Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9781

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
C/03/274547 / FA RK 20-574
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:205 BW. Verzoek tot vernietiging erkenning door ander dan verwekker. Verzoek is ingediend door verwekker, die eerder van de rechtbank vervangende toestemming tot erkenning had gekregen, maar niet tot erkenning was overgegaan. Geen termijn waarbinnen erkenning met vervangende toestemming dient plaats te vinden. Strikte maatstaf toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 30 november 2020

Zaaknummer: C/03/274547 / FA RK 20-574

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:

[verzoeker] ,

verzoeker, verder te noemen: [verzoeker] ,

wonend op een geheim adres binnen het arrondissement van de rechtbank Limburg,

advocaat mr. J.M. McKernan, kantoorhoudend in Sittard.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,

verder te noemen: de moeder,

wonend in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. J.F.E. Kikken, kantoorhoudend in Heerlen,

en:

[belanghebbende 2] ,

verder te noemen: [belanghebbende 2] ,

wonend in [woonplaats 2] ,

en:

de minderjarige

[minderjarige] , hierna te noemen: [minderjarige] ,

geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,

in rechte vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Daemen,

advocaat, kantoorhoudend in Brunssum,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator voor [minderjarige] ,

verder te noemen: de bijzondere curator.

Wederom gezien de stukken, waaronder de beschikking van deze rechtbank van 6 maart 2020.

1 Het verdere verloop van de procedure

  • -

    het verslag van de bijzondere curator van 2 april 2020, ingekomen op 3 april 2020;

  • -

    het verweerschrift van de moeder, ingekomen op 20 april 2020;

  • -

    het F9-formulier van de man van 24 juli 2020, met bijlage;

  • -

    de mondelinge behandeling van 3 november 2020 waar zijn verschenen:

- de man en mr. McKernan;

- de moeder en mr. Niellissen;

- de bijzondere curator.

[belanghebbende 2] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De standpunten

2.1.

De man heeft in zijn verzoekschrift gesteld dat de moeder misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid door [minderjarige] door [belanghebbende 2] , zijnde de inmiddels ex-partner van de moeder, te laten erkennen. De moeder is op de hoogte van het feit dat bij beschikking van deze rechtbank van 3 juli 2017 aan de man vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] is verleend. Toch heeft zij ondanks die uitspraak [minderjarige] willens en wetens door [belanghebbende 2] laten erkennen. Indien de moeder het niet eens was met die beslissing had zij een rechtsmiddel kunnen aanwenden. Tevens maakt de moeder misbruik van haar bevoegdheid nu zij weet dat [belanghebbende 2] niet de biologische vader is van [minderjarige] . De man is wel de biologische vader van [minderjarige] . Om hem moverende reden is de man nadien niet tot inschrijving van de erkenning overgegaan. Juridisch gezien is er geen termijn waarbinnen de vervangende toestemming dient te worden ingeschreven. De man wil een rol spelen in het leven van [minderjarige] . De man wilde [minderjarige] alsnog erkennen en werd geconfronteerd met het feit dat [minderjarige] inmiddels door [belanghebbende 2] is erkend. De man is van mening dat de moeder misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt. De moeder heeft [belanghebbende 2] enkel toestemming gegeven met het oogmerk de belangen van de man te schaden.

Ingevolge artikel 1:205 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de biologische vader niet de mogelijkheid een verzoek tot vernietiging van de erkenning door de juridisch vader in te dienen. Uit de parlementaire geschiedenis moet echter worden afgeleid dat de wetgever het mogelijk heeft geacht dat de verwekker met een beroep op misbruik van bevoegdheid de erkenning van het kind aantast, indien door de moeder toestemming tot erkenning een aan niet-verwekker is gegeven met slechts het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden.

De man heeft ter zitting nog aangegeven dat hij in januari 2019 via facebook contact heeft gezocht met de moeder en haar heeft gevraagd om samen in gesprek te gaan omdat hij er voor [minderjarige] wilde zijn. Het was een bewuste keuze van de man om tot januari 2019 te wachten. Hij volgde namelijk een zwaar hulpverleningstraject en moest eerst dingen afsluiten voordat hij een vader kon zijn voor [minderjarige] . Volgens de man heeft de moeder hem in januari 2019 via Facebook gezegd dat hij nooit iets met het kind te maken zou krijgen. Toen de man zich daarna bij zijn advocaat meldde omdat hij een omgangsregeling met [minderjarige] wilde, kwam hij tot de ontdekking dat [minderjarige] door [belanghebbende 2] was erkend.

2.2.

De moeder heeft in haar verweerschrift verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans hem het door hem verzochte als ongegrond dan wel onbewezen te ontzeggen.

