Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9855

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
03/094799-20 en 03/008353-18 (tul)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen overval frituur; toepassing volwassenstrafrecht ex artikel 495, lid 4 Wetboek van Strafvordering

De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering van de overval zelf, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Artikel 495, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering biedt de meervoudige kamer, waarvan de kinderrechter deel uitmaakt, de mogelijkheid om kennis te nemen van feiten voor- en nadat de verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. De rechtbank dient dan conform lid 5 van hetzelfde artikel een keuze te maken omtrent het toepasselijke sanctiestelsel. De hoofdregel is dat de berechting geschiedt volgens het sanctiestelsel van volwassenen.

De rechtbank kan echter met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht besluiten voor jongvolwassenen jeugdsancties toe te passen indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Uit overleg met de betrokken jeugdreclassering en gelet op het wegingskader adolescentenstrafrecht (ASR) is gebleken dat er geen indicatie meer is voor het toepassen van het adolescentenstrafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Familie en jeugd

Parketnummer: 03/094799-20 en parketnummer: 03/008353-18 (tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van 25 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2001,

gedetineerd in P.I. Zuid Oost te Roermond.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat, kantoorhoudend in Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 november 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Tevens zijn gehoord de moeder van de verdachte en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, afdeling jeugdreclassering (hierna: de GI).

Op 11 november 2020 heeft de rechtbank het onderzoek formeel gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: op 12 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen, al dan niet samen met anderen, een frituur heeft overvallen waarbij geld is weggenomen van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , waarbij met een mes is gedreigd naar [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , dan wel dat hij aan deze overval medeplichtig is geweest;

Feit 2: op 12 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen, al dan niet samen met anderen, goederen heeft weggenomen van [slachtoffer/medeverdachte 3] , waarbij gebruik is gemaakt van een valse sleutel;

Feit 3: op 12 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen, al dan niet met samen met anderen, [slachtoffer/medeverdachte 3] heeft mishandeld;

Feit 4: in de periode 31 oktober 2019 tot en met 3 november 2019, al dan niet samen met anderen, een woninginbraak heeft gepleegd waarbij goederen zijn weggenomen van

[slachtoffer 4] ;


Feit 5: op 7 oktober 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, al dan niet samen met anderen, heeft geprobeerd om een snorfiets (Piaggio Vespa Sprint) weg te nemen van [slachtoffer 5] ;

Feit 6: op 7 oktober 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, al dan niet samen met anderen, een snorfiets (Piaggio Vespa Sprint) heeft weggenomen van [slachtoffer 5] ;

Feit 7: op 16 februari 2020 in de gemeente Leudel benzine heeft gestolen van [naam benzinestation 1] en/of op 19 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen benzine heeft gestolen van [naam benzinestation 2] , dan wel dat hij die benzine toen aldaar heeft verduisterd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het onder feit 6 ten laste gelegde. Van dat feit moet de verdachte worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1 en feit 7 heeft de officier van justitie gevorderd het primair ten laste gelegde bewezen te verklaren.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair wegens het ontbreken van wettig en overtuigd bewijs voor het medeplegen van de overval. De bijdrage van de verdachte aan de overval is onvoldoende om te kunnen spreken van een intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht. Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich grotendeels aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de verdachte partieel vrij te spreken van het onderdeel dat ziet op het geven van instructies om

donkere kleding aan te trekken, een mes mee te nemen en/of een frituur te overvallen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte vrij te spreken van de strafverzwarende omstandigheid dat de goederen zijn weggenomen terwijl de toegang is verschaft door middel van een valse sleutel. Opzet hierop kan niet bewezen worden, omdat de verdachte er geen wetenschap van had dat de sleutel eerder tegen de wil van de aangever [slachtoffer/medeverdachte 3] is weggenomen.

Ook van feit 3 dient de verdachte partieel vrijgesproken te worden, namelijk van het

onderdeel dat ziet op het onder de douche zetten van de aangever. Buiten de verklaring van

de aangever [slachtoffer/medeverdachte 3] is hier geen bewijs voor in het dossier. Verder heeft de raadsvrouw ten aanzien van dit feit opgemerkt dat de verdachte minder vaak heeft geslagen dan aangever [slachtoffer/medeverdachte 3] beweert. De letselbeschrijving in het dossier komt ook niet overeen met de verklaring van aangever [slachtoffer/medeverdachte 3] .

Wat betreft de feiten 4 en 5 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdachte dient vrijgesproken te worden van feit 6, omdat de verdachte geen enkele bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de snorscooter.

Tot slot heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van de diefstal c.q. verduistering van de benzine gepleegd op 19 februari 2020, gelet op de onduidelijke foto (op pagina 557 van het dossier) en het feit dat de verdachte de auto geregeld uitleent (aan (onder andere) de medeverdachte [medeverdachte 1] ) waardoor niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op 19 februari 2020 heeft getankt zonder te betalen. Ten aanzien van de diefstal c.q. verduistering van de benzine gepleegd op

16 februari 2020 refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraakoverweging ten aanzien van de feiten 6 en 7

De rechtbank acht op basis van het dossier en wat op de zitting is besproken niet bewezen dat de verdachte zich op 7 oktober 2019 schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van een snorfiets, zodat hij dient te worden vrijgesproken van het onder feit 6 tenlastegelegde.

De enkele verklaring van de aangever dat de verdachte op hem zou zijn afgerend, is voor een

bewezenverklaring onvoldoende en deze verklaring wordt niet ondersteund door ander

bewijs in het dossier.

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte de diefstal c.q. verduistering van benzine op 19 februari 2020 heeft gepleegd, nu het procesdossier hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat, gelet op de onduidelijke foto (op pagina 557 van het dossier) en het feit dat de verdachte de auto geregeld uitleent (aan (onder andere) de medeverdachte [medeverdachte 1] ), niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op 19 februari 2020 heeft getankt zonder te betalen. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

3.3.2.

De bewijsmiddelen en de bewijsoverweging(en) 1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het tenlastegelegde onder de feiten 1, 2 en 3

Op 12 februari 2020 doen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aangifte van een overval op hun frituur

“ [naam frituur] ” in Sittard-Geleen, die op die dag is gepleegd.2 [slachtoffer 2] verklaart dat hij samen met zijn vrouw, aangever [slachtoffer 1] , omstreeks 20:00 uur werkzaam was in de frituur toen een

persoon gekleed in een zwart joggingsjack met capuchon en een groen gezichtsmasker voor zijn mond en neus de frituur binnen kwam lopen. [slachtoffer 2] zag dat deze persoon een vleesmes in zijn handen had en naar de kassa liep, waar op dat moment aangever [slachtoffer 1] stond. De persoon hield het mes op schouderhoogte vast, waarbij de punt van het mes naar het hoofd van aangever [slachtoffer 1] wees. De persoon stond daarbij direct achter de aangever [slachtoffer 1] en zei op dwingende wijze: “maak de kassa open”. Nadat aangever [slachtoffer 1] de kassalade opende, pakte de dader het geld uit de kassa. Toen hij het geld had zei hij: “ Niet de politie bellen!”. Vervolgens liep de dader de frituur uit.3

Aangever [slachtoffer 1] verklaart nog dat de persoon met het mes in de richting van de toonbank liep, alwaar zij stond, en dat deze persoon het mes met de punt naar boven in de richting van haar nek hield. [slachtoffer 1] hoorde de persoon zeggen” “Geef al het geld” en “Kassa openmaken”, waarna zij de kassa openmaakte en de dader briefgeld uit de kassa pakte.4

[slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart in zijn verhoor op 13 februari 2020 dat hij de overval op de frituur heeft gepleegd, omdat hij onder druk is gezet door een viertal jongens, welke later blijken te zijn de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .

[slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat hij een goldencard gewonnen had en dat hij had afgesproken om op

7 februari 2020 samen met een vriend (noot rechtbank: welke persoon later blijkt te zijn: de medeverdachte [medeverdachte 1] ) naar de Fairplay in Maastricht te gaan. Op enig moment besluit [slachtoffer/medeverdachte 3] niet meer te gaan en niet meer op berichten van de medeverdachte [medeverdachte 1] te reageren. [medeverdachte 1] vond dat hij daardoor € 1.500,00 was misgelopen. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat hij [medeverdachte 1] daarom dit geldbedrag verschuldigd was en dit aan hem moest betalen.5

Op 6 maart 2020 doet [slachtoffer/medeverdachte 3] aangifte van diefstal en mishandeling. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat de medeverdachte [medeverdachte 1] met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 10 februari 2020 bij hem op bezoek kwam voor geld. [medeverdachte 1] kwam met een groene Opel Corsa. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat de sfeer niet “chill” was, omdat hij geld moest regelen en dit niet lukte. Ze zijn de hele dag gebleven. Op 11 februari 2020 kwamen ze weer, wederom in de groene Opel Corsa. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat hij opnieuw geld moest regelen, dit keer voor benzine en dat hij zijn huissleutels moest afgeven aan [medeverdachte 1] . [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat [medeverdachte 1] die dag bedreigingen heeft geuit. Zo zei hij dat als [slachtoffer/medeverdachte 3] ooit naar zijn vader gaat of “snitcht”, hij kogels door zijn raam “blaast”, ook al zit [slachtoffer/medeverdachte 3] zus erbij; dat maakt niet uit.

Op 12 februari 2020 kwamen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] opnieuw in de groene Opel Corsa naar de woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] . [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat ze de deur van de woning zelf hebben opengemaakt met de huissleutel. Die dag was ook de verdachte erbij. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat de verdachte meteen een grote Basic-Fit tas pakte en deze begon te vullen met kleding, wasmiddel en haarproducten. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat de verdachte de televisie en PlayStation 4 ontkoppelde en dat ook [medeverdachte 1] meerdere big- shopper tassen pakte en deze samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vulde totdat alles “op was”. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat ze ook schoenen hebben meegenomen. Voornoemde goederen en een klein tafeltje hebben ze in de kofferbak van de auto gezet. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart verder dat hij op het bed zat en dat hij zijn telefoon, een iPhone 6, moest wissen en aan de verdachte moest geven. Zijn andere telefoon, ook een iPhone 6, maar dan met een gebarsten scherm moest hij aan [medeverdachte 1] afgeven. Vervolgens krijgt hij van iedereen klappen en brandende sigaretten tegen de nek, de hals en het oor gedrukt door de verdachte. Op enig moment moest [slachtoffer/medeverdachte 3] naar de douche. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat hij de douche heeft aangezet en met kleren aan lange tijd onder de koude douche heeft moeten staan. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat hij onder die douche moest blijven, totdat hij te horen zou krijgen dat hij eruit mocht. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart verder dat [medeverdachte 1] zei dat hij zich moest omkleden. Hij moest zwarte kleding zoeken en een mes meenemen. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat ze met zijn allen naar Geleen zijn gereden, waarbij de verdachte op enig moment uitstapte en de Basic-Fit tas, een zwart tafeltje, fotolijstjes, de televisie en de PlayStation een woning inbracht. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat ze daarna zijn teruggereden naar zijn woning. Thuis kreeg hij instructies over de overval, waarna ze naar de frituur zijn gereden. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat hij de auto uitstapte, naar de frituur liep, daar even heeft gewacht en toen de overval heeft gepleegd. Na de overval is [slachtoffer/medeverdachte 3] naar buiten gelopen en zag hij enkele straten verderop de groene Opel Corsa staan. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat hij naar de auto liep en dat [medeverdachte 1] toen de auto bestuurde. [slachtoffer/medeverdachte 3] verklaart dat hij het geld van de overval aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Hierna reed de Opel Corsa weg.6

Over de overval verklaart [slachtoffer/medeverdachte 3] in zijn verhoor van 13 februari 2020 dat hij op

12 februari 2020 omstreeks 19:45 uur, gekleed in donkere kleding en met een bandana om, de frituur binnenging. Hij liep met het mes in zijn hand richting de kassa, waarbij hij het mes in de richting van de vrouw hield. Hij zei dat de kassa opengemaakt moest worden en dat hij toen het geld uit de kassa heeft gepakt en is weggegaan.

Tijdens het verhoor zien de verbalisanten twee plekken op het oor en een blauwe plek in het oor van [slachtoffer/medeverdachte 3] .7

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2020 blijkt dat er bij de overval, na controle van de kassa door de aangever [slachtoffer 1] , in totaal een bedrag van € 320,00 is ontvreemd.8

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2020 blijkt dat diverse kledingstukken, het tafeltje en de televisie van [slachtoffer/medeverdachte 3] zijn aangetroffen op het adres [adres 1] te [woonplaats] , het woonadres van de verdachte.9

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2020 blijkt dat de Opel Corsa met kenteken [kenteken] op naam staat van de verdachte.10 Uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 mei 2020 blijkt dat [medeverdachte 1] gebruiker is geweest van de Opel Corsa met kenteken [kenteken] . Door de verbalisanten wordt verder in dit proces-verbaal beschreven dat twee dagen na de overval een gesprek plaatsvindt tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . Dit telefoongesprek is getapt en heeft onder andere de volgende inhoud: “Luister weet je wat je doet beter broer voor onze eigen veiligheid matty breng die auto gelijk naar de sloop. Gelijk, gelijk” en “Ja toch ewa, dan ga ik deze auto nu per direct als gestolen opgeven”.

Op 19 maart 2020 is voornoemde Opel Corsa getakeld op de Eisenhowerstraat nabij flat 265-384 te Sittard. In het voertuig werden verschillende goederen aangetroffen. Door de zus van [slachtoffer/medeverdachte 3] werd een aantal goederen herkend als kledingstukken waarvan [slachtoffer/medeverdachte 3] de rechtmatige eigenaar zou zijn.11

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 16 februari 2020 blijkt dat buurtbewoner [naam buurtbewoner] op 12 februari 2020 omstreeks 18:00 uur een groene Opel Corsa met Nederlands kenteken ter hoogte van perceel [adres 2] geparkeerd zag staan en dat een jongen uit de richting van het appartementencomplex [nummer] naar de Opel Corsa liep, iets uit de auto pakte en weer terugliep naar het genoemde appartementencomplex (noot rechtbank: medeverdachte [slachtoffer/medeverdachte 3] woonde ten tijde van het delict op het adres [adres 3] ). Op 12 februari 2020 omstreeks 20:00 uur zag [naam buurtbewoner] dat dezelfde Opel Corsa weer in de straat stond,

maar meer in de richting van de Odasingel. [naam buurtbewoner] hoorde lawaai op straat en zag dat vier of vijf getinte jongeren vanuit het appartementencomplex [nummer] in de richting van de groene Opel Corsa liepen. [naam buurtbewoner] zag dat de jongeren in de Opel Corsa stapten en hard wegreden in de richting van de Vouerweg.12

