Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9652

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-11-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
C/03/266557 / FA RK 19-2584
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moeder verzoekt vervangende toestemming wijziging geslachtsnaam minderjarige dochter in geslachtsnaam van stiefvader; er is nooit contact tussen minderjarige en vader geweest; raadsadvies gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2021/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 29 november 2019

Zaaknummer: C/03/266557 / FA RK 19-2584

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster] ,

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. P. Winkens, gevestigd te Hoensbroek (gemeente Heerlen),

en:

[wederpartij] ,

wederpartij, verder te noemen: de vader,

wonende te Zwolle,

geen advocaat.

Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost-Nederland, Locatie Maastricht (verder te noemen: de raad), door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken.

1 Verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift van 9 juli 2019, met bijlagen, van de moeder;

- de e-mail van 3 november 2019 van de vader, houdende een gemotiveerde afmelding voor de zitting van 5 november 2019.

De zaak is behandeld ter zitting van 5 november 2019, waar zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] ;

- een vertegenwoordigster van de raad.

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de vader (met bericht).

2 De feiten

[minderjarige] is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] geboren uit de moeder. Voor zover hier van belang is [minderjarige] , met toestemming van de (voormalige) rechtbank Zwolle-Lelystad erkend door de vader, waarbij op de akte van erkenning de geslachtsnaam van de vader als geslachtsnaam van [minderjarige] is aangetekend.

3 Het verzoek en het verweer

3.1

De moeder heeft, zakelijk weergegeven, verzocht de vader te bevelen zijn medewerking te verlenen aan indiening van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige] , dan wel de moeder vervangende toestemming te verlenen voor de ontbrekende medewerking/instemming van de vader, zodat de moeder namens [minderjarige] zelfstandig een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige] kan indienen bij het Ministerie van Justitie. De moeder verzoekt daarnaast de vader de veroordelen in de proceskosten.

Voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven voert de moeder ter onderbouwing van haar verzoek aan dat [minderjarige] de vader nimmer heeft gekend, aangezien de ouders reeds voor haar geboorte uit elkaar zijn gegaan. Sinds 2005 heeft de moeder een relatie met de heer [stiefvader] (hierna: stiefvader), met wie zij begin 2007 is gehuwd. Sinds haar geboorte heeft [minderjarige] bij de moeder en de stiefvader gewoond en zij beschouwt de stiefvader als haar vader, nu deze vanaf haar geboorte bij haar opvoeding en ontwikkeling betrokken is. [minderjarige] heeft destijds de naam van de vader gekregen nadat procedures waren doorlopen rond de erkenning en het gezag, en omdat haar oudere zus ( [naam zus] ) reeds de geslachtsnaam van de vader had. De vader heeft afwijzend gereageerd op verzoeken van de moeder om zijn toestemming te verlenen voor het wijzigen van de geslachtsnaam van [minderjarige] en [naam zus] .

Ter zitting is door of namens de moeder verder toegelicht dat het verzoek zich beperkt tot het verlenen van vervangende toestemming voor het wijzigen van de geslachtsnaam van [minderjarige] . In dat verband wijst de moeder erop dat [minderjarige] bij informele aangelegenheden al langere tijd de naam “ [geslachtsnaam stiefvader] ” veelvuldig hanteert. [minderjarige] blijft bij haar wens om haar geslachtsnaam gewijzigd te krijgen en streeft daarmee hetzelfde na als haar moeder en oudere zus. De moeder gebruikt de naam “ [geslachtsnaam stiefvader] ” immers na haar huwelijk met de stiefvader en de inmiddels meerderjarige oudere zus ( [naam zus] ) heeft bij de Dienst Justis een procedure gestart om haar geslachtsnaam gewijzigd te krijgen. Met betrekking tot het uitblijven van contact heeft de moeder gesteld dat dit wat de vader betreft is blijven hangen in het voeren van procedures. Nadat was bepaald dat begeleide omgang zou kunnen plaatsvinden in Heerlen, heeft de vader daar geen invulling aan gegeven. Pogingen van [minderjarige] om in contact te komen met de vader hebben uiteindelijk geleid tot een scheldpartij van de vader. Uiteindelijk heeft de rechtbank bepaald dat er tussen de kinderen en de vader geen contact moet zijn. Het gedoe rond de omgang zou daarmee moet stoppen, evenals het blijven voeren van procedures. De vader blijft echter vaak zijn medewerking aan zaken rond de kinderen onthouden, aldus de moeder. De moeder herinnert zich niet dat zij in 2012 een procedure heeft gestart om het gezamenlijk gezag over [naam zus] en [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat zij voortaan alleen het ouderlijk gezag zal uitoefenen.

3.2

De vader is niet ter zitting verschenen en heeft formeel geen verweer gevoerd. De aan het verzoekschrift gehechte e-mails van de vader en het bericht (e-mail) van 3 november 2019, waarmee de vader zich heeft afgemeld voor de zitting van 5 november 2019, bieden echter enig inzicht in de argumenten waarom de vader zijn toestemming onthoudt. De vader stelt in die informatie dat hij door toedoen van de moeder nooit contact met [minderjarige] heeft mogen opbouwen, zelfs niet nadat dit door of via de rechtbank was afgesproken. De moeder zou daarbij niet alleen dat contact tegenhouden, maar ook de kinderen voeden met (volgens de vader onjuiste) negatieve informatie over de vader.

