Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9783

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
ROE 20/2765
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft sluiting van de woning op grond van de Opiumwet en weigering verzoek om ontheffing op grond van de APV. Beroep op vertrouwensbeginsel. Verzoeker stelt dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door terug te komen op de eerder gemaakte afspraak dat verzoeker wekelijks toegang zou krijgen tot de tuin om de koikarpers te kunnen verzorgen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een toezegging die kan worden toegerekend aan verweerder. Algemeen belang staat echter aan geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2765

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. Th. Boumans),

en

de burgemeester van de gemeente Landgraaf, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Bloebaum).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder onder aanzegging van bestuursdwang verzoeker gelast de woning op het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden met ingang van

6 november 2020. Tevens heeft verweerder het verzoek tot het verlenen van een wekelijkse ontheffing geweigerd.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting kenbaar gemaakt dat de sluiting van de woning wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2020.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Deze zaak gaat over een last tot sluiting van de woning van verzoeker. In het primaire besluit heeft verweerder verzoeker gelast de woning op het adres [adres] te [postcode] [woonplaats] met ingang van 6 november 2020 voor de duur van drie maanden te sluiten. Verzoeker staat op voornoemd adres ingeschreven.

2. In de bestuurlijke rapportage van 1 september 2020 staat vermeld dat de politie op 29 augustus 2020 in de woning is binnengetreden naar aanleiding van een melding dat in de woning was geschoten en tevens een bedreiging had plaatsgevonden. In de kelder van de woning werd een inrichting voor de versnelde kweek van hennep aangetroffen. Hierin bevonden zich geen hennepplanten meer. Uit de bij de rapportage gevoegde fotomap blijkt dat in de aangetroffen plantenpotten wel nog resten van de hennepplant zichtbaar waren. Op de tweede verdieping werd een drooginrichting aangetroffen waarin drie netten hingen. In de netten bevonden zich henneptoppen. Het netto totaalgewicht van de aangetroffen henneptoppen bedroeg 4,7 kilogram. Bij een zogenoemde ‘MMC cannabistest’ reageerde een monster van de aangetroffen hennep positief. Tevens werden in de woning wapens in beslag genomen: een gaswapen, een veerdrukwapen en een nunchaku. Verder werd de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal afgenomen en was sprake van fraude met betrekking tot de waterafname.

3. Bij brief van 10 september 2020 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van het voornemen tot sluiting van de woning. Verzoeker heeft zijn zienswijze gegeven. Verweerder heeft bij het primaire besluit op grond van artikel 13b van de Opiumwet en zijn daarop gebaseerde beleid sluiting van de woning gelast voor de duur van drie maanden met ingang van 6 november 2020.

4. Verzoeker heeft (samengevat weergegeven) aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was tot sluiting van de woning over te gaan. Naar de mening van verzoeker is de sluiting niet in overeenstemming met het Damoclesbeleid en had verweerder eerst een minder vergaande maatregel moeten treffen, zoals een schriftelijke waarschuwing. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat verzoeker vanuit thuis werkt, waardoor sluiting van de woning niet alleen tot dakloosheid zal leiden maar ook tot het ontbreken van een inkomen. Verder was geen sprake van een ernstige situatie die sluiting rechtvaardigt. Zo is niet gebleken dat vanuit de woning is gehandeld en is evenmin gebleken van gevaarzetting of aantasting van de openbare orde. Evenmin is een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Uit de uitspraak van 5 juli 2010 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN1460, volgt dat in dit geval (in plaats van 4,7 kilogram) dient te worden uitgegaan van 900 gram hennep. Onder verwijzing naar de uitspraak van 4 juli 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2018:2241, heeft verzoeker aangevoerd dat, mocht de sluiting toch in overeenstemming zijn met het Damoclesbeleid, verweerder de woning niet in redelijkheid heeft kunnen sluiten.

Subsidiair heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder hem incidenteel toegang moet verlenen tot de tuin met vijver (waarin zich een aantal koikarpers bevindt). Tussen de tuin en de woning bestaat namelijk niet een zodanige relatie dat de bevoegdheid van verweerder zich ook tot de tuin uitstrekt. Verzoeker heeft in dat kader verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2097. Verweerder heeft naar de mening van verzoeker onvoldoende gemotiveerd waarom de sluiting ook ziet op de tuin, waar geen verdovende middelen zijn aangetroffen. Ook stelt verzoeker dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door terug te komen op de eerder gemaakte afspraak dat verzoeker wekelijks toegang zou krijgen tot de tuin om de koikarpers te kunnen verzorgen. Verzoeker stelt dat hij de koikarpers niet elders kan onderbrengen, omdat dit te duur en te intensief is. Daarnaast dient verweerder aan te geven waarom een wekelijkse ontheffing leidt tot verstoring van de openbare orde. Voorts heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door niet bij zijn besluitvorming te betrekken welke kosten een verplaatsing van koikarpers met zich meebrengt. Verder heeft verweerder onvoldoende meegewogen dat verplaatsing het risico op blootstelling aan het coronavirus onnodig verhoogt.