In het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2020 wordt beschreven dat de verdachte de hoofdgebruiker is van de gestolen iPhone 6 van de aangever [slachtoffer/medeverdachte 3] met IMEInummer [imei-nummer] . De iPhone werd op 7 april 2020 in beslag genomen in de woning van de verdachte. De verbalisant beschrijft dat uit onderzoek blijkt dat er op
18 februari 2020 tussen het nummer van de verdachte en het contact “ [naam contact] ” met nummer [telefoonnummer] wordt ge-sms’t. Dit nummer is in gebruik bij [medeverdachte 1] . Het contact “ [naam contact] ” is op 13 februari 2020 om 01:05 uur toegevoegd aan het adresboek van het toestel. Onder het kopje “toestel locatie” is te zien dat het toestel op 12 februari 2020 om 17:59 uur nog de naam “iPhone van N” had. Vanaf 19:19 uur is deze toestelnaam niet meer te zien.13

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2020 blijkt dat aan de bij de medeverdachte [medeverdachte 1] inbeslaggenomen telefoon het instagram-profiel met als naamaanduiding “ [naam profiel] ” is gekoppeld.14 [medeverdachte 1] heeft bij de politie erkend dat de naam van zijn instagram-profiel “ [naam profiel] ” is.15

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 20202 blijkt verder dat het toestel op

12 februari 2020 om 13.56.32 verbinding maakt met het bluetooth apparaat [naam apparaat] . In de telefoon zijn verder notities aangetroffen welke op een “rappende” manier geschreven zijn. De notitie met creatie datum en tijd 13 februari 2020 19.56.00 uur bevat onder andere de volgende inhoud:

“ben met turk in die astra

money man ik pak aan

djalla zit op schade

van 18 barkies

pak ze zus als borg”

De verbalisant beschrijft dat “barkies” € 100,00 betekent en dat de verdachte door zijn omgeving “Turk” genoemd wordt.

De notitie met creatie datum en tijd 17 februari 2020 19.27.55 uur bevat onder andere de volgende inhoud:

“in elke city zie je me oso’s observeren en klaren

maar sporen die laat ik niet achter

gozer

liet je laatst een ovoe zetten

en ik pakte je buit af”

De verbalisant beschrijft dat “ovoe” mogelijk afgeleid is van “oefoe” of “ov’tje” wat een ander woord is voor overval.

De notitie met creatie datum en tijd 13 maart 2020 14.12.33 uur bevat onder andere de volgende inhoud:
“hoopty werd gezocht dus ik moest m uitbrandde”

De verbalisant beschrijft dat “hoopty” “een waggie / auto” betekent.

De notitie met creatie datum en tijd 9 april 2020 23.17.13 uur bevat onder andere de volgende inhoud:
“fock die wijkagent

die zoeken naar getuigen

op t nieuws

ben nog free maar me turk die brandt

zwijgrecht

hij wist allang”

De verbalisant beschrijft dat op de verdachte op 7 april 2020 werd aangehouden en dat dit door de politie op social media bekend gemaakt werd.

De notitie met creatie datum en tijd 11 april 2020 21.53.33 uur bevat onder andere de volgende inhoud:
“me turk zit in een case

maar hij houd me erbuiten

zie ze posten veel naar buiten

ja t kan zijn dat ik wordt gesmehed

door die getuigen

ben r al op voorbereid”

De notitie met creatie datum en tijd 15 april 2020 22.56.31 uur bevat onder andere de volgende inhoud:
“ een mans in de regen

want me companion die zit locked

kijk op t nieuws

alleen me mannendraaien

t gaat nergens anders over

ja want die wijkagent zoekt nog sporen”

De verbalisant beschrijft dat “locked” opgesloten betekent.16

Uit proces-verbaal van bevindingen van 26 mei 2020 blijkt dat de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 3] op 12 februari 2020 om 19:23 uur connectie maakt met het wifi-modem van [slachtoffer/medeverdachte 3] . Op het toestel van [medeverdachte 3] zijn foto’s aangetroffen waarop personen te zien zijn. De verbalisant beschrijft dat hij op foto C met creatie datum en tijd 12-02-2020 20:01:12 [medeverdachte 3] en vermoedelijk de verdachte ziet. De verbalisant beschrijft dat de ruimte die te zien is op deze foto naar alle waarschijnlijkheid de kamer/woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] betreft door de twee dunne stroken gordijnen en een zwart vlak aan de bovenzijde van het raam. Het tijdstip van de foto komt overeen met het moment waarop de telefoon van [medeverdachte 3] verbinding maakt met het wifi-modem van [slachtoffer/medeverdachte 3] . Op foto F, waarop wederom [medeverdachte 3] te zien is, is de ruimte beter te zien. Daarbij wordt ook verwezen naar K1 en K2. De verbalisanten beschrijven dat zij op foto D met creatie datum en tijd 12-02-2020 20:02:03 [medeverdachte 3] en de medeverdachte [medeverdachte 2] zien. De verbalisant beschrijft dat de foto’s G1 en G2 twee screenshots zijn van een videofragment dat werd aangetroffen op het toestel van [medeverdachte 3] (creatie datum en tijd 12-02-2020 21:29:21). De verbalisant ziet dat zich 4 personen in een rijdende auto bevinden. De verbalisant herkent de personen in de auto als [medeverdachte 3] , de verdachte en [medeverdachte 1] . De verbalisant beschrijft dat de vierde persoon vermoedelijk [medeverdachte 2] betreft. De verbalisant beschrijft verder in het proces-verbaal van bevindingen dat hij op foto H1 en H2 [medeverdachte 1] herkent. De verbalisant ziet dat hij meerdere bankbiljetten in waaiervorm in zijn rechterhand heeft. Als tekst staat erbij geschreven “2 dagen doekoe”. De verbalisant beschrijft dat de ruimte waar [medeverdachte 1] zich bevindt mogelijk de woning van de verdachte betreft, aangezien het toestel van [medeverdachte 3] rond diezelfde tijd connectie maakt met het draadloze netwerk [adres 4] .17

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 24 mei 2020 blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 2] op 12 februari 2020 om 18.11.05 uur verbinding maakt met het Wifi netwerk SSID: [wifi netwerk] , de SSID naam behorende bij het wifi-modem van [slachtoffer/medeverdachte 3] . Verder blijkt uit het proces-verbaal dat er in de periode 12 februari 2020 tot en met medio april 2020 op het toestel is gezocht op de volgende trefwoorden: “frituur [naam frituur] ”, “ gevolgen als de politie je aanhoudt voor een overval”, “overval Sittard”, “dader gevolgen overval”, “wanneer mag de politie een inval doen”, “meer nieuws over de overval [naam frituur] ”.18

Op 14 februari 2020 is [slachtoffer/medeverdachte 3] onderzocht door een arts. De arts beschrijft dat er zich in de hals links, schuin onder-achter het oor een rond, scherp begrensd huidletsel met een doorsnede van circa 1 centimeter bevindt. De rand van het letsel is zwart-rood, met indroging en korstvorming. Centraal in het letsel zijn twee blaasjes met vocht zichtbaar. Verder beschrijft de arts het volgende: “op de rand van de oorschelp links zijn twee min of meer cirkelvormige, scherp begrensde huidlaesies met een doorsnede van circa 0,5 tot 1 centimeter zichtbaar. De randen van de laesies zijn rood-bruin van kleur en ingedroogd, centraal is er sprake van blaarvorming. De bovenzijde van de bovenste laesie en de onderzijde van de onderste laesie wordt gevormd door een gebied van korstvorming en indroging van de huid. Aan de oorschelp links, zowel aan de achterzijde als aan de voorzijde is een blauw-paarse verkleuring zichtbaar. De ronde huidlaesies met centrale blaarvorming (in de hals en op de rand van de oorschelp) hebben het aspect van brandwonden, meer specifiek van zgn. sigarettenpeukverbrandingen. De blauwe verkleuring van de oorschelp betreft een bloeduitstorting in het kraakbenige deel van de oorschelp.” De arts beschrijft verder dat de brandwonden op basis van hun aspect (scherp begrensde wondranden en blaarvorming) veel waarschijnlijker zijn als het scenario van toegebracht letsel waar is (drukken van een brandende sigaret op de huid), dan wanneer er sprake zou zijn van accidenteel in aanraking komen met een brandende sigaret. De arts beschrijft dat de bloeduitstorting aan de oorschelp waarschijnlijk is als er geslagen of gestompt is tegen het oor.19

