Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:10098

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-12-2021
Datum publicatie
24-02-2022
Zaaknummer
C/03/287350 / FA RK 21-138
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Berekening van de draagkracht van de man zonder rekening te houden met het loonbeslag dat namens de vrouw is gelegd ter zake de achterstallige kinderalimentatie. Bij gebrek aan gegevens over de kosten van de kinderen van de ouders uit een andere relatie en de andere onderhoudsplichtige ouder is onduidelijk of er sprake is van een tekort aan draagkracht. Daarom geen gelijke verdeling van de draagkracht over alle kinderen voor wie zij onderhoudsplichtig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familierecht

Zaaknummer: C/03/287350 / FA RK 21-138

Kinderalimentatie

Beschikking van 1 december 2021

in de zaak van:

[de man] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.M.J. Janssen,

t e g e n

[de vrouw] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.M. Holmes.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  1. het verzoekschrift van de man met bijlagen 1 tot en met 6, binnengekomen op 13 januari 2021;

  2. het verweerschrift van de vrouw met bijlagen 1 tot en met 18;

  3. het rolbericht van de man van 22 februari 2021 met bijlagen;

  4. het rolbericht van de vrouw van 23 augustus 2021;

  5. het rolbericht van de vrouw van 5 oktober 2021 met bijlage 19, en;

  6. het rolbericht van de man van 1 november 2021 met bijlagen 7 tot en met 12.

1.2.

Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 16 november 2021. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn (door de situatie rondom het virus COVID-19) via videobellen gehoord:

  1. de man, bijgestaan door mr. Janssen, en

  2. de vrouw, bijgestaan door mr. Holmes.

2 Waar gaat het over?

2.1.

De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] . [minderjarige 1] woont bij de vrouw en er vindt geen omgang plaats tussen [minderjarige 1] en de man.

2.2.

Daarnaast zijn de man en mevrouw [naam] (hierna: [naam] ) de ouders van [minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] .

2.3.

De vrouw en haar partner zijn de ouders van [minderjarige 3], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 3] .

2.4.

Op 9 april 2013 heeft de rechtbank beslist dat de man met ingang van 10 januari 2013 een bedrag van € 500,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Gecorrigeerd voor de inflatie (indexering) bedraagt deze kinderalimentatie nu € 575,- per maand.1

2.5.

De man wil dat dit bedrag met ingang van 1 januari 2021 wordt gewijzigd in € 175,- per maand. Volgens de man zijn de omstandigheden gewijzigd en kan hij de bijdrage niet meer betalen. Ook voldoet de huidige kinderalimentatie volgens de man niet aan de wettelijke maatstaven.

2.6.

De vrouw is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat het verzoek van de man wordt afgewezen. Zij vindt dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de man de kinderalimentatie niet meer kan betalen.

2.7.

De vrouw heeft beslag laten leggen op het loon van de man om zowel de lopende termijnen kinderalimentatie te incasseren als de achterstallige alimentatie.

3 De beoordeling

conclusie

3.1.

De rechtbank beslist dat de man met ingang van 1 januari 2021 een kinderalimentatie van € 319,- per maand aan de vrouw moet betalen. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de man afwijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

reden voor de wijziging

3.2.

De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd.2 Dat is hier het geval, want de man is vader geworden van [minderjarige 2] voor wie hij ook onderhoudsplichtig is. De voorlopige afspraak van partijen over de bijdrage voor [minderjarige 1] doet daar niet aan af. Dat is een tijdelijke betalingsafspraak en geen nieuwe alimentatieafspraak die enkel op basis van een wijziging van omstandigheden gewijzigd zou kunnen worden.

ingangsdatum

3.3.

De wet3 laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.

3.4.

Hier hanteert de rechtbank 1 januari 2021 als ingangsdatum, omdat deze ingangsdatum door de man is verzocht en de vrouw hiermee ter zitting heeft ingestemd.

3.5.

De rechtbank rekent met de omstandigheid dat er aan de zijde van de man geen sprake is van een loonbeslag, zoals ter zitting is besproken. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw als opdrachtgever van het loonbeslag de interne verhouding aan laat passen, in die zin dat het toekomstige beslag ziet op de hieronder vastgestelde lopende termijnen kinderalimentatie en het meerdere geïncasseerde in mindering strekt op de achterstand.

behoefte [minderjarige 1]

3.6.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. In de beschikking van 9 april 2013 heeft de rechtbank – conform het verzoek van de vrouw – de man veroordeeld een kinderalimentatie van € 500,- per maand aan de vrouw te betalen. De rechtbank gaat ervan uit dat die bijdrage ten minste de behoefte van [minderjarige 1] was. De rechtbank stelt daarom de behoefte van [minderjarige 1] vast op dat bedrag. Gecorrigeerd voor de inflatie (indexering) bedraagt de behoefte nu tenminste € 575,- per maand.

draagkracht ouders

3.7.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.4

3.8.

