Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9727

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
AWB 20/1776
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft spoedeisende bestuursdwang toegepast ten aanzien van het door eiseres op onjuiste wijze aanbieden van (grof) huishoudelijk afval. Dat is daarna op schrift gesteld en tevens worden daarbij de kosten verhaald. De rechtbank is van oordeel dat het uitgangspunt dient te zijn dat de overtreder de mogelijkheid krijgt zelf een einde te maken aan de overtreding. Desnoods kan daarvoor een hele korte begunstigingstermijn, bij voorbeeld van 1 uur, worden gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat, met name in verband met de aard en omstandigheden van de overtreding, ten onrechte heeft nagelaten. Beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond. Herroeping van het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1776

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Bloebaum).

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2019 heeft verweerder zijn beslissing om op 12 september 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft verweerder besloten dat eiseres de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 120,27) dient te betalen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 juni 2020 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020.

Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam boa] , bijzonder opsporingsambtenaar (boa).

Overwegingen

1. Op donderdag 12 september 2019, omstreeks 16:10 uur, hebben twee toezichthouders van de gemeente Landgraaf, waaronder voornoemde [naam boa] ( [naam boa] ), op het [adres] te Landgraaf een afvaldumping van (grof) huishoudelijk afval aangetroffen. Dit was daar door eiseres neergezet. [naam boa] heeft eiseres ter plaatse aangehouden ter zake van de verdenking van overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer (verbod zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, of anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden). [naam boa] heeft eiseres medegedeeld dat zij niet tot antwoorden verplicht was en recht had op consultatie- en verhoorbijstand. Omdat eiseres gebruik wilde maken van dit recht heeft [naam boa] eiseres niet verhoord, maar afgesproken dat zij zich op maandag 16 september moest melden op het gemeentehuis. [naam boa] heeft vervolgens de gemeentelijke opruimdienst gebeld met verzoek het afval met spoed te komen ophalen. Het afval is diezelfde middag afgevoerd. De toezichthouders hebben op 13 september 2019 proces-verbaal hiervan opgemaakt.

2. Op 20 september 2019 heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Het is een besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder stelt daarin dat eiseres artikel 16, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening van de gemeente Landgraaf 2015 heeft overtreden: “Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu”. Het onjuist aanbieden van afval leidt volgens verweerder tot verdere vervuiling, aantrekken van meer afval en verspreiding van papier (bijvoorbeeld door de wind). Deze gevolgen hebben daarom een spoedeisend belang, wat directe verwijdering rechtvaardigde.

3. Eiseres heeft haar bezwaar tegen het primaire besluit op 16 december 2019 mondeling toegelicht aan de de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Landgraaf (bezwaarcommissie).

4. Op 7 juni 2020 heeft de bezwaarcommissie aan verweerder advies uitgebracht. Verweerder heeft het bezwaar, conform het advies, ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit is gemotiveerd onder verwijzing naar het advies.

5. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiseres voert daartoe aan dat er al langere tijd een niet leefbare situatie was bij het appartementencomplex waar haar moeder woont. Hiervoor heeft zij allerlei instanties benaderd, maar zij werd van het kastje naar de muur gestuurd. Er was een brief van de woningbouwvereniging dat ze de spullen op 25 augustus 2019 zouden opruimen, maar dit is niet gebeurd. Nadat ze wederom tevergeefs met de woningbouwvereniging contact had gehad over het opruimen van de spullen, heeft ze de spullen op 12 september 2019 zelf naar buiten gebracht. Toen de toezichthouder kwam was zij bezig met het opruimen van een gedeelte van de spullen. De toezichthouder vertelde meteen dat eiseres een boete kreeg en dat iemand de spullen kwam ophalen en dat zij daarvoor zou moeten betalen. Eiseres mocht daar niets tegen inbrengen, want dan werd dit beschouwd als niet meewerken. De vloeistoffen en een aantal andere spullen had zij al in haar auto geplaatst. De toezichthouder stond naast de auto en heeft dit zelf moeten zien. Ten aanzien van de andere spullen had eiseres geregeld dat die ook die dag zouden worden opgeruimd. Er was geen gevaar voor het milieu. Eiseres heeft er namelijk op gelet dat er geen vloeistof lekte en is steeds bij de spullen gebleven zodat ze niet verspreid werden of wegwaaiden. Er stond ook geen wind. Voorts voert zij nog aan dat het in de wijk van eiseres en elders veelvuldig voorkomt dat spullen die mensen naar het stort willen brengen tijdelijk of langere tijd op openbare grond worden geplaatst zonder dat een boa een boete oplegt of de spullen door de gemeente laat opruimen.

6. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder in dit geval terecht spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, van de Awb heeft toegepast.