De getuige [getuige 1] verklaart op 19 februari 2020 dat hij op 12 februari 2020 omstreeks 14:00 uur een afspraak had met [slachtoffer/medeverdachte 3] . De getuige [getuige 1] verklaart dat hij op die dag geen verwondingen heeft waargenomen bij [slachtoffer/medeverdachte 3] . De getuige heeft de verwondingen wel waargenomen op 13 februari 2020.20

De getuige [getuige 2] , zus van [slachtoffer/medeverdachte 3] , verklaart op 14 februari 2020 dat [slachtoffer/medeverdachte 3] op 12 februari 2020 tussen 16.25 en 16.35 uur aan de deur kwam met spullen. De getuige hoorde [slachtoffer/medeverdachte 3] zeggen “kan ik de spullen hier neer leggen zodat deze niet meegenomen worden?”. Op 12 februari 2020 tussen 21.00 en 22.00 uur werd bij de getuige aangebeld. Om 22.34 uur ging weer de bel. De getuige verklaart dat [slachtoffer/medeverdachte 3] voor de deur stond. De getuige hoorde hem zeggen: “Heb je mijn sleutel?”. De getuige vroeg waar de sleutel van [slachtoffer/medeverdachte 3] was. De getuige hoorde [slachtoffer/medeverdachte 3] zeggen: “Die hebben jongens gepakt” en “ze hebben mij in elkaar geslagen”. De getuige zag meerdere brandblaren op het linker oor en iets onder het linker oor van [slachtoffer/medeverdachte 3] .21

De getuige [getuige 3] , moeder [slachtoffer/medeverdachte 3] , verklaart op 14 februari 2020 dat zij op 11 februari 2020 uit het niets door [slachtoffer/medeverdachte 3] werd geappt. Hij gaf aan dat hij niet meer wist wat hij moest doen. Op 13 februari 2020 hoorde [getuige 3] van [slachtoffer/medeverdachte 3] dat jongens hem in zijn woning mishandeld hadden. De jongens hadden hem onder een koude douche gezet, geslagen, geschopt en sigarettenpeuken op hem uitgedrukt.22


Uit het rapport van het NFI van 7 mei 2020 blijkt dat het DNA dat op een sigarettenpeuk in de woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] is aangetroffen is vergeleken met het DNA van de verdachte en dat dit DNA matcht met dat van de verdachte. De matchkans is kleiner is dan 1 op 1 miljard.23

Uit het rapport van het NFI van 22 mei 2020 blijkt dat het DNA dat op een joint in de woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] is aangetroffen, is vergeleken met het DNA van [medeverdachte 1] en dat dit

DNA matcht met dat van [medeverdachte 1] . De matchkans is kleiner is dan 1 op 1 miljard.24

Ter zitting (10 november 2020) heeft de verdachte een (deels) bekennende afgelegd. De verdachte heeft verklaard dat hij op 12 februari 2020 werd gebeld door een vriend met de vraag of hij langs wilde komen om te “chillen” bij [slachtoffer/medeverdachte 3] . [slachtoffer/medeverdachte 3] moest die vriend nog geld betalen. De deur werd voor hem opengemaakt. De verdachte verklaart dat toen hij binnen kwam, die vriend zei dat alles meegenomen mocht worden. Dat hebben ze gedaan en die spullen hebben ze naar zijn woning gebracht. Er waren (buiten die vriend) nog 2 anderen bij, dat waren vrienden van die vriend. De verdachte verklaart dat ze daarna allemaal weer terug naar de woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] zijn gegaan en dat hij [slachtoffer/medeverdachte 3] een aantal klappen op diens oor heeft gegeven. Dat waren zo’n tien klappen. Dit was met de vlakke hand. De anderen hebben [slachtoffer/medeverdachte 3] ook allemaal klappen gegeven. De verdachte verklaart dat hij degene is geweest die sigarettenpeuken heeft uitgedrukt op [slachtoffer/medeverdachte 3] . Dit deed hij om druk uit te oefenen op [slachtoffer/medeverdachte 3] zodat er geld zou komen. De verdachte verklaart dat ze met zijn allen naar de frituur zijn gereden en dat hij samen met de andere jongens in de auto is blijven wachten totdat [slachtoffer/medeverdachte 3] terug kwam van de overval op de frituur. [slachtoffer/medeverdachte 3] heeft toen het geld afgegeven. Na de overval zijn de verdachte en de medeverdachten eerst terug naar huis gegaan en daarna zijn ze allemaal, behalve [slachtoffer/medeverdachte 3] naar de woning van de verdachte gekomen. De verdachte verklaart dat het klopt dat het geld dat op de foto’s te zien is bij [medeverdachte 1] , het geld van de overval is. De verdachte geeft aan dat het kan kloppen dat bij de weggenomen spullen een PlayStation zat.25

Bewijsoverweging feit 1 primair (medeplegen overval frituur)

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met, onder meer, de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Vast staat dat op 12 februari 2020 een gewapende overval heeft plaatsgevonden bij frituur “ [naam frituur] ” in Sittard-Geleen, die feitelijk is uitgevoerd door [slachtoffer/medeverdachte 3] . De medeverdachte/aangever [slachtoffer/medeverdachte 3] heeft een gedetailleerde verklaring afgelegd, die op meerdere essentiële punten wordt ondersteund door de andere bewijsmiddelen die hiervoor zijn aangehaald (en ook afkomstig zijn van/uit andere bronnen). De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer/medeverdachte 3] geloofwaardig en zal deze daarom voor het bewijs gebruiken.

Uit de bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – blijkt het volgende.
De verdachte was op de dag van de overval aanwezig in de woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] en wist dat [slachtoffer/medeverdachte 3] nog geld “verschuldigd” was aan zijn vriend, [medeverdachte 1] . In de aanloop naar de overval is [slachtoffer/medeverdachte 3] door de verdachte en de drie andere medeverdachten onder druk gezet om geld, dat [slachtoffer/medeverdachte 3] verschuldigd zou zijn aan een van hen, te regelen. Hij is hiertoe door de verdachte en de medeverdachten mishandeld; hij werd door allen geslagen en door de verdachte werden brandende sigaretten op zijn hals/ nek en zijn oor uitgedrukt. Ook werd hij door allen met zijn kleren aan onder de koude douche gezet. Zijn spullen waren tevoren al gestolen. In een tijdsbestek van 3 dagen zijn de medeverdachten meerdere keren naar de woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] gegaan. Op de derde dag – de dag van de overval – zijn zij allen samen meerdere keren weggegaan met de auto en telkens weer teruggegaan naar de woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] . Hoewel [slachtoffer/medeverdachte 3] feitelijk geen geld verschuldigd was aan [medeverdachte 1] of de anderen, moest er een overval worden gepleegd om een vermeende schuld te kunnen aflossen aan [medeverdachte 1] . [slachtoffer/medeverdachte 3] moest zich voor de overval omkleden en een mes meenemen. De verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn samen met [slachtoffer/medeverdachte 3] in de auto naar de frituur gereden, hebben op enige afstand staan wachten hebben daarna het geld van de overval in de auto in ontvangst genomen en zijn vervolgens samen, maar zonder [slachtoffer/medeverdachte 3] , weggereden. De verdachte is aanwezig geweest op alle belangrijke momenten, heeft die dag intens samengewerkt met de medeverdachten en het aanzetten van [slachtoffer/medeverdachte 3] tot het “regelen” van geld. Daarmee heeft verdachte zijn bijdrage geleverd in de voorbereiding van de overval waarbij hij zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering van de overval zelf, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Bewijsoverweging feit 2

De rechtbank is op grond van voormelde bewijsmiddelen van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van het onderdeel dat ziet op het toegang verschaffen tot de woning door middel van een valse sleutel. Van dit onderdeel zal de verdachte worden vrijgesproken.

