Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9904

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-12-2020
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
8873795 \ CV EXPL 20-5667
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Arbeidszaak. Werknemer heeft niet aangetoond dat hij zich ziek heeft gemeld. Niet op het werk verschenen en geen arbeid verricht dus geen recht op loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0042
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8873795 \ CV EXPL 20-5667

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 14 december 2020

in de zaak van:

[eiser] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde] ,

zaak doende te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. L.N. Hermans,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AKROPOLIS HEERLEN B.V.,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. P.B.A. Acda.

Partijen zullen hierna [eiser] , [naam onderbewindgestelde] en Akropolis genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 6,

- de producties 1 t/m 12 van Akropolis, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op

27 november 2020,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 november 2020 waarbij

[naam onderbewindgestelde] , vergezeld van zijn echtgenote, vertegenwoordigd door [eiser] en bijgestaan door gemachtigde mr. L.N. Hermans, en Akropolis, vertegenwoordigd door haar directeur [naam directeur] bijgestaan door gemachtigde mr. P.B.A. Acda zijn verschenen,

- de pleitnota van mr. Acda voornoemd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Tussen Akropolis als werkgever en [naam onderbewindgestelde] als werknemer is op

10 oktober 2016 een oproepovereenkomst en per 1 juni 2018 arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 27 uur per week voor de functie van hulpkok en schoonmaker gesloten.

2.2.

[naam onderbewindgestelde] is sinds 1 augustus 2020 niet meer op zijn werk verschenen en heeft vanaf die datum geen werkzaamheden meer voor Akropolis verricht.

2.3.

De gemachtigde van [naam onderbewindgestelde] heeft Akropolis bij brief van 29 oktober 2020 tot betaling van het loon van augustus tot en met oktober 2020 en de wettelijke verhoging van 50% over augustus en september 2020 gesommeerd.

2.4.

De goederen van [naam onderbewindgestelde] zijn met ingang van 16 juli 2015 onder bewind gesteld met benoeming van [eiser] als bewindvoerder.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Akropolis te veroordelen om binnen drie dagen na dit vonnis aan [eiser] het aan [naam onderbewindgestelde] toekomende salaris over 27 contracturen per week vanaf augustus 2020 tot en met november 2020, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met 50% ex art. 7:265 BW wegens te late loonbetaling, dan wel een door de kantonrechter vast te stellen percentage aan wettelijke verhoging, te betalen,

  2. te bepalen dat Akropolis gehouden is om aan [eiser] het loon over 27 contracturen totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd te betalen,

  3. te bepalen dat Akropolis wegens achterstallige uitbetalingen vanaf januari 2020, voor zover deze zien op contracturen te weten € 796,00 netto, binnen drie dagen na dit vonnis aan [eiser] dient te betalen, te vermeerderen met 50% ex art. 7:265 BW wegens te late loonbetaling, dan wel een door de kantonrechter vast te stellen percentage aan wettelijke verhoging,

  4. te bepalen dat Akropolis alsnog aan [eiser] de gewerkte uren buiten de contracturen, te weten 64,5 uur per maand gedurende zeven maanden, zijnde

€ 4.537,54 bruto exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7:265 BW wegens te late loonbetaling dan wel een door de kantonrechter vast te stellen percentage aan wettelijke verhoging dient te betalen,

5. Akropolis te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt (een van de zijde van Akropolis toerekenbaar tekortschieten in de) nakoming van de arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen de betaling van achterstallig loon en de overuren, aan zijn vorderingen ten grondslag.

3.3.

Akropolis voert verweer.

3.4.

Op de inhoud van de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt dat [naam onderbewindgestelde] een drankprobleem heeft, dat Akropolis daarvan op de hoogte is en dat in dat kader partijen eind juli 2020 hebben afgesproken dat [naam onderbewindgestelde] in augustus 2020 niet bij Akropolis zal werken maar vakantie opneemt om deel te kunnen nemen aan Gespecialiseerde Thuis Begeleiding van Meander. [naam onderbewindgestelde] ging er dus van uit en mocht er op vertrouwen dat hij per 30 juli 2020 is ziek gemeld en zijn loon doorbetaald zou krijgen. [naam onderbewindgestelde] ontving maandelijks minder dan het volgens hem berekende netto-equivalent (€ 1.114,00) van € 1.206,00 bruto per maand. In dat kader heeft [naam onderbewindgestelde] van januari tot en met augustus€ 796,00 te weinig aan loon voor 27 contracturen ontvangen. Daarnaast heeft hij ook recht op het niet betaalde loon over 27 contracturen per week van augustus 2020 totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd en op 64,5 uur gedurende zeven maanden dat hij buiten de contracturen heeft gewerkt. [eiser] betwist de stelling van Akropolis dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd aangezien de handtekening op het 25 juli 2020 ondertekende ontslagbewijs (productie 9 van Akropolis) niet van [naam onderbewindgestelde] is. Hij heeft [naam onderbewindgestelde] en zijn echtgenote op het hart gedrukt niets te ondertekenen. Naast het ondertekenen van zijn arbeidsovereenkomst (1 juni 2018) heeft [naam onderbewindgestelde] ook op een blanco vel zijn handtekening moeten zetten. Hij vermoedt dat die handtekening is gescand in de brief van 25 juli 2020. Die handtekening wijkt af van die van 30 juli 2020 en [naam onderbewindgestelde] heeft daarvan aangifte bij de politie gedaan.