De moeder heeft aangegeven dat zij, nadat er sinds 3 juli 2017 reeds twee jaren waren verstreken zonder dat de man gebruik heeft gemaakt van de vervangende toestemming, aan [belanghebbende 2] toestemming heeft verleend om [minderjarige] te erkennen. Uitgangspunt dient volgens de moeder te zijn dat de man als verwekker op grond van de limitatieve opsomming in artikel 1:205 BW niet bevoegd is om een verzoek tot vernietiging van de erkenning in te dienen. Subsidiair is de moeder van mening dat nu de man wel vervangende toestemming heeft verkregen maar vervolgens van deze toestemming geen gebruik heeft willen maken, althans geen gebruik heeft gemaakt, dient te worden beoordeeld of de moeder op het moment waarop zij [belanghebbende 2] toestemming gaf om [minderjarige] te erkennen slechts het oogmerk had de belangen van de man te schaden. De moeder betwist ten stelligste dat zij op het moment dat zij [belanghebbende 2] toestemming heeft verleend om [minderjarige] te erkennen slechts het oogmerk had om de belangen van de man te schaden. De moeder was en is van mening dat het belang van [minderjarige] meebracht dat zij toestemming verleende aan [belanghebbende 2] en [minderjarige] op deze wijze van een vader voorzag. De moeder heeft slechts in het belang van [minderjarige] willen handelen.

Meer subsidiair is de moeder van mening dat zij, gelet op de lange tijd dat de man van de hem verleende vervangende toestemming geen gebruik had gemaakt en het belang dat [minderjarige] had bij een vader in zijn leven, alleszins in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan [belanghebbende 2] om [minderjarige] te erkennen heeft kunnen komen. Van een onevenredigheid tussen de belangen van de man en de belangen van de moeder - telkens in verband met de belangen van het kind - is geen sprake geweest. [minderjarige] had kennelijk van de man niets te verwachten. De belangen van [minderjarige] brachten mee dat [belanghebbende 2] , die zich ook als vader beschouwde en gedroeg, in de gelegenheid werd gesteld om hem te erkennen.

Het belang van [minderjarige] is niet met een vernietiging van de erkenning gediend en het belang van de moeder evenmin. [minderjarige] ontwikkelt zich voorspoedig mede als gevolg van de rol die [belanghebbende 2] bij zijn verzorging en opvoeding heeft gespeeld en nog steeds speelt. [minderjarige] heeft regelmatig contact met [belanghebbende 2] en deze past ook op als dat in verband met het werk van de moeder nodig is. Het gaat goed met [minderjarige] , maar de moeder heeft als gevolg van het feit dat de man zich weer heeft gemeld opnieuw psychische hulp moeten inroepen en dat vormt ook voor [minderjarige] een bedreiging. De moeder is van mening dat haar geen misbruik van bevoegdheid kan worden verweten en dat de erkenning in stand moet blijven.

De moeder heeft ter zitting nog aangeven dat zij dacht dat de man, gelet op het verstrijken van de termijn van vier maanden die de rechtbank aan de man had gegeven voor het indienen van de geboorteakte met de latere vermelding van de erkenning, geen erkenning meer kon doen en dat zij aan [belanghebbende 2] toestemming mocht verlenen. Zij kwam er pas later achter dat hij dat altijd nog kon doen. De moeder heeft desgevraagd aangegeven dat zij geen contact heeft gezocht met de man toen zij [belanghebbende 2] toestemming tot erkenning verleende.

Ook als er in januari 2019 contact tussen partijen is geweest en de moeder daaraan de conclusie had moeten verbinden dat de man [minderjarige] nog wilde erkennen, dan nog zijn er daarna maanden voorbijgegaan voordat de man iets is gaan ondernemen. De man had [minderjarige] op dat moment moeten gaan erkennen, maar wacht daar vervolgens nog een jaar mee. De moeder heeft [minderjarige] in de tussentijd in het belang van [minderjarige] door [belanghebbende 2] laten erkennen.

2.3.

De bijzondere curator heeft zich op het standpunt gesteld dat de verwekker in beginsel geen verzoek tot vernietiging van de erkenning op basis van artikel 1:205 BW kan doen, omdat er een rechtsingang is geregeld in artikel 1:204 lid 3 BW. De man heeft gebruik gemaakt van die rechtsingang en bij genoemde beschikking van 3 juli 2017 heeft de rechtbank de bij dat artikel behorende belangenafweging gemaakt en de beslissing genomen aan de man vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] te verlenen. Vaststaat dat de moeder niet tegen die beschikking in beroep is gegaan. De moeder wist van de inhoud van genoemde beschikking en heeft toentertijd bijstand gehad van een advocaat. Zij heeft de erkenning van [minderjarige] door [belanghebbende 2] laten plaatsvinden zonder na te gaan of de man [minderjarige] nog wilde gaan erkennen. Ze heeft geen contact met de man opgenomen. De man heeft wel nog contact met haar opgenomen. De bijzondere curator verwijst naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 juli 2020 ( ECLI:NL:GHAMS:2020:2135). De moeder heeft volgens de bijzondere curator evident misbruik gemaakt van haar bevoegdheid door een andere man [minderjarige] te laten erkennen. De bijzondere curator is derhalve van mening dat de erkenning door [belanghebbende 2] moet worden vernietigd en het verzoek van de man dient te worden toegewezen.