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het zich de toegang te verschaffen door middel van een valse sleutel, nu uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat de verdachte wetenschap had van het feit dat de sleutel eerder tegen de wil van de aangever is weggenomen. Immers, toen dat gebeurde, was de verdachte niet aanwezig.

Bewijsoverweging feit 3

De rechtbank is op grond van voormelde bewijsmiddelen van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte heeft bekend [slachtoffer/medeverdachte 3] te hebben mishandeld door hem met de vlakke hand klappen op het oor te geven en brandende sigaretten op hem te hebben uitgedrukt. Ook de medeverdachten hebben [slachtoffer/medeverdachte 3] geslagen. De verdachte ontkent dat [slachtoffer/medeverdachte 3] onder de douche is gezet. De rechtbank is van oordeel dat ook dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden bewezen, nu zij de verklaring van [slachtoffer/medeverdachte 3] betrouwbaar acht en geen reden heeft te twijfelen aan dit onderdeel van de tenlastelegging, temeer niet nu die ondersteuning vind in de verklaring van zijn zus en moeder.


Feit 4

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte van [slachtoffer 4]26;

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd op de zitting van

10 november 202027.

Feit 5

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte van [slachtoffer 5]28;

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd op de zitting van

10 november 202029.

Feit 7 primair

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 16 februari 2020 benzine heeft gestolen van [naam benzinestation 1] , gelet op:

- de aangifte van [aangever] namens [naam benzinestation 1]30;

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd op de zitting van

10 november 202031.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, nu de verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaande aan het tanken, het oogmerk had van wederrechtelijke toe-eigening van deze brandstof.

3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1
op 12 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen, een hoeveelheid geld (ongeveer 320 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- met een mes in de hand naar de kassa te lopen en
- de punt van dat mes op korte afstand van de nek en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] te houden en
- dreigend de woorden toe te voegen: “Geef al het geld” en “kassa openmaken”, “maak je kassa open” en “niet de politie bellen”;

2
op 12 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen,
- een Basic-Fit tas en big shopper tassen en
- een televisie en
- een PlayStation 4 en
- wasmiddel en haarproducten en
- schoenen en kleding en
- meubelstukken,
toebehorende aan [slachtoffer/medeverdachte 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3
op meer tijdstippen op 12 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer/medeverdachte 3] heeft mishandeld door hem meermalen te slaan
en/of meermalen een brandende sigaret tegen de hals en/of nek en het oor van die [slachtoffer/medeverdachte 3] te houden en/of ervoor te zorgen dat die [slachtoffer/medeverdachte 3] een lange tijd, (met kleding) onder een koude douche heeft gestaan;


4
in de periode van 31 oktober 2019 tot en met 3 november 2019 in de gemeente

Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen
- sieraden en
- een baardtrimmer en
- sterke drank en
- een huisdeursleutel en een autosleutel en
- een televisie en
- twee luidsprekers (Sonos) en
- een notebook (Apple) en
- een computermuis (Apple) en
- een tas (Castelijn & Beerens) en
- drie maal een PlayStation 4 en
- twee maal een Xbox en/of
- een mobiele telefoon (iPhone 5s) en
- een databank (Apple) en
- een Horloge (Mitsubishi) en
- een koffer,
toebehorende aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

5
op 7 oktober 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door zijn mededader voorgenomen misdrijf om een snorfiets (Piaggio Vespa Sprint) toebehorende aan [slachtoffer 5] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, hebbende hij, verdachte, en zijn mededader
- gezegd dat ze een rondje op de scooter willen rijden en
- in de zakken van die [slachtoffer 5] gevoeld voor de sleutel en
- die [slachtoffer 5] geduwd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7
op 16 februari 2020 in de gemeente Leudal, een hoeveelheid benzine (35,06 liter), toebehorende aan [naam benzinestation 1] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair:

Diefstal, door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Feit 2:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Feit 3:

Mishandeling door twee of meer verenigde personen.

Feit 4:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 5:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen

Feit 7:

Diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen – met toepassing van het volwassenenstrafrecht – een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De onder de verdachte inbeslaggenomen auto dient verbeurd verklaard te worden en de onder de verdachte inbeslaggenomen pillen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de toepassing van het volwassenenstrafrecht heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, verzocht aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf. Zij heeft de rechtbank verzocht het onvoorwaardelijke deel zo kort mogelijk te houden, zodat de verdachte gemotiveerd blijft voor de hulp die hij hard nodig heeft. Ten aanzien van het beslag heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in een relatief kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan een zevental ernstige strafbare feiten. Op één dag, te weten 12 februari 2020, heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een overval op een frituur, aan de mishandeling van een “vriend van een vriend” en aan de diefstal van diens spullen.
De verdachte is op 12 februari 2020 op verzoek van een vriend, tevens medeverdachte, naar de woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] gegaan waar deze vriend/medeverdachte al was met twee andere medeverdachten. De vriend/medeverdachte had hulp nodig bij het onder druk zetten van [slachtoffer/medeverdachte 3] , om aan deze vriend/medeverdachte een niet bestaande geldschuld te voldoen. Zij hebben [slachtoffer/medeverdachte 3] geslagen, brandende sigaretten op hem uitgedrukt en hem met zijn kleding aan lange tijd onder een koude douche gezet. Ook hebben zij diverse spullen van hem weggenomen.

[slachtoffer/medeverdachte 3] heeft zich door het gedrag en de uitlatingen van de verdachten gedwongen gevoeld een overval op een frituur te plegen om de vermeende geldschuld te voldoen. De verdachten zijn met deze persoon in de auto van de verdachte naar de frituur gereden die overvallen zou worden, hebben op enige afstand staan wachten en hebben daarna het geld van de overval in ontvangst genomen. Vervolgens zijn zij zonder [slachtoffer/medeverdachte 3] weggereden. De vriend/medeverdachte pronkt later met de buit op een foto die op dezelfde avond in de woning van de verdachte is genomen.

Bovendien heeft de verdachte zich in de maanden daaraan voorafgaand schuldig gemaakt aan een woninginbraak, poging diefstal van een snorfiets en de diefstal van benzine.

Dit zijn allemaal ernstige feiten. De verdachte heeft bij het plegen van de feiten alleen gedacht aan wat het hem (of een medeverdachte) zou opleveren, zonder daarbij aan de gevoelens van de slachtoffers te denken. De verdachte heeft daarbij van geen enkel respect voor de lichamelijke integriteit en gevoelens van de slachtoffers blijk gegeven en evenmin voor de eigendommen van de slachtoffers.

Met betrekking tot de beroving van de frituur overweegt de rechtbank dat de ervaring leert dat de slachtoffers van een overval nog lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van wat hen is overkomen. Dit blijkt ook uit de toelichting op de ingediende vordering tot schadevergoeding van de eigenaars van de frituur. De slachtoffers zijn door de overval wantrouwend geworden, hebben slaapproblemen, hebben last van herbeleving en voelen zich niet meer veilig in hun eigen bedrijf.