4.2.

Akropolis stelt niets meer aan [eiser] verschuldigd te zijn. Zij heeft het loon overeenkomstig de door [naam onderbewindgestelde] gewerkte uren tot en met juli 2020 betaald, nimmer een ziekmelding van [naam onderbewindgestelde] ontvangen en is niet bekend met een drankprobleem bij [naam onderbewindgestelde] . [naam onderbewindgestelde] is sinds 1 augustus 2020 niet meer op de werkplek verschenen en heeft vanaf die datum niet meer voor haar gewerkt. Verder is de arbeidsovereenkomst met [naam onderbewindgestelde] op 31 juli 2020 geëindigd in welk kader zij evenmin nog iets aan [eiser] verschuldigd is. Akropolis verwijst daartoe naar het door beide partijen op 25 juli 2020 ondertekende ontslagbewijs (productie 9).

4.3.

Het onweersproken spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering en behoeft geen verdere beoordeling.

4.4.

Een vordering in kort geding is alleen toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat die toewijzing in overeenstemming zal zijn met een oordeel in een bodemprocedure. De voorzieningenrechter dient daarom te beoordelen of de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop de toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. Daarbij dient te worden uitgegaan van de gestelde en ter zitting gebleken feiten waarbij toetsing maar beperkt mogelijk is, aangezien een kortgedingprocedure zich naar haar aard niet goed leent voor nadere bewijslevering.

4.5.

Niet is aannemelijk geworden dat [naam onderbewindgestelde] zich op enig moment bij Akropolis heeft ziekgemeld. Het lag op de weg van [eiser] om de ziekmelding van [naam onderbewindgestelde] , nu die kennelijk volgens de verklaring van [eiser] ter mondelinge behandeling telefonisch niet lukte omdat Akropolis niet op zijn telefoontjes reageerde, schriftelijk bij Akropolis te melden. [eiser] heeft echter gesteld noch doen blijken dat dat is gebeurd. Er valt dat ook niet in te zien dat [naam onderbewindgestelde] erop mocht vertrouwen dat hij per 30 juli 2020 is ziek gemeld en zijn loon zou krijgen doorbetaald, zodat niet anders geconcludeerd kan worden dan dat [naam onderbewindgestelde] arbeidsgeschikt was en dat hij in dat kader zijn arbeid bij Akropolis diende te verrichten. Met inachtneming van het voren vermelde bestaat dus niet de voor toewijzing in kort geding noodzakelijke zekerheid dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld [naam onderbewindgestelde] zich bij Akropolis ziek heeft gemeld en recht heeft op doorbetaling van loon. Nu vaststaat dat [naam onderbewindgestelde] sinds 1 augustus 2020 tot en met in ieder geval 30 november 2020 niet op zijn werkplek bij Akropolis is verschenen en vanaf 1 augustus 2020 geen arbeid voor Akropolis heeft verricht, ligt het onder 1 en 2 voor afwijzing gereed.

4.6.

Wat betreft de door [eiser] gestelde overuren die [naam onderbewindgestelde] zou hebben gewerkt, heeft [eiser] geen begin van bewijs geleverd dat [naam onderbewindgestelde] meer uren dan de 27 contracturen vanaf januari 2020 tot en met augustus 2020 werkzaam is geweest. Het lag op de weg van [eiser] om de gestelde overuren inzichtelijk te maken met bijvoorbeeld door Akropolis mede ondertekende werkbriefjes of anderszins, hetgeen [eiser] heeft nagelaten. Het is bij een blote stelling gebleven en dat kan in rechte niet gehonoreerd worden.

4.7.

Dat geldt ook voor het onder 3 gevorderde. Zonder aanlevering van enige berekening dat € 1.206,00 bruto volgens [eiser] € 1.114,00 netto zou moeten bedragen, is de stelling van [eiser] te summier om van de juistheid daarvan uit te kunnen gaan, temeer nu beide partijen verwijzen naar de loonstroken waaruit volgt dat het brutosalaris verminderd is met de inhoudingen (loonheffing, pensioenfondspremie en WGA) en tot een bedrag van € 1.070,66 netto en niet tot € 1.114,00 leidt.

4.8.

Met inachtneming van het in r.o. 4.6 en 4.7 overwogene zijn de enkele stellingen van [eiser] onvoldoende om voorshands, vooruitlopend op het oordeel van de bodemrechter, het onder 2 t/m 4 gevorderde toe te wijzen.

4.9.

Het debat tussen partijen over het einde van de arbeidsovereenkomst en de echtheid van de handtekening van [naam onderbewindgestelde] op de ontslagbrief van 25 juli 2020 kan in het midden blijven.

4.10.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Akropolis worden met toepassing van het liquidatietarief begroot op € 720,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot aan dit vonnis aan de zijde van Akropolis gerezen en begroot op € 720,00,

5.3.

verklaart onderdeel 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken.

type: YT