Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9992

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
AWB/ROE 20/1711
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft na ontvangst van een mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994, aan eiseres een onderzoek naar de rijvaardigheid of rijgeschiktheid opgelegd. Verweerder mocht uitgaan van de betrouwbaarheid en juistheid van de waarnemingen zoals vermeld in het mutatierapport. De in het mutatierapport vermelde feiten gaven voldoende aanleiding voor het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/1711

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. S.D. Kurz,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd.

Bij besluit van 16 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak om het besluit van verweerder een onderzoek naar de rijvaardigheid of rijgeschiktheid van eiseres op te leggen. Verweerder heeft dit onderzoek opgelegd, omdat hij twijfelt aan de rijgeschiktheid van eiseres na ontvangst van een mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994). Eiseres is het er niet mee eens dat verweerder dit onderzoek aan haar heeft opgelegd. Haar zwaarstwegende argument daarvoor is dat de waarnemingen van de twee politieagenten zeer subjectief en bovenal suggestief zijn.

Feiten en procesverloop

2. In het - in bezwaar gehandhaafde - besluit van 13 februari 2020 heeft verweerder aan eiseres een onderzoek naar de rijvaardigheid of rijgeschikt opgelegd, omdat zij twijfelde aan de rijgeschiktheid van eiseres. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de korpschef van de Politie Eenheid Limburg op 9 januari 2020 aan verweerder een mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 (hierna: de mededeling). Volgens het daarbij gevoegde mutatierapport (hierna: het mutatierapport) heeft eiseres op 9 januari 2020 in Roermond tijdens het verlaten van een rotonde een fietsster over het hoofd gezien. De politieagenten die ter plaatse kwamen, twijfelden aan de rijvaardigheid van eiseres omdat er rondom het voertuig op meerdere plekken schade was en eiseres hiervoor geen goede verklaring kon geven. De politieagenten gaven eiseres het advies niet verder te rijden, maar eiseres stapte alsnog achter het stuur en vervolgde haar weg. De politieagenten volgden eiseres om haar rijgedrag waar te nemen. Zij zagen dat eiseres:

- bij het wegrijden de motor liet uitvallen;

- 30 kilometer per uur reed waar 50 kilometer per uur gereden mag worden;

- niet in een rechte lijn over haar rijstrook reed;

- een rotonde af reed met een snelheid waarbij zij niet gezien kon hebben of er verkeer van rechts kwam;

- bij het oprijden van haar oprit met beide wielen de stoep raakte.
Op basis van deze waarnemingen besloten de politieagenten om het rijbewijs van eiseres in te vorderen en de mededeling op te maken.

3. In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat eiseres op 9 januari 2020 bij het verlaten van een rotonde een fietsster heeft aangereden. Daarnaast staat niet ter discussie dat de schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, Wvw 1994 aan verweerder is gedaan.

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daartegen beroep ingesteld. De door eiseres aangevoerde beroepsgronden bespreekt de rechtbank hierna bij de inhoudelijke beoordeling.

Toetsingskader

5. De rechtbank moet beoordelen of verweerder het onderzoek naar de rijgeschiktheid terecht aan eiseres heeft opgelegd. Bij de beoordeling van de beroepsgronden is, voor zover hier relevant, het volgend wettelijk kader van belang.

In artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 is bepaald dat de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR doen, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Op grond van artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot - in dit geval - een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

De ministeriële regeling is de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling). In artikel 2, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze Regeling behorende bijlage.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en sub a van de Regeling kunnen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2, blijken uit eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie.

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Regeling besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

a. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdeel II Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer.

Volgens de bijlage zijn - voor zover hier relevant - feiten dan wel omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorvoertuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorvoertuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

A. Rijvaardigheid en rijgedrag

II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer

1. Niet adequaat kijkgedrag
Hanteren van een verkeerde kijktechniek en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet, zich onder meer manifesterend bij het:
e) invoegen en het uitvoegen;

2. Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit:

a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

b. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

e. naar links of rechts afslaan op een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht.