Daarnaast veroorzaken overvallen als deze gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. De verdachte heeft hierbij op geen enkel moment stilgestaan.

Tevens hebben de verdachten zich samen schuldig gemaakt aan de mishandeling van “een vriend van een vriend”, tevens leeftijdsgenoot, in diens eigen woning, waar ze ook nog samen de nodige spullen van hem hebben gestolen. Ook dat is ernstig. Op een dergelijke manier iemand mishandelen, vernederen en onder druk zetten waardoor deze wordt aangezet tot het plegen van een strafbaar feit is zeer laakbaar.

De rol van de verdachte

Ten aanzien van de rol van de verdachte bij de overval merkt de rechtbank het volgende op.

Hoewel de verdachte zelf niet daadwerkelijk aanwezig is geweest in de frituur, heeft hij samen met de medeverdachten [slachtoffer/medeverdachte 3] onder druk gezet, is hij in de aanloop naar de overval meerdere keren met de medeverdachten weggegaan in de – door hem bestuurde - auto, waarna vervolgens steeds werd teruggegaan naar de woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] . Verdachte is aanwezig geweest bij en heeft meegedaan aan de mishandeling van [slachtoffer/medeverdachte 3] . Hij heeft – samen met de medeverdachten – [slachtoffer/medeverdachte 3] met zijn auto naar de frituur gereden waar de overval plaatsvond en hij heeft samen met de medeverdachten in de auto gewacht tot [slachtoffer/medeverdachte 3] terugkeerde na de overval en het buitgemaakte geld had afgegeven aan een van de medeverdachten in de auto.

De verdachte heeft op meerdere momenten de mogelijkheid gehad om dit te verhinderen, dan wel om zich hieraan te onttrekken. De verdachte en de medeverdachten zijn meerdere keren met de auto weggegaan en weer teruggegaan naar de woning van [slachtoffer/medeverdachte 3] . Dat waren bij uitstek momenten waarop de verdachte weg had kunnen gaan. Dat de verdachte heeft meegedaan aan deze mishandelingen - waarbij de verdachte degene is geweest die de brandende sigaretten heeft uitgedrukt op [slachtoffer/medeverdachte 3] - die uiteindelijk hebben geleid tot de overval op de frituur, neemt de rechtbank hem zeer kwalijk.

De persoon van de verdachte

De rechtbank houdt in dit kader rekening met de inhoud van het strafblad van
22 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder andere vermogensdelicten.

De rechtbank houdt verder rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte en met het advies van de reclassering.

Uit de rapportages van de reclassering (14 april 2020, 24 september 2020 en
3 november 2020) en van de raad voor de kinderbescherming (12 juni 2020) blijkt dat de verdachte een onstabiele jeugd heeft gehad waarbij hij meer dan 15 maal is gewisseld van woonplek, opvoeders en school. Vooralsnog is er geen zicht op een woonplek na detentie, werk of een dagbesteding en de verdachte had voor zijn detentie ook geen vast inkomen. Het ontbreekt de verdachte aan voldoende sociale steunbronnen. Het contact met zijn ouders is ambivalent en zijn sociale netwerk bestaat voornamelijk uit jongeren met gelijksoortige problematiek. In het verleden is de verdachte gediagnosticeerd met PTSS, een hechtingsstoornis en verstandelijk beperkte vermogens. Het is de hulpverlening tot nu toe, ondanks verschillende pogingen, niet gelukt om de verdachte op een adequate manier te helpen en te begeleiden. De verdachte is volgens de reclassering zelf niet in staat om zijn problemen op adequate wijze te hanteren en op te lossen. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van de verdachte naar de toekomst toe. Het is daarom wenselijk dat bij de verdachte gewerkt blijft worden aan gedragsverandering. De verdachte heeft bij de reclassering aangegeven nu wel open te staan voor hulp. Ter zitting heeft de verdachte ook erkend dat hij hulp nodig heeft en mee wil werken aan hulpverlening.

In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn proceshouding. De verdachte heeft tot de terechtzitting over het merendeel van de feiten gezwegen. Ter zitting heeft de verdachte openheid van zaken gegeven en duidelijk over de feiten verklaard, waarbij hij zijn rol niet heeft ontkend. Daarmee heeft hij laten zien verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor zijn gedragingen.

Beslissing over de toepassing van het adolescentenstrafrecht

Ten aanzien van de vraag of het jeugdstrafrecht (het zogenaamde adolescentenstrafrecht) moet worden toegepast, voor de feiten die zijn gepleegd toen de verdachte meerderjarig was, stelt de rechtbank voorop dat het uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Enkele feiten op de dagvaarding zijn door de verdachte gepleegd toen hij nog minderjarig was. Artikel 495, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering biedt de meervoudige kamer, waarvan de kinderrechter deel uitmaakt, de mogelijkheid om kennis te nemen van feiten voor- en nadat de verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt. De rechtbank dient dan conform lid 5 van hetzelfde artikel een keuze te maken omtrent het toepasselijke sanctiestelsel. De hoofdregel is dat de berechting geschiedt volgens het sanctiestelsel van volwassenen.

De rechtbank kan echter met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht besluiten voor jongvolwassenen jeugdsancties toe te passen indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.

In het reclasseringsadvies van 3 november 2020 wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. Uit overleg met de betrokken jeugdreclassering en gelet op het wegingskader adolescentenstrafrecht (ASR) is gebleken dat er geen indicatie meer is voor het toepassen van het adolescentenstrafrecht. De afgelopen jaren is door de jeugdreclassering geprobeerd om verdachte te helpen bij het op orde krijgen van zijn leven, maar de verdachte liet zich nauwelijks aansturen.

Daarnaast is er geen sprake van pedagogische beïnvloeding vanuit zijn ouders. De verdachte woont niet meer bij zijn ouders en gaat niet meer naar school. Bovendien heeft de jeugdreclassering aangegeven dat een aanpak vanuit de volwassenenreclassering nu beter bij de verdachte aansluit. Hij moet aangesproken worden op zijn eigen verantwoordelijkheid.

Inzet van jeugdreclassering of oplegging van een specifieke jeugdsanctie is niet nodig of passend.

De verdachte zelf is het ook eens met toepassing van het volwassenstrafrecht.

De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte geen aanleiding om recht te doen overeenkomstig de bepalingen van het jeugdstrafrecht. De verdachte is meerderjarig en het uitgangspunt is dan “meerderjarigen strafrecht, tenzij…”.

De ernst van het feiten speelt een rol, maar belangrijker nog zijn de omstandigheden en factoren waarom het jeugdstrafrecht toegepast moet worden. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of pedagogische beïnvloeding mogelijk is. Nu dat bij de verdachte niet (meer) aan de orde is, zijn er volgens de rechtbank geen aanknopingspunten voor de toepassing van het adolescentenstrafrecht. Ook voor zover het de feiten betreft toen de verdachte nog minderjarig was, ziet de rechtbank geen aanleiding tot toepassing van het jeugdstrafrecht.

De straf

De rechtbank houdt er rekening mee dat bij het bepalen van de strafmaat verschillende belangen een rol spelen. Aan de ene kant moet recht worden gedaan aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers (vergelding), aan de andere kant moet rekening gehouden worden met de persoon van de verdachte en het belang dat de maatschappij heeft bij een afdoening die voorkomt dat de verdachte opnieuw in de fout gaat (preventie).

