Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9970

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
AWB/ROE 20/1783
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

NOW1.0.; loonsom; extraterritoriale vergoeding; hardheidsclausule; discriminatie. De extraterritoriale vergoeding is een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964. Deze eindheffingsbestanddelen behoren niet tot het loon in de zin van de Wfsv en daarom ook niet tot het sv-loon. Dat betekent dat deze kosten terecht niet zijn meegenomen in de berekening van de tegemoetkoming in het kader van de NOW1.0. Er is bewust geen hardheidsclausule opgenomen in de NOW1.0. Dat betekent dat verweerder niet kan en mag afwijken van de regel dat voor de bepaling van de loonsom het sv-loon bepalend is. Er is geen sprake van ongerechtvaardigde discriminatie van extraterritoriale werknemers. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-12-2020
FutD 2021-0023
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/1783

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2020

in de zaak tussen

Senor Tech B.V., eiseres

(gemachtigde: H.B.J. Vestering),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigden: P. Delahaye en R. Spanjer).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een loonkostensubsidie toegekend op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW1.0).

Bij besluit van 12 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?

1. Eiseres is een bedrijf in all-in-one computersystemen. Als gevolg van de coronamaatregelen tijdens de eerste lockdown in het voorjaar van 2020 heeft zij omzetverlies geleden. Op 16 april 2020 heeft zij bij verweerder een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW1.0 voor de periode april tot en met juni. Verweerder heeft deze aanvraag ingewilligd. Er is een tegemoetkoming toegekend van € 20.543,-. Daarvan is een bedrag van € 16.434,- in de vorm van een voorschot uitgekeerd in drie maandelijkse termijnen. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de tegemoetkoming.

Wat houdt het bestreden besluit in?

2. In het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat voor de hoogte van de tegemoetkoming wordt uitgegaan van de loonsom over het eerste aangiftetijdvak van 2020. In het geval van eiseres is sprake van twee werknemers voor wie subsidie is aangevraagd en verkregen. Eén van die werknemers is een werkneemster uit Taiwan op wie de zogenoemde ‘30 procent regeling’ van toepassing is. Op basis van deze regeling wordt 30% van het loon van die werkneemster belastingvrij betaald. Dat deel van het loon is geen sociaal verzekeringsloon (sv-loon) en wordt daarom niet meegenomen in de berekening van de tegemoetkoming in het kader van de NOW1.0, aldus verweerder.

Wat is het standpunt van eiseres?

3. Eiseres voert aan dat verweerder bij de berekening van de tegemoetkoming had moeten uitgaan van de werkelijke loonkosten. Het deel van de loonkosten dat niet is belast met premies en heffingen is in haar ogen dus ten onrechte niet in aanmerking genomen. Volgens eiseres wordt haar werkneemster gediscrimineerd ten opzichte van de werknemers ten aanzien van wie de 30 procent regeling niet van toepassing is. Het gevolg is dat zij eerder geneigd zal zijn deze werkneemster te ontslaan.

Welke rechtbank is bevoegd om op het beroep van eiseres te beslissen?

4. Voordat de rechtbank aan de inhoud van het beroep toekomt, ziet zij aanleiding om het volgende te overwegen over de vraag welke rechtbank bevoegd is om op het beroep te beslissen.

5. Het beroep is ingesteld bij de rechtbank Limburg, conform de rechtsmiddelenclausule die in het bestreden besluit staat. Kort voor de zitting is echter gebleken dat de rechtbank Limburg niet bevoegd is.

6. Als sprake is van een besluit van een bestuursorgaan van de centrale overheid, zoals verweerder dat is, dan is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft. Dat is bepaald in artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een rechtspersoon, zoals eiseres dat is, heeft – kort gezegd - zijn woonplaats waar hij volgens zijn statuten zijn zetel heeft. Dat volgt uit het bepaalde in artikel 1:10 van het Burgerlijk Wetboek. Uit de statuten van eiseres is gebleken dat zij haar zetel in Amsterdam heeft en niet, zoals verondersteld, in Venlo. De rechtbank Amsterdam is dus bevoegd om op dit beroep te beslissen.

7. Ondanks het voorgaande, heeft de rechtbank Limburg er om proceseconomische redenen voor gekozen om het beroep niet ter behandeling door te sturen naar de rechtbank Amsterdam. Dit zou onherroepelijk tot vertraging in de afdoening leiden. Dat acht de rechtbank ongewenst, omdat het een zaak betreft over de toepassing van een coronasteunmaatregel. Geprobeerd wordt om in deze zaken spoedig(er) duidelijkheid te verschaffen over tussen partijen levende geschilpunten.

8. Eiseres en verweerder hebben er ter zitting desgevraagd mee ingestemd dat de rechtbank Limburg op het beroep beslist. De rechtbank heeft hierbij aan partijen voorgehouden dat het uiteindelijk aan de Centrale Raad van Beroep in een eventueel hoger beroep is om de onbevoegdheid van de rechtbank Limburg voor gedekt te verklaren en de alsdan aangevallen uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken. Dat laatste volgt uit artikel 8:117 van de Awb.

