschapper, echter die heeft de kinderen en de moeder niet gezien of gesproken. Het is niet duidelijk wanneer de gedragswetenschapper zijn mening heeft gevormd. Geconcludeerd wordt dat hulpverlening nodig blijft, niet dat dit middels een ondertoezichtstelling moet. Er wordt bovendien geen termijn aan verbonden. De moeder stelt dat de verklaring van de gedragswetenschapper buiten beschouwing dient te blijven of hieraan in ieder geval niet de waarde kan worden gehecht zoals de GI dit doet.

Voorts grijpt de GI veelal ten onrechte terug naar gebeurtenissen uit het verleden, zoals het huiselijk geweld. Dit laatste is niet vast komen staan en zeker niet relevant voor de beoordeling nu.

Van het contact met de vader(s) van [minderjarige 2] (en [minderjarige 1] ) maakt de GI nu een punt. Eerder werd de moeder verweten niet open te staan voor dit contact. Er is geen fysiek contact, maar wel beeldbelcontact. Het is een plicht van de moeder om het contact te bevorderen tussen de vader(s) en de kinderen, hiervoor heeft ze de GI niet nodig.

De GI geeft alleen negatieve zaken weer, maar lijkt blind voor de positieve ontwikkelingen. Deze laatste blijken wel uit de verslagen van de aanwezige hulpverlening, Anacare en Plinthos. Deze positieve ontwikkelingen bij de moeder én de kinderen worden ten onrechte niet betrokken door GI. Er moet immers gekeken worden naar de huidige situatie. Gebleken is dat de moeder open staat voor hulpverlening. De moeder heeft (weer) hulpverlening vanuit Stand-by, die haar helpt met plannen en afspraken maken.

School heeft geen zorgen die duiden op bedreigde ontwikkeling. Wat er in de toekomst verwacht wordt, is koffiedik kijken en kan niet een grond vormen om nu de ondertoezichtstelling te verlengen.

Hetgeen door de GI wordt aangevoerd over Housingplus en de aanschaf van een nieuwe tv herkent de moeder niet. Dat het opknappen van woning niet optimaal verlopen is klopt, maar er was geen sprake van gevaar voor de kinderen.

Uit recente informatie van het peuterspeelzaal, waar [minderjarige 2] 5 dagdelen naar toegaat, blijkt dat [minderjarige 2] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt. Verder worden geen problemen gezien bij [minderjarige 2] en blijkt dat de moeder openstaat voor hulpverlening en met haar goed is samen te werken. De informatie van het kinderdagverblijf waar de GI naar verwijst is achterhaald, nu [minderjarige 2] daar al een half jaar niet meer naar toe gaat.

Ook [minderjarige 1] doet het goed op school en heeft een deel van zijn achterstand ingehaald, dit blijkt uit het verslag van Plinthos van 15 september j.l.. Er is sprake van een stijgende lijn in de ontwikkeling van [minderjarige 1] . Hij maakt vriendjes en is vrolijk. Verder gaat hij sinds april consequent naar school en ziet er verzorgd uit. Dit geldt ook voor [minderjarige 2] . Dat [minderjarige 1] minder knuffelt, komt omdat hij een jongen is en ouder dan [minderjarige 2] .

Desgevraagd geeft de moeder ter zitting aan dat ze zelf een jeugdhulpverleden heeft, waardoor ze aanvankelijk moeite had dit ook voor haar eigen kinderen te accepteren en er voor open te staan. Na verloop van tijd realiseerde de moeder zich echter dat er hulp nodig was, met name voor [minderjarige 1] en is deze ook opgestart. Hulpverlening vanuit Plinthos loopt nu, er vinden observaties plaats op school in het kader van het diagnostisch onderzoek. Dit is net opgestart, er zullen ook nog observaties in de thuissituaties plaatsvinden. Wat de uitslag is en wanneer deze komt is nog niet bekend. De moeder erkent dat ze profijt heeft gehad van de inzet van de GI, maar dat het nu tijd wordt dat ze het zelf gaat doen. De moeder begrijpt de twijfel of ze de positieve ontwikkeling zal volhouden, maar ze geeft haar woord dat ze zich zal blijven inzetten. De moeder kan er mee leven als de ondertoezichtstelling wordt verlengd met een half jaar en dat de hulpverlening dan wordt overgedragen naar het vrijwillig kader.