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft de rechtbank mede gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft acht geslagen op de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting die gelden voor dit soort feiten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de volgende strafoplegging. De rechtbank is van oordeel dat aan de verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (waarbij de rechtbank uitgaat van 233 dagen voorarrest). De rechtbank is van oordeel dat aan dit voorwaardelijk deel de volgende bijzondere voorwaarden dienen te worden gekoppeld; dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, dat hij zich laat behandelen door Stevig of een soortgelijke hulpverlening, dat de verdachte verblijft bij beschermd wonen van Kracht in Zorg of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, dat de verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol /drugs, dat de verdachte meewerkt aan het vinden en behouden van een passende vorm van werk/dagbesteding en een contactverbod met de medeverdachten en met het slachtoffer/medeverdachte [slachtoffer/medeverdachte 3] .

Omdat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten een overval en mishandeling, en de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan, zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/medeverdachte 3]

De benadeelde partij [slachtoffer/medeverdachte 3] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 2.781,74, bestaande uit € 1.581,74 aan materiële kosten met betrekking tot de kleding en € 200,00 aan materiële kosten met betrekking tot de PlayStation en € 1.000,00 als vergoeding voor immateriële schade, te weten smartengeld. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2020. Eveneens verzoekt de benadeelde om het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij vordert hoofdelijke veroordeling van de verdachte en zijn mededaders tot vergoeding van zijn schade.

7.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de kleding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 775,87, nu er voor het overige onvoldoende onderbouwing is. De schade voor wat betreft de gestolen PlayStation acht de officier voor toewijzing vatbaar voor een bedrag van € 200,00.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade toewijsbaar is voor een bedrag van € 750,-. Het totaal toe te wijzen bedrag is dan € 1.725,87, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke toewijzing. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld de gevorderde materiële schade voor wat betreft de weggenomen kleding af te wijzen nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit het feit dat de benadeelde in november 2019 voor een bepaald bedrag kleding heeft gekocht nog niet blijkt dat de betreffende kleding ook daadwerkelijk is weggenomen. Volgens de raadsvrouw is niet onderbouwd welke kledingstukken precies zijn weggenomen. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat dit deel van de vordering moet worden gematigd tot een bedrag van € 646,74 (€ 731,74 minus € 85,00 CCV Energxchance BV), aangezien de waarde van de weggenomen kleding slechts tot de hoogte van dit bedrag is onderbouwd. Het bedrag € 85,00 van Energxchance BV kan de raadsvrouw niet plaatsen. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade voor wat betreft de PlayStation, refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het bedrag moet worden gematigd tot € 500,00 euro, omdat het gevorderde bedrag dat ziet op vernederende handelingen, geen rechtstreeks gevolg is van de ten laste gelegde feiten, omdat enkel de aangever over deze handelingen verklaart en de verdachte deze handelingen ontkent.

7.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte schade is toegebracht.

De schade voor wat betreft de PlayStation acht de rechtbank voldoende onderbouwd. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Voor wat betreft de overige materiële kosten in verband met de kleding, overweegt de rechtbank dat niet valt na te gaan welke kleding precies door de verdachten is gestolen, nu ook al op eerdere momenten kleding van de benadeelde partij is ontvreemd. De rechtbank is van oordeel dat de inspanningen om dit nader uit te zoeken, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dat deel van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren en zal bepalen dat hij dat deel van de vordering kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden (de verwondingen door het uitdrukken van de sigaretten en het schoppen en slaan en het lange tijd onder de koude douche moeten staan). De rechtbank acht een bedrag van € 750,00 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd. Het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade zal worden afgewezen.

Conclusie:

De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer/medeverdachte 3] een schadevergoeding betalen van

€ 950,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2020. De rechtbank verklaart de post van € 1.581,74 (materiële schade) niet-ontvankelijk (deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht) en wijst de post van € 250,00 (de overige gevorderde immateriële schade) af.

De schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [slachtoffer/medeverdachte 3] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd.

Hoofdelijkheid
Het te vergoeden bedrag van in totaal € 950,00 vermeerderd met de wettelijke rente (en de schadevergoedingsmaatregel) wordt hoofdelijk aan de verdachte en de mededaders opgelegd, omdat zij als medeplegers worden aangemerkt van de feiten 2 tot en met 3.

7.2.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend ten bedrage van € 1.420,00, bestaande uit € 320,00 aan materiële kosten met betrekking tot het gestolen kassageld en € 1.100,00 als immateriële kosten, te weten smartengeld. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2020. Eveneens verzoekt de benadeelde om het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke toewijzing.

7.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade gematigd moet worden tot een bedrag van € 900,00. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte schade is toegebracht. De gevorderde materiële schade kan worden toegewezen en de immateriële schade is onvoldoende onderbouwd betwist en komt de rechtbank niet onredelijk voor en zal daarom worden toegewezen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook in zijn geheel (hoofdelijk) toewijzen.

7.3.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend ten bedrage van € 900,00, bestaande uit immateriële kosten, te weten smartengeld. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2020. Eveneens verzoekt de benadeelde om het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke toewijzing.

7.3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade gematigd moet worden tot een bedrag van € 500,00. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte schade is toegebracht. De gevorderde immateriële schade is onvoldoende gemotiveerd betwist en komt de rechtbank niet onredelijk voor en zal daarom eveneens hoofdelijk worden toegewezen.

8 Het beslag

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven personenauto verbeurd verklaard dient te worden, nu met betrekking tot het inbeslaggenomen personenauto het bewezenverklaarde onder feit 1 en 2 is begaan.

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven pillen onttrokken dienen te worden aan het verkeer, nu dit goed van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03/008353-18

9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert verlenging van de proeftijd met één jaar van de in de zaak met parketnummer 03/008353-18 voorwaardelijk opgelegde taakstraf.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens verzocht de proeftijd te verlengen met één jaar.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen gelet op de op te leggen straf in de hoofdzaak.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36, 36b, 36d, 36f, 45, 47, 57, 300, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
11. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 6 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 tot en met 5 en 7 tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. dat de veroordeelde zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Leger des Heils op het adres Putgraaf 3, 6411 GT te Heerlen. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

  2. dat de veroordeelde zich laat behandelen door Stevig of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk nadat de veroordeelde uit detentie is gekomen. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

  3. dat de veroordeelde verblijft bij beschermd wonen van Kracht in Zorg of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan einde detentie. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

  4. at de veroordeelde meewerkt aan controle op het gebruik van alcohol / drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.

  5. dat de veroordeelde meewerkt aan het vinden en behouden van een passende vorm van werk /dagbesteding. De veroordeelde houdt zich hierbij aan afspraken die de reclassering met hem maakt.