3 De verdere beoordeling

Op grond van artikel 1:205 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:

a. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;

b. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;

c. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.

De man heeft als verwekker van [minderjarige] , gelet op de limitatieve opsomming in artikel 1:205 lid 1 BW, geen zelfstandige rechtsingang om een verzoek in te dienen tot vernietiging van de erkenning gedaan door een ander.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor de beantwoording van de vraag of de verwekker de door een niet-verwekker met toestemming van de moeder verrichte erkenning toch ongedaan kan maken, van belang is dat aan de verwekker in artikel 1:204 lid 3 BW de bevoegdheid is toegekend om de minderjarige met vervangende toestemming van de rechter te erkennen. Indien de verwekker van zijn mogelijkheid om de minderjarige te erkennen geen gebruik heeft gemaakt, is er derhalve geen reden om de verwekker achteraf alsnog de gelegenheid te geven om de erkenning door een andere man te vernietigen, tenzij door de moeder toestemming tot erkenning door een niet-verwekker is gegeven met slechts als oogmerk de belangen van de verwekker te schaden. In dat geval zou er op grond van vaste rechtspraak aan de zijde van de moeder sprake zijn van misbruik van bevoegdheid waardoor de erkenning door de ander niet rechtsgeldig zou zijn ("de strikte maatstaf", HR 12 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ7386).

Indien de verwekker echter niet of niet tijdig vervangende toestemming heeft kunnen vragen, geldt volgens vaste jurisprudentie "de minder strikte maatstaf", te weten of de moeder, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder - telkens in verband met de belangen van de kinderen - in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan de andere man heeft kunnen komen.

Gezien het vorenstaande en nu bij beschikking van 3 juli 2017 reeds aan de man vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] is verleend, tot welke erkenning de man echter om hem moverende redenen niet is overgegaan, is de rechtbank van oordeel dat de strikte maatstaf zoals die in de jurisprudentie wordt gehanteerd in casu analoog dient te worden toegepast. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of de moeder slechts met het oogmerk de belangen van de man te schaden toestemming tot erkenning aan [belanghebbende 2] heeft gegeven.

Vaststaat dat de moeder op de hoogte was van de inhoud van genoemde beschikking van

3 juli 2017, dat zij gedurende de procedure die tot die beschikking heeft geleid bijstand heeft gehad van een advocaat en dat zij niet tegen die beschikking in hoger beroep is gegaan. In die beschikking heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de man en [minderjarige] een zwaarwegend belang hebben bij erkenning van hun relatie in rechte als een familierechtelijke betrekking.

Uit de wet en de jurisprudentie volgt geen termijn waarbinnen de erkenning met vervangende toestemming dient plaats te vinden. Dat de moeder heeft gedacht dat daarvoor een termijn van slechts vier maanden bestond, doet daaraan niet af. Het had op de weg van de moeder gelegen om daarover informatie in te winnen.

Onweersproken heeft de man gesteld dat hij in januari 2019 via facebook contact heeft gehad met de moeder en toen heeft aangegeven dat hij een rol wilde spelen in het leven van [minderjarige] . Uit de stukken blijkt dat de moeder rond maart 2019 een relatie met [belanghebbende 2] heeft gekregen, waarna zij op 5 juli 2019 toestemming tot erkenning heeft gegeven aan [belanghebbende 2] . Volgens de moeder kon zij op die manier [minderjarige] van een vader voorzien. Zij vond dat [minderjarige] behoefte had aan een vader en zij stelt dat [minderjarige] van de man kennelijk niets te verwachten had.

Gelet op het vorenstaande had de moeder naar het oordeel van de rechtbank, alvorens over te gaan tot het verlenen van toestemming aan [belanghebbende 2] , dienen na te gaan of de man nog over wilde gaan tot erkenning. De man had immers in januari 2019 aangegeven dat hij een rol wilde spelen in het leven van [minderjarige] . Door [belanghebbende 2] [minderjarige] te laten erkennen zonder tevoren contact met de man op te nemen en in de wetenschap dat de man iets wilde betekenen voor [minderjarige] , heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank slechts gehandeld met het oogmerk de belangen van de man te schaden.

De rechtbank zal de erkenning van [minderjarige] door [belanghebbende 2] dan ook vernietigen.

4 De beslissing

vernietigt de door [belanghebbende 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] , op 5 juli 2019 gedane erkenning van [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ;

bepaalt dat de griffier niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking en voor zover daartegen geen hoger beroep is ingesteld, een afschrift van deze beschikking zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Heerlen in wiens registers de geboorteakte van [minderjarige] zich bevindt, dit met het oog op het bepaalde in artikel 1:20, lid 1 en onder a, BW.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 30 november 2020.

SV

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.