Waarover moet de voorzieningenrechter beslissen?

5. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om schorsing van het besluit tot sluiting van de woning van verzoeker en tot weigering van het verzoek om (wekelijkse) ontheffing van de woningsluiting. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het besluit van

14 oktober 2020 te schorsen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemzaak niet. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Gelet op de aard van de zaak, een woningsluiting, neemt de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aan en gaat zij over tot inhoudelijke behandeling van het primaire besluit.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat in de woning (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II bij de Opiumwet zijn aangetroffen.

Was verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om tot sluiting over te gaan?

7. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet luidt vanaf 1 januari 2019 als volgt:

De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 of artikel 11a voorhanden is.

8. Zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1771, heeft overwogen, is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van toepassing indien drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking in een woning of lokaal aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs de drugs in beginsel bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking.

9. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming de omstandigheden ten grondslag gelegd, zoals beschreven in de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage (vermeld onder rechtsoverweging 2). Voorts heeft verweerder daarbij betrokken dat het in dit geval een bewoonde woning betreft die is gelegen in een woonwijk. Uit deze omstandigheden volgt volgens verweerder dat in de woning van verzoeker sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en dat op grond van deze omstandigheden moet worden gesproken van een ernstige situatie.

10. Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bevoegd is om over te gaan tot sluiting van de woning en het daarbij behorende erf. De aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen, 4,7 kilogram, is reeds voldoende om, op grond van het aantreffen van een handelshoeveelheid softdrugs, de onderhavige bestuurlijke maatregel op te kunnen leggen. Verzoekers stelling dat dient te worden uitgegaan van een in de woning aangetroffen hoeveelheid hennep van 900 gram (in plaats van een hoeveelheid van 4,7 kilogram) kan niet leiden tot een ander oordeel. Daargelaten dat geen aanleiding bestaat uit te gaan van 900 gram nu in de fotomap staat dat het droge hennep betreft en ook het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 30 augustus 2020 vermeldt dat de henneptoppen droog waren, doet zich ook in dat geval een aanzienlijke overschrijding voor van het uitgangspunt van 5 gram softdrugs, zoals genoemd in rechtsoverweging 8, waardoor sprake is van een handelshoeveelheid.

Heeft verweerder gehandeld in overeenstemming met zijn beleid?

11. Ter uitvoering van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder de “Beleidsregels wet Damocles en wet Victoria gemeente Landgraaf 2020” (de Beleidsregels) vastgesteld.

12. Bij het uitoefenen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet heeft verweerder beslissingsruimte. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om van de bevoegdheid gebruik te maken. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder terughoudend moet toetsen. Ook bij de sluitingsduur heeft verweerder beslissingsruimte. Uit de Beleidsregels volgt dat de woning wordt gesloten voor de duur van drie maanden indien voor het eerst is geconstateerd dat sprake is van een handelshoeveelheid softdrugs. Verweerders besluit om in dit geval meteen over te gaan tot sluiting van de woning voor drie maanden is dan ook in overeenstemming met verweerders beleid.

Heeft verweerder aanleiding moeten zien om van dit beleid af te wijken?

13. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, herhaald bij uitspraak van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2924 en de uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, dient verweerder alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb, die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

14. Bij de beoordeling of zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet ten eerste worden bekeken of sluiting van de woning noodzakelijk is. Verweerder acht sluiting van de woning noodzakelijk omdat het op grond van de bestuurlijke rapportage aannemelijk is dat de woning (mede) gebruikt wordt voor het plegen van overtredingen van de Opiumwet. Sluiting van de woning en het bijbehorende erf dient ertoe de relatie van de woning (en het erf) met het criminele circuit en de handel te verbreken. Zichtbare sluiting van de woning en het bijbehorende erf vormt een signaal voor buurtbewoners en bij de woning betrokken drugscriminelen dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in woningen. Ook leidt dit tot grotere meldingsbereidheid, aldus verweerder in het primaire besluit. De voorzieningenrechter kan verweerder in dit standpunt volgen. Verzoeker heeft gesteld dat niet is gebleken dat vanuit de woning is gehandeld en dat evenmin is gebleken van gevaarzetting of aantasting van de openbare orde. Hetgeen verzoeker stelt leidt echter niet tot een ander oordeel. Uit de rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1333, volgt immers dat als uitgangspunt geldt dat als in een pand een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat dat pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Dit levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken.