9. Deze rechtbank komt dus toe aan de inhoud van het beroep.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

- Hoe luidt het juridisch kader?

10. In artikel 2 staat omschreven wat het doel is van de NOW1.0. Het doel is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien als gevolg van de coronamaatregelen sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden. Met de tegemoetkoming wordt beoogd de werknemers in dienst te kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval.

11. Artikel 11 van de NOW1.0 gaat over de subsidieverlening in de vorm van een voorschot. In het eerste lid van dit artikel staat dat verweerder de werkgever bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot verstrekt. Het tweede lid bepaalt dat de hoogte van het voorschot 80% bedraagt van het bedrag van de verlening, bedoeld in artikel 10.

12. In artikel 10, eerste lid, van de NOW1.0 staat een formule waarmee de hoogte van het bedrag aan subsidieverlening wordt berekend. Eén van de variabelen in de formule is de ‘loonsom’ (B). Op grond van artikel 10, tweede lid, van de NOW1.0 wordt voor de loonsom uitgegaan van het loon over het eerste aangiftetijdvak van het jaar 2020.

13. In artikel 1 van de NOW1.0 is omschreven wat onder ‘loon’ wordt verstaan, namelijk het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), voor zover het betreft loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. In laatstgenoemd artikel wordt voor het loonbegrip aangesloten bij de Wet op de loonbelasting 1964.

14. In artikel 16, tweede lid, onder b, van de Wfsv is bepaald dat níet tot het loon behoren eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dat eindheffingsbestanddelen door de inhoudingsplichtige aangewezen vergoedingen en verstrekkingen zijn.

15. Blijkens artikel 31a, tweede lid, aanhef en onder e, is de extraterritoriale vergoeding een dergelijke vergoeding. Het onder 2 genoemde netto deel van het loon op grond van de ‘30 procent regeling’ is een andere benaming voor deze vergoeding.

- Behoort de extraterritoriale vergoeding tot het sv-loon?

16. Uit het hiervoor vermelde juridisch kader volgt dat de extraterritoriale vergoeding netto aan de betrokken werkneemster wordt uitbetaald en dat er sprake is van een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964. Deze eindheffingsbestanddelen behoren niet tot het loon in de zin van de Wfsv en daarom ook niet tot het sv-loon. Dat betekent dat deze kosten terecht niet zijn meegenomen in de berekening van de tegemoetkoming.

- Heeft verweerder ruimte om af te wijken van de regels van de NOW1.0?

17. Duidelijk is dat de feitelijke loonkosten van eiseres ruimschoots hoger zijn dan het sv-loon waar verweerder rekening mee heeft gehouden bij het bepalen van de hoogte van de tegemoetkoming in de loonkosten. Dat maakt echter niet dat verweerder, zoals door eiseres betoogd, gehouden is om toch rekening te houden is met kosten die niet onder het sv-loon vallen. De NOW1.0 is een regeling die het mogelijk heeft gemaakt om op een zo kort mogelijke termijn financiële steun te geven aan bedrijven die getroffen zijn door de coronamaatregelen. Er is gekozen voor een eenvoudig en snel uit te voeren regeling, waarin de bepalingen over het recht op en de berekening van de tegemoetkoming dwingend geformuleerd zijn. Er is bewust geen hardheidsclausule opgenomen. Dat alles betekent dat verweerder niet kan en mag afwijken van de regel dat voor de bepaling van de loonsom het sv-loon bepalend is.

- Is er sprake van ongerechtvaardigde discriminatie van extraterritoriale weknemers?

18. De rechtbank volgt eiseres ook niet in het standpunt dat de NOW1.0 leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen haar extraterritoriale werkneemster en haar andere, niet extraterritoriale, werknemer voor wie loonkostensubsidie is aangevraagd en gekregen. Het klopt dat eiseres voor de extraterritoriale werkneemster verhoudingsgewijs minder loonkosten vergoed krijgt. Voor die ongelijke behandeling bestaat naar het oordeel van de rechtbank echter een rechtvaardigingsgrond. In dit verband verwijst de rechtbank naar de opmerking in de voorgaande overweging, dat bij de totstandkoming van de NOW1.0 bewust is gekozen voor een eenvoudig en snel uit te voeren regeling. In een dergelijke regeling past niet dat altijd maatwerk geleverd kan en moet worden. Dat de betrokken werkneemster een onbelaste vergoeding krijgt ter compensatie van de extra kosten als expat en de werkgever voor die kosten geen premies hoeft af te dragen, is bovendien het gevolg van een jaren geleden gemaakte fiscale keuze van werkneemster en eiseres. Dat deze keuze thans onder de NOW1.0 nadelig uitpakt voor de werkgever, maakt deze regeling ook niet ongerechtvaardigd discriminatoir.

Conclusie

19. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.