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een budget voor – primair – wonen van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1000)].

draagkracht man

3.9.

Voor het bepalen van de draagkracht rekent de rechtbank op basis van de overlegde jaaropgaaf 2020 met een belastbaar loon van € 34.821,-. Het NBI is dan € 2.342,- per maand.5 Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man een draagkracht van € 447,- per maand.

3.10.

Daarbij heeft de rechtbank geen rekening gehouden met schulden, omdat de man ter zitting heeft verklaard dat hij – behalve de schuld aan de vrouw – alle andere schulden heeft voldaan. Verwezen wordt naar het hiervoor onder 3.5 overwogene.

draagkracht vrouw

3.11.

Voor het bepalen van de draagkracht rekent de rechtbank op basis van de overlegde jaaropgaaf 2020 met een belastbaar loon van € 25.168,-. Omdat de inkomensgegevens van de partner van de vrouw niet bekend zijn, rekent de rechtbank met een kindgebonden budget, zoals dat blijkt uit de overgelegde voorschotbeschikking. Hieruit blijkt een kindgebonden budget van € 1.272,- per jaar. Ook past de rechtbank de inkomensafhankelijke combinatiekorting toe, omdat niet is gebleken dat de vrouw hier geen aanspraak op heeft. Het NBI is dan € 2.159,- per maand.6

3.12.

Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vrouw een draagkracht van € 358,- per maand.

verdeling van de draagkracht

3.13.

De man stelt dat zijn draagkracht moet worden verdeeld tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat hij ook voor [minderjarige 2] onderhoudsplichtig is. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de draagkracht tussen alle kinderen wordt verdeeld, indien sprake is van een tekort aan draagkracht.7 Daarvoor dient eerst de behoefte van [minderjarige 2] te worden vastgesteld. Omdat de rechtbank niet beschikt over gegevens over de kosten van [minderjarige 2] of het inkomen van [naam] om zelf de behoefte van [minderjarige 2] te kunnen vaststellen, kan zij ook niet vaststellen of er een tekort aan draagkracht is. Om die reden verdeelt de rechtbank de draagkracht van de man niet gelijk over beide kinderen.

3.14.

Hetzelfde geldt voor de verdeling van de draagkracht van de vrouw over [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Ook de behoefte van [minderjarige 3] kan niet worden vastgesteld bij gebrek aan gegevens over haar behoefte en de inkomensgegevens van de partner van de vrouw. De rechtbank verdeelt daarom ook draagkracht van de vrouw niet gelijk over [minderjarige 1] en [minderjarige 3] .

3.15.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen, zoals hieronder berekend, niet hun volledige draagkracht voor [minderjarige 1] hoeven aan te wenden, omdat zij – indien geen rekening wordt gehouden met de kosten van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] – samen voldoende draagkracht hebben voor [minderjarige 1] . Dit betekent dat partijen het deel dat zij niet voor [minderjarige 1] hoeven te gebruiken, ieder kunnen aanwenden voor hun ander kind; de man voor [minderjarige 2] en de vrouw voor [minderjarige 3] .

verdeling kosten

3.16.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

3.17.

De man en de vrouw hebben samen een draagkracht van € 805,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige 1] te betalen, want die zijn € 575,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (447 ÷ 805 x 575 =) € 319,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van (358 ÷ 805 x 575 =) € 256,- per maand.

zorgkorting

3.18.

Er is geen contact tussen de man en [minderjarige 1] . De man voldoet dus ook geen verblijfskosten voor [minderjarige 1] , die zijn bijdrage aan de vrouw kunnen verlagen.

alimentatie terugbetalen

3.19.

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat de via het loonbeslag geïnde kinderalimentatie eerst in mindering strekt op de achterstallige kinderalimentatie en niet ziet op de lopende termijnen kinderalimentatie. Gezien de forse achterstand per 31 maart 2021 groot € 31.975,- is er geen sprake van te veel ontvangen kinderalimentatie door de vrouw.

alimentatie vooruitbetalen

3.20.

De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

uitvoerbaar bij voorraad

3.21.

De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

proceskosten

3.22.

De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van de rechtbank Limburg van 9 april 2013, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 1 januari 2021 € 319,- per maand bedraagt;

4.2.

beslist dat de man vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

4.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

beslist dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

4.5.

wijst de verzoeken voor het overige af.

Dit is de beslissing van rechter mr. M.J.C. van Leeuwen, tot stand gekomen in samenwerking met mr. D.J.M. Kuppens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2021 door mr. J.B. de Groot, eveneens rechter, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Bijlagen:

Bijlage 1: indexering behoefte

Bijlage 2: draagkracht van de man

Bijlage 3: draagkracht van de vrouw

1 Bijlage 1: indexering vastgestelde kinderalimentatie

2 Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek

3 Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek

4 Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek

5 Bijlage 2: draagkracht van de man

6 Bijlage 3: draagkracht van de man

7 Hoge Raad 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451, NJ 1992/178