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling telkens verlengen voor de duur van ten hoogste één jaar, mits aan de gronden als bedoeld in artikel 1:255 BW is voldaan. Uit dit artikel volgt dat een minderjarige onder toezicht kan worden gesteld indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouders binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen.

5.2.

De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan het wettelijk criterium. Hoewel ter zitting is gebleken dat de moeder er voor de kinderen wil zijn en het beste voor ze wil, kampen de kinderen nog steeds met eigen problematiek, waarbij zowel gebeurtenissen in het verleden als in de huidige situatie een rol spelen. Op dit moment wordt hulpverlening van Anacare en Plinthos ingezet om enerzijds de moeder te ondersteunen in de opvoeding en verzorging van de kinderen en anderzijds middels diagnostisch onderzoek te onderzoeken wat er met de kinderen aan de hand is en wat ze nodig hebben.

Verder zullen de vaders van de kinderen in beeld komen, maar is nog niet duidelijk in welke vorm een contactherstel met hen gegoten moet worden.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling. De inzet van hulpverlening is noodzakelijk.

5.3.

De moeder staat grotendeels alleen voor de opvoeding en verzorging van de kinderen en heeft zeker stappen voorwaarts gezet. Inmiddels staat zij open voor de inzet van hulpverlening en werkt zij hieraan mee. Ze is in staat gebleken om de eigen belaste ervaring met jeugdhulpverlening om te buigen naar een positieve ervaring ten behoeve van haar kinderen, dit is toe te juichen. Echter deze ontwikkeling is nog pril en het diagnostisch onderzoek is pas opgestart, zodat nog niet bekend is welke hulpverlening geïndiceerd is en of de moeder ook die ondersteunt. Nog in het recente verleden stond de moeder veel minder open voor geadviseerde hulpverlening. Gelukkig lijkt dat nu anders omdat de moeder heeft ingezien dat de kinderen echt baat kunnen hebben bij de inzet van hulpverlening, maar het is noodzakelijk dat deze positieve ontwikkeling wordt vastgehouden. De kinderrechter acht op dit moment een ondertoezichtstelling nog nodig om daarvoor een waarborg te bieden.

5.4.

Wel is de kinderrechter van oordeel dat indien de moeder haar positieve houding in de komende zes maanden kan volhouden en mee blijft werken aan noodzakelijk gevonden hulpverlening, alleen haar aarzeling in het verleden om hulpverlening in te inzetten niet meer voldoende zal zijn om een ondertoezichtstelling noodzakelijk te achten. De moeder verdient dan het vertrouwen dat zij op eigen kracht, waar nodig met inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader, de problemen die spelen het hoofd kan bieden. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing voor de resterende zes maanden aanhouden. In deze periode kan waar mogelijk toegewerkt worden naar een overdracht van de hulpverlening naar het vrijwillig kader. Mocht onverhoopt in deze zes maanden toch een situatie ontstaan waarin de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog noodzakelijk acht, zal een nieuwe mondelinge behandeling worden gelast en worden beoordeeld of het verzoek ook voor de resterend verzochte termijn dient te worden verleend.

5.5.

De kinderrechter verzoekt de GI uiterlijk 15 maart 2022 de kinderrechter schriftelijk te informeren over de stand van zaken en, indien het verzoek om verlenging ook voor de resterende termijn wordt gehandhaafd, gemotiveerd in te gaan op de omstandigheden die dan maken dat de GI van mening is dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat hulpverlening in het vrijwillig kader niet toereikend kan zijn.

6 De beslissing


De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van 6 maanden, dus tot 23 april 2022;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

bepaalt dat de GI uiterlijk 15 maart 2022 de rechtbank schriftelijk dient te informeren over de stand van zaken;

6.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.I.A. Bregonje, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2021 en op schrift gesteld op 12 oktober 2021.

mw

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.