  6. dat de veroordeelde, gedurende de proeftijd, voor zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opneemt, zoekt of heeft met:
    - [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ,

- [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 3] ,

- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 4] te [geboorteplaats 2] ,

- [slachtoffer/medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 5] te [geboorteplaats 2] ;

  • -

    geeft Reclassering Leger des Heils opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  2. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 14d van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht;

- beveelt dat de gestelde voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregel(en)

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 1.420,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 12 februari 2020 tot aan de dag der volledige voldoening;

-bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeeltde verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

-legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1] van € 1.420,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode 12 februari 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;

-bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 24 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen € 900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 12 februari 2020 tot aan de dag der volledige voldoening;

-bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeeltde verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

-legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 2] van € 900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode 12 februari 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;

-bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 18 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/medeverdachte 3] gedeeltelijk toe;

-veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer/medeverdachte 3] te betalen € 950,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 12 februari 2020 tot aan de dag der volledige voldoening;

-bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader(s) is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeeltde verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

- wijst de meer gevorderde immateriële schadevergoeding voor het overige af;

- verklaart de vordering ten aanzien van de materiële schade voor het meer of anders gevorderde niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

-legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer/medeverdachte 3] van € 950,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 12 februari 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 19 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 03.008353.18

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:

1 STK Personenauto

[kenteken]

- onttrekt aan het verkeer het volgende in beslag genomen voorwerp:

3 STK Medicijn.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.J. van den Acker, voorzitter, mr. E.B.A. Ferwerda en

mr. C.M.W. Nobis, rechters en allen kinderrechters in tegenwoordigheid van mr. S.C.H. Rutjens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 november 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1
hij op of omstreeks 12 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid geld (ongeveer 320 euro), in elk geval enig goed, dat
geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van
bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of
gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan
zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met een mes in de hand naar de kassa te lopen en/of
- (vervolgens) de punt van dat mes op korte afstand van de nek en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] te houden en/of
- (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen: “Geef al het geld” en/of “kassa openmaken”, “maak je kassa open” en/of “niet de politie bellen”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht,art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:

[slachtoffer/medeverdachte 3] op of omstreeks 12 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen, een hoeveelheid geld (ongeveer 320 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die [slachtoffer/medeverdachte 3] toebehoorde, te
weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van
bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of
gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan
zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
welke bedreiging met geweld hierin bestond dat die [slachtoffer/medeverdachte 3]
- met een mes in de hand naar de kassa is gelopen en/of
- (vervolgens) de punt van dat mes op korte afstand van de nek en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gehouden en/of
- (daarbij) dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Geef al het geld” en/of “kassa openmaken”, “maak je kassa open” en/of “niet de politie bellen”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 12
februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging
met (een) ander(en), althans alleen opzettelijk behulpzaam is geweest
en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- instructies te geven om donkere kleding aan te trekken en/of een mes mee te nemen en/of een frituur te overvallen en/of
- een auto ter beschikking te stellen en/of
- die [slachtoffer/medeverdachte 3] met die auto naar de [adres 5] te vervoeren en/of
- in de auto in de nabijheid op die [slachtoffer/medeverdachte 3] te wachten en/of
- (vervolgens) het weggenomen geld in ontvangst te nemen en/of
- met het weggenomen geld weg te rijden;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

2
hij op of omstreeks 12 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een Basic-Fit tas en big shopper tassen en/of
- een televisie en/of
- een PlayStation 4 en/of
- wasmiddel en haarproducten en/of
- schoenen en kleding en/of
- een of meer meubelstukken,
in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer/medeverdachte 3]
, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats
van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen
goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel
van een valse sleutel, door de deur van de woning van voornoemde
te openen met een gestolen (huis)sleutel;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van 03-094799-20/87526054-WT0102
Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

3
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 12 februari 2020 in de
gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen,(telkens) [slachtoffer/medeverdachte 3] heeft mishandeld door hem meermalen te slaan
en/of meermalen een brandende sigaret tegen de hals en/of nek en/of
het oor van die [slachtoffer/medeverdachte 3] te houden en/of ervoor te zorgen dat die
ongeveer een half uur, althans een lange tijd, (met kleding)
onder een koude douche heeft gestaan;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

4
hij in of omstreeks de periode van 31 oktober 2019 tot en met 3
november 2019 in de gemeente Sittard-Geleen,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- sieraden en/of
- een baardtrimmer en/of
- sterke drank en/of
- een huisdeursleutel en een autosleutel en/of
- een televisie en/of
- twee luidsprekers (Sonos) en/of
- een notebook (Apple) en/of
- een computermuis (Apple) en/of
- een tas (Castelijn & Beerens) en/of
- drie maal een PlayStation 4 en/of
- twee maal een Xbox en/of
- een mobiele telefoon (IPhone 5s) en/of
- een databank (Aplle) en/of
- een Horloge (Mitsubishi) en/of
- een koffer,
in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander
toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats
van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen
goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel
van braak en/of verbreking;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

5
hij op of omstreeks 7 oktober 2019 in de gemeente Sittard-Geleen,
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader
voorgenomen misdrijf om een snorfiets (Piaggio Vespa Sprint), in elk
geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] ,
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen,
hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader
- gezegd dat ze een rondje op de scooter willen rijden, althans woorden
van gelijke aard en/of strekking en/of
- in de zakken van die [slachtoffer 5] gevoeld voor de sleutel en/of
- die [slachtoffer 5] geduwd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van
Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

6
hij op of omstreeks 7 oktober 2019 in de gemeente Sittard-Geleen,
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
een snorfiets (Piaggio Vespa Sprint), in elk geval enig goed, dat geheel
of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader
toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk
om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht )

7
hij op of omstreeks 16 februari 2020 in de gemeente Leudal,
een hoeveelheid benzine (35,06 liter), in elk geval een hoeveelheid
brandstof, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten
aan [naam benzinestation 1] , en/of op of omstreeks 19 februari 2020 in de gemeente Sittard-Geleen,
een hoeveelheid benzine (35,61 liter), in elk geval een hoeveelheid brandstof, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam benzinestation 2] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 februari 2020 in de gemeente Leudal,
opzettelijk een hoeveelheid benzine (35,06 liter), in elk geval een
hoeveelheid brandstof, dat geheel of ten dele aan een ander
toebehoorde, te weten aan [naam benzinestation 1] , en/of op of omstreeks 19 februari 2020
in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk een hoeveelheid benzine (35,61 liter), in elk geval een
hoeveelheid brandstof, dat geheel of ten dele aan een ander
toebehoorde, te weten aan [naam benzinestation 2] ,
en welke benzine verdachte bij een voor zelfbediening ingerichte
benzinepompinstallatie, gelegen aan [adres 6] in Ell, gemeente
Leudal en [adres 7] in Geleen, gemeente Sittard-Geleen, had
getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine
verdachte aldus en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich
had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
( art 321 Wetboek van Strafrecht )

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Zuid-West-Limburg, proces-verbaalnummer LB3R020036, gesloten d.d. 22 juni 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1092.

2 Pagina’s 124 tot en met 126 en pagina’s 127 en 128.

3 Pagina’s 124 tot en met 126.

4 Pagina’s 127 en 128.

5 Pagina’s 610 tot en met 614.

6 Pagina’s 240 tot en met 253.

7 Pagina’s 610 tot en met 614.

8 Pagina’s 129 en 130.

9 Pagina’s 48 tot en met 50.

10 Pagina’s 528 en 529.

11 Pagina’s 70 tot en met 72.

12 Pagina’s 176 en 177.

13 Pagina’s 309 tot en met 311.

14 Pagina’s 335 tot en met 341.

15 Pagina’s 760 tot en met 777.

16 Pagina’s 335 tot en met 341.

17 Pagina’s 365 tot en met 365.

18 Pagina’s 376 tot en met 379.

19 Pagina’s 138 tot en met 140.

20 Pagina’s 196 tot en met 200.

21 Pagina’s 225 tot en met 233.

22 Pagina’s 210 tot en met 213.

23 Pagina’s 290 tot en met 294.

24 Pagina’s 332 tot en met 334.

25 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 10 november 2020.

26 Pagina’s 435 tot en met 440.

27 Proces-verbaal van de terechtzitting van 10 november 2020.

28 Pagina’s 407 tot en met 409.

29 Proces-verbaal van de terechtzitting van 10 november 2020.

30 Pagina’s 576 tot en met 578.

31 Proces-verbaal van de terechtzitting van 10 november 2020.