15. Naast noodzakelijk moet de woningsluiting ook evenredig zijn. In het geval van verzoeker gaat het met name om de gevolgen van de sluiting. Wat betreft de evenredigheid is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder het belang van de sluiting zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van verzoeker. Verzoeker stelt dat hij zijn koikarpers – die zich in de vijver in de tuin van de woning bevinden – niet elders kan onderbrengen, omdat dit te duur en te intensief is. Verzoeker heeft dit echter op geen enkele wijze onderbouwd. Dit had wel voor de hand gelegen. Ter zitting heeft verzoeker verder desgevraagd aangegeven dat hij het verkopen van de koikarpers niet overwogen heeft omdat hij de koikarpers al lange tijd heeft en aan de vissen is gehecht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor de verzorging/opvang van de koikarpers bij verzoeker ligt. Dat zich in de vijver op het erf van verzoeker koikarpers bevinden komt immers voor rekening en risico van verzoeker. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het, anders dan verzoeker stelt, niet aan verweerder is om een zo volledig mogelijk onderzoek te doen naar de mogelijkheid en de kosten van het tijdelijk elders onderbrengen van de koikarpers. Verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te onderzoeken welke kosten verbonden zijn aan een tijdelijke verplaatsing van de koikarpers. De omstandigheid dat verzoeker zijn koikarpers tijdelijk elders moet onderbrengen of, wanneer dit te intensief en/of te duur is, dient te verkopen, maakt niet dat verweerder niet heeft mogen overgaan tot sluiting van de woning en het daarbij behorende erf. Dat verzoeker als gevolg van sluiting van de woning geen inkomen kan vergaren is niet onderbouwd en geeft daarom evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat het inherent is aan een woningsluiting dat de bewoner de woning dient te verlaten. Verweerder heeft, gelet op de omstandigheid dat sluiting van de woning leidt tot onttrekking van de woning aan de keten van drugshandel, geen aanleiding hoeven zien om van sluiting van de woning af te zien dan wel de duur van de sluiting te verkorten. Verzoekers heeft immers niet onderbouwd dat hij zich (tevergeefs) heeft ingespannen om vervangende woonruimte te vinden.

Had verweerder verzoeker een ontheffing moeten verlenen?

16. Ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening van verweerder, artikel 2.4.1 ‘Betreden gesloten lokaal’, tweede lid, is het verboden een krachtens artikel 13b, Opiumwet, gesloten woning (…), een bij die woning of dat lokaal behorend erf (…), te betreden.

Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen.

17. Verzoeker heeft in het kader van de ontheffing gesteld dat het bijbehorende erf niet kan worden gesloten omdat in de tuin geen verdovende middelen zijn aangetroffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in dit standpunt niet kan worden gevolgd. Gelet op de relatie tussen de woning en het daarbij behorende erf strekte de bevoegdheid van verweerder zich mede uit tot het bij de woning behorende erf. Indien het erf niet zou worden gesloten, zou dit immers ten koste gaan van het doel van de onderhavige bestuurlijke maatregel, te weten het verbreken van de relatie tussen de woning en het daarbij behorende erf en het criminele circuit. De verwijzing door verzoeker naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2097, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat deze uitspraak niet ziet op een vergelijkbare situatie. In de genoemde zaak ging het namelijk om de vraag of de relatie tussen een kelder en de rest van de loods zodanig was dat de bevoegdheid van de burgemeester zich mede uitstrekte tot de rest van de loods.

18. Verzoeker heeft in het kader van zijn verzoek om een ontheffing tevens een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Verzoeker stelt dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door terug te komen op de eerder gemaakte afspraak dat verzoeker wekelijks toegang zou krijgen tot de tuin om de koikarpers te kunnen verzorgen.

19. In de uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) heeft de Afdeling voor een beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel een stappenplan uiteengezet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan alleen slagen als de uitlating aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.

20. Uit genoemde uitspraak volgt dat de eerste vraag die gesteld moet worden is of de uitlating van de medewerkster van verweerder waar verzoeker zich op beroept, kan worden gekwalificeerd als een toezegging. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Vast is komen te staan dat [naam] , administratief medewerker in dienst van verweerder, in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing, het erf behorende bij de woning op 24 september 2020 heeft bezocht in het bijzijn van twee bijzondere opsporingsambtenaren. Hierbij waren ook verzoeker, diens gemachtigde en de partner van verzoeker aanwezig. Volgens verzoeker is tijdens dit bezoek de afspraak gemaakt dat verzoeker toestemming kreeg om de in de tuin aanwezige koikarpers te verzorgen. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoeker een verklaring, gedateerd 1 november 2020, overgelegd. Deze verklaring is ondertekend door verzoeker, diens partner en de gemachtigde. In de verklaring staat vermeld dat [naam] bij het maken van de genoemde afspraak geen voorbehoud heeft gemaakt en dat zij de indruk wekte namens de burgemeester te spreken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met de door de gemachtigde ondertekende verklaring afdoende komen vast te staan dat sprake is van een toezegging.