Zij overweegt daartoe als volgt.

7. Artikel 5:31 van de Awb luidt:

“1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt”.

8. Verweerder verwijst voor de feiten die tot het bestuursdwangbesluit hebben geleid met name naar de processen-verbaal die [naam boa] op 12 september 2019 en, naar aanleiding van het bezwaar van eiseres, op 7 oktober 2019 op ambtsbelofte heeft opgemaakt.

Het proces-verbaal van 12 september 2019 houdt onder meer het volgende in:

Op donderdag 12 september 2019, omstreeks 15:20 uur, na aanleiding

van een melding, telefonisch contact gehad met mevrouw [eiseres] ,

welke de dochter is van mevrouw [naam] (…). De woning van

[naam] bevind zich in een appartementencomplex. [eiseres]

meldde dat er afval in de gemeenschappelijke ruimtes van het

appartementencomplex liggen en vond dat de gemeente het moest

opruimen. Ik heb [eiseres] aangegeven dat dit de verantwoordelijkheid is

van de vereniging van eigenaren (vve).

Hier was [eiseres] het niet mee eens en gaf aan dat ze alle spullen op

straat zou gooien en in brand zou steken.

Op donderdag 12 september 2019, omstreeks 16:10 uur., ter plaatse op

het [adres] naar aanleiding van een telefonische melding

van een bewoonster van het [adres] , dat iemand spullen op de

openbare weg gedumpt zou hebben.

Ik zag dat er huisraad op het trottoir lag ter hoogte van het

appartementencomplex [adres] . Ik zag onder andere een matras, tafeltje,

twee dozen met papieren inhoud en bewerkte houten platen.

Ik trof mevrouw [naam] en mevrouw [eiseres] ter plaatse aan. Ik vroeg

aan [eiseres] wie de huisraad op straat heeft gezet. [eiseres] gaf aan dat

zijzelf de spullen op de bodem heeft achtergelaten. Hierop hield ik

[eiseres] als verdachte staande en maakte een proces-verbaal op, op

grond van artikel 10.2, lid 1, van de Wet Milieubeheer.

Ik wees [eiseres] als verdachte op haar rechten. Ik zei dat [eiseres] niet

tot antwoorden verplicht is. Ik zei tegen [eiseres] dat ze recht heeft

op consultatie- en verhoorbijstand en als ze hier vanaf ziet, altijd

op dit recht terug mag komen. [eiseres] wilde gebruik maken van het

recht op consultatie- en verhoorbijstand, hierop heb ik mondeling

met [eiseres] afgesproken dat ze zich op maandag 16 september 2019, om

09:30 uur, moet melden op het gemeentehuis van de gemeente

Landgraaf.

Ik heb de gemeentelijke opruimdienst via de oproeptelefoon gebeld,

om de dumping met spoed op te ruimen, zodat ik bestuursrechtelijk de

opruimkosten op [eiseres] kan laten verhalen.

Op donderdag 12 september 2019, om 17:57 uur, zag ik dat de dumping

verwijderd was.”.

Het proces-verbaal van 7 oktober 2019 houdt onder meer het volgende in:

“ [eiseres] geeft haar bezwaarschrift van 22 september 2019, ontvangen op 27

september 2019, aan dat ze op donderdag 12 september 2019, bij haar staande

houding, aangaf de dumping zelf op te ruimen en dat ze ook al spullen in haar

auto had liggen.

Ik heb op 12 september 2019 geen voertuig van [eiseres] aangetroffen. [eiseres] heeft

ook niet op 12 september 2019 aangegeven dat ze de dumping zelf zou opruimen.

Ik gaf [eiseres] aan dat ik de dumping met spoed zou laten opruimen. Hierop

reageerde [eiseres] dat ze blij was dat eindelijk de dumping opgeruimd werd.

[eiseres] gaf hierbij aan dat er in de kelder nog twee gasflessen staan, deze

zou [eiseres] ook wel bij de dumping zetten Ik heb gezegd dat ze dit niet moet

doen, omdat ze dan nog een strafbaar feit begaat.

[eiseres] gaf af op geen enkele wijzen aan dat ze de spullen zelf zou opruimen”.