Inhoudelijke beoordeling

6. Eiseres heeft - samengevat weergegeven - aangevoerd dat verweerder ten onrechte een rijvaardigheidsonderzoek heeft opgelegd omdat de hieraan ten grondslag liggende bevindingen van de politie onjuist zijn. Juist door de voorzichtige rijstijl van eiseres is de fietsster die geen verlichting voerde er zonder kleerscheuren vanaf gekomen. Daarnaast betwist zij dat zij te langzaam heeft gereden, dat zij de stoeprand heeft geraakt en dat zij eerder schade heeft gereden. De waarnemingen van de politieagenten zijn volgens eiseres zeer subjectief en bovenal suggestief.

6.1.

De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ‘de Afdeling’), volgt dat een vermoeden van ongeschiktheid kan worden gebaseerd op een mutatierapport.1 Een mutatierapport is een aanvaarde vorm waarin door politieambtenaren waargenomen feiten en omstandigheden worden vastgelegd. Wel geldt dat in procedures waarin een beroep wordt gedaan op de in een mutatierapport vermelde feiten, daaraan minder bewijskracht toekomt dan aan bijvoorbeeld een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Dit betekent echter niet dat in een mutatierapport weergegeven jegens politieambtenaren afgelegde feitelijke verklaringen reeds terzijde moeten worden geschoven op basis van de enkele ontkenning van betrokkene op enig moment nadat hij of zij die verklaring heeft afgelegd. Hierbij is van betekenis dat de mutaties zijn opgesteld door opgeleide politieambtenaren, die geen belang hebben bij wat zij in de mutatierapporten vermelden als door hen waargenomen, aldus de Afdeling.

6.2.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval van de betrouwbaarheid en juistheid van de waarnemingen zoals vermeld in het mutatierapport mocht uitgaan en dat verweerder dit rapport aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het mutatierapport een voldoende nauwkeurige en uitgebreide omschrijving bevat van de waarnemingen die aan het vermoeden ten grondslag zijn gelegd. De enkele, niet gemotiveerde betwisting door eiseres is onvoldoende om aan de betrouwbaarheid en juistheid van die waarnemingen te twijfelen.

De in het mutatierapport vermelde feiten gaven voorts voldoende aanleiding voor het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek. Gelet op het beschreven rijgedrag voldeed eiseres aan de criteria van Bijlage I, onder A, onder II, van de Regeling, waardoor verweerder gehouden was een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen.

De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat het besluit van 13 februari 2020 niet in stand kan blijven, omdat dit besluit niet binnen de fatale termijn van vier weken na ontvangst van het rijbewijs door verweerder is genomen.

7.1.

De rechtbank overweegt dat naar vaste jurisprudentie van de Afdeling overschrijding van de in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 genoemde termijn niet met zich brengt dat verweerder niet meer bevoegd is om een besluit te nemen als bedoeld in die bepaling.2 Aan de termijnoverschrijding kan dan ook niet het gevolg worden verbonden dat eiseres daaraan verbonden zou willen zien. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Conclusie

8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in stand blijft. Het beroep van eiseres is ongegrond.

Schadevergoeding en proceskosten

9.1.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in aanmerking komt voor schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) omdat zij door de besluitvorming van verweerder schade heeft geleden. Verweerder heeft namelijk het door de politie ingevorderde rijbewijs niet onverwijld teruggeven aan eiseres. Dit had wel moeten gebeuren nu bij primair besluit het rijbewijs niet was geschorst. Voor de periode dat verweerder het rijbewijs van eiseres zonder recht of titel onder zich heeft gehouden vordert eiseres een schadevergoeding van € 850,00.

9.2.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit.

9.3.

Nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van één van de situaties als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, onder b, c en d, van de Awb die tot toekenning van schadevergoeding kunnen leiden, zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie onder meer de uitspraken van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1586 en 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1897

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:748.