21. Daarmee rijst vervolgens de vraag of die toezegging kan worden toegerekend aan het bestuursorgaan. Dat is het geval als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Hoewel [naam] administratief-medewerkster is en dus niet het bevoegde orgaan betreft, blijkt uit de voornoemde verklaring dat [naam] geen voorbehoud heeft gemaakt over het wel of niet toegang geven tot de tuin en daarmee dus de indruk heeft gewekt namens verweerder te spreken. Dat zij nog ruggespraak moest houden met verweerder is niet gebleken.

22. Dat sprake is van een door verweerder gewekt vertrouwen bij de uitoefening van zijn bevoegdheid betekent echter nog niet, dat verweerder gehouden was te handelen naar dit gewekte vertrouwen. Als laatste stap in het stappenplan als weergegeven in de uitspraak van 29 mei 2019 volgt namelijk dat dan een afweging van de betrokken belangen plaats dient te vinden. Het belang van verzoeker bij wie het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt, moet worden afgewogen tegen het belang van verweerder. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat in dit geval het algemene belang dat verweerder dient aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in de weg staat. Onder dat algemene belang verstaat de voorzieningenrechter in dit geval het zichtbaar onttrekken van een pand aan het drugscircuit en het herstellen van de openbare orde. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen enkel nadeel heeft ondervonden van de toezegging op 24 september 2020. Op dat moment was er immers nog geen besluit genomen op het verzoek om ontheffing. Vervolgens heeft [naam] diezelfde middag telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde met de mededeling dat zij de bevindingen intern moest bespreken. Het had verzoeker vanaf dat moment duidelijk kunnen zijn dat de ontheffing niet zonder meer zou worden verleend. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker in die korte periode (bovendien ook niet daarna) handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

23. De omstandigheid dat nog altijd sprake is van een uitbraak van het coronavirus (Covid-19) heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot gevolg dat verweerder de verzochte ontheffing niet heeft kunnen weigeren. Niet valt te verwachten dat een verplaatsing dan wel een verkoop van de Koikarpers ertoe leidt dat het risico dat verzoeker met het coronavirus besmet raakt significant toeneemt. Dat dit wel het geval zou zijn, is niet door verzoeker onderbouwd. Ook dit betoog faalt.

Conclusie

24. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd verweerder niet had moeten nopen tot afwijking van het gevoerde beleid dan wel tot verlening van de verzochte ontheffing op grond van de APV.

Dient een extra termijn te worden gegeven?

25. Het besluit kan dus de rechterlijke toets in deze voorlopige voorziening doorstaan. De belangen van verzoeker wegen op zichzelf niet op tegen de belangen van de burgemeester om uitvoering te kunnen geven aan het besluit. Wel stelt de voorzieningenrechter vast dat het besluit, gelet het standpunt van verweerder dat gewacht wordt met sluiting totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, ertoe leidt dat de woning en het erf daags na de uitspraak worden gesloten en verzegeld, en dat verzoeker daarna gedurende drie maanden niet meer in de woning en op het erf kan verblijven. Om te voorkomen dat de koikarpers van verzoeker als gevolg van de sluiting van de woning en het daarbij behorende erf zullen overlijden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het bestreden besluit te schorsen voor zover dat betrekking heeft op het erf van het adres [adres] te [woonplaats] . Verzoeker mag gedurende een extra termijn van drie weken, gerekend vanaf de datum van de uitspraak, dus tot 2 januari 2021, 9.00 uur, zijn erf betreden om de koikarpers te verzorgen. Hierdoor is verzoeker in de gelegenheid om binnen deze termijn zijn koikarpers elders onder te brengen dan wel deze te verkopen. De woning mag dus wel worden gesloten maar verzoeker krijgt drie weken extra de tijd om de koikarpers te verplaatsen.

26. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het erf van het adres [adres] te [woonplaats] voor een termijn van drie weken, gerekend vanaf de datum van de uitspraak, dus tot 2 januari 2021, 9.00 uur.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Smeets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2020.

De griffier is niet in de gelegenheid rechter

de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.