9. De Memorie van Toelichting bij de wettelijke regeling van de last onder bestuursdwang in de Awb (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 702, nr. 3) houdt onder meer het volgende in:

“Ook bij bestuursdwang gelast het bestuursorgaan als regel eerst de overtreder om maatregelen te nemen om de overtreding te beëindigen of haar gevolgen weg te nemen. Pas als deze last niet wordt nageleefd, kan het bestuursorgaan op kosten van de overtreder zelf de nodige maatregelen nemen. In de praktijk fungeert dus ook bestuursdwang vooral als stok achter de deur voor het geval een voorafgaande last niet wordt nageleefd. In de praktijk hoeft het in de meeste gevallen niet tot daadwerkelijk optreden van het bestuursorgaan te komen. Alleen in (zeer) spoedeisende gevallen ontbreekt deze voorafgaande last. De huidige wettelijke regeling stelt echter het optreden van het bestuursorgaan voorop en vermeldt slechts terloops dat de overtreder dit optreden kan voorkomen door zelf maatregelen te nemen. Dat doet voorkomen alsof optreden door het bestuursorgaan de regel is en herstel door de overtreder zelf de uitzondering. In werkelijkheid is het andersom. Gelet hierop is, op advies van de Raad van State, van de gelegenheid gebruik gemaakt om de wettelijke regeling meer met deze werkelijkheid in overeenstemming te brengen door (ook) daarin de last centraal te stellen”.

10. Gelet op deze toelichting is het volgens de rechtbank uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever dat bij het toepassen van bestuursdwang herstel van de overtreding door de overtreder de regel is en dat het bestuursorgaan alleen in spoedeisende gevallen van die regel mag afzien. De vraag of een situatie dusdanig spoedeisend is dat het treffen van herstelmaatregelen redelijkerwijs niet aan de overtreder kan worden overgelaten hangt naar het oordeel van de rechtbank af van de feiten en omstandigheden op het moment dat het bestuursorgaan beslist of het al dan niet zelf direct overgaat tot herstel.

11. Uit de verklaringen van [naam boa] en eiseres blijkt dat [naam boa] bij aankomst bij het [adres] eiseres aantrof die hem verklaarde dat zij de spullen op het trottoir had geplaatst. Het betrof, onder meer, een matras, een tafeltje, dozen met papier en houten platen. Bij de gedingstukken bevinden zich foto’s hiervan. De foto’s zijn gemaakt door [naam boa] en eiseres. Uit de verklaringen blijkt ook dat [naam boa] vrijwel direct na aankomst eiseres als verdachte van het plegen van het strafbare feit van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft aangemerkt, ter zake hiervan proces-verbaal heeft opgemaakt en haar de cautie heeft gegeven. Omdat eiseres gebruik wilde maken van haar recht op bijstand heeft [naam boa] eiseres niet verhoord en afgesproken dat dat later zou gebeuren.

12. Uit de verklaringen en foto’s blijkt dat de spullen die op het trottoir lagen geen huisvuilzakken waren, maar losse, goed kenbare, spullen. Uit niets blijkt dat de spullen, mede gelet op de aard, omvang, wijze van verpakking en weersomstandigheden, zich mogelijk (snel) zouden kunnen verspreiden of een acuut gevaarlijke situatie opleverden. Gelet hierop en nu eiseres de spullen niet onbeheerd had achtergelaten en ter plaatse aanwezig was, had [naam boa] haar, gelet op voormelde bedoeling van de wetgever, uitdrukkelijk de gelegenheid moeten geven om binnen een daarbij aangegeven korte tijd, bijvoorbeeld een uur, de spullen zelf te verwijderen. Dat kon door de spullen met eigen vervoermiddelen weg te brengen, maar ook door de spullen weer binnen het wooncomplex te brengen. Er is geenszins gebleken dat zij die gelegenheid heeft gekregen. Mogelijk heeft zij niet uit eigen beweging gezegd dat ze de spullen zou opruimen, maar dat doet niets af aan het feit dat haar die gelegenheid uitdrukkelijk had moeten worden geboden. Ook het feit dat zij in een telefoongesprek omstreeks 15:20 uur die dag aan [naam boa] had verteld dat ze van mening was dat de gemeente de spullen moest opruimen, doet hieraan niets af, nu de zorgvuldigheid gebood dat eiseres zich direct voorafgaand aan de beslissing om al dan niet bestuursdwang toe te passen kon uitlaten over het opruimen en zij niet (zonder meer) mocht worden vastgepind op mededelingen die zij eerder die dag had gedaan. Uit de processen-verbaal komt ook veeleer het beeld naar voren dat [naam boa] de bestuursdwang heeft ingezet als middel om de kosten te kunnen verhalen in plaats van om een einde te maken aan een spoedeisende gevaarlijke situatie en zich ervan te overtuigen of de spullen ook door eiseres binnen korte tijd verwijderd konden worden.

13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake was van een spoedeisend geval. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit kan niet in stand blijven. Gelet op het feit dat het beoordeelde voorval zich op 12 september 2019 en dus geruime tijd geleden heeft voorgedaan, de standpunten van partijen ter zitting en het belang om deze kwestie finaal te beslechten, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze herroeping in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2020.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.