4 Mening [minderjarige]

is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en is, buiten aanwezigheid van de overige betrokkenen, op

5 november 2019 gehoord door de kinderrechter. De kinderrechter heeft vervolgens een samenvatting van hetgeen [minderjarige] heeft verklaard voorgehouden aan de overige betrokkenen en hen in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven heeft [minderjarige] (stellig) verklaard graag haar geslachtsnaam te willen wijzigen in de geslachtsnaam van haar stiefvader ( [geslachtsnaam stiefvader] ). De stiefvader zorgt al heel haar leven voor [minderjarige] en zij ziet hem dan ook als haar vader. De moeder voert sinds haar huwelijk met de stiefvader al diens geslachtsnaam en de oudere zus van [minderjarige] is bij “Justis” al een procedure gestart om haar geslachtsnaam ook te wijzigen in die van de stiefvader. [minderjarige] heeft geen contact met haar biologische vader ( [de vader] ). Zijn rol in haar leven wil ze zo klein mogelijk maken. Als reden daarvoor stelt [minderjarige] dat [de vader] via de moeder zeurt om omgang, terwijl hij genoeg kansen heeft gehad om [minderjarige] te benaderen. Nu reageert de vader op het verzoek om toestemming door te stellen dat sprake is van valse beschuldigingen van misbruik. Ten aanzien van [minderjarige] kan daarvan helemaal geen sprake zijn, aangezien er nog nooit contact is geweest. [minderjarige] heeft verder nog verklaard dat het nu goed gaat met haar. Ze doet het goed op school, heeft veel vrienden en vriendinnen en sport al jaren geregeld (judo).

5 Standpunt / advies raad

De raad heeft ter zitting verklaard dat de beschikbare informatie reden tot zorg vormt. In beginsel is het voor een kind belangrijk te weten wie de vader is en om contact met hem te hebben. Het mag niet zo zijn dat een kind door het “wegpoetsen” van een van de ouders in de ontwikkeling van zijn identiteit en/of persoonlijkheid voor de helft wordt “geamputeerd”. Onduidelijkheid over het verhaal van de vader maakt het voor de raad ondoenlijk nu een concreet advies te geven ten aanzien van de voorliggende vraag om (vervangende) toestemming. Daarin speelt mee dat [minderjarige] bij de moeder woont en onduidelijk is op grond van welk informatie [minderjarige] haar mening heeft gevormd. Een en ander leidt de raad tot het advies een onderzoek door de raad te gelasten.

6 Beoordeling

6.1.1

Artikel 1:7 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning kan worden gewijzigd. In het “Besluit van 6 oktober 1997 houdende regels voor de geslachtsnaamwijziging” (verder te noemen: het Besluit), zijn met betrekking tot de gronden waarop de geslachtsnaamwijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en de behandeling van dergelijke verzoeken nadere regels gesteld.
Artikel 3 lid 4 onder c van het Besluit bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verzoek wordt afgewezen, indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige van twaalf jaren of ouder, tenzij deze minderjarige bij zijn instemming blijft.

6.1.2

Van een rechtstreekse toetsing door de burgerlijk rechter van het verzoek van de moeder aan artikel 3 van het Besluit kan geen sprake zijn aangezien dit besluit zich richt tot de Koning en toetsing is voorbehouden aan de Koning. Aangezien de wettelijke vertegenwoordigers van [minderjarige] van mening verschillen over een eventuele wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige] (respectievelijk hun kinderen), is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een geschil omtrent de gezamenlijke gezagsuitoefening, dat beoordeeld dient te worden op grond van artikel 1:253a BW. Dit artikel vormt voor de burgerlijk rechter een zelfstandig toetsingskader en bepaalt, dat geschillen over de gezagsuitoefening op verzoek van (een van) de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De burgerlijk rechter neemt daarbij een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Een en ander betekent dat de rechtbank weliswaar rekening houdt met de omstandigheid dat artikel 3 van het Besluit het primaat legt bij de mening van de minderjarige van 12 jaar of ouder, maar dat dit binnen het toetsingskader van artikel 1:253a BW niet van doorslaggevende betekenis hoeft te zijn.

6.2

De rechtbank is, in lijn met het standpunt van de raad, van oordeel dat de beschikbare informatie te veel onduidelijkheid laat voor een eenduidig antwoord op de vraag of het in het belang van [minderjarige] wenselijk is de verzochte vervangende toestemming voor de beoogde geslachtsnaamwijziging te verlenen. De rechtbank zal de raad daarom verzoeken onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over die vraag. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

6.2.1

Uit hetgeen [minderjarige] heeft verklaard leidt de rechtbank af dat [minderjarige] in de veronderstelling leeft dat de geslachtsnaamwijziging “slechts” een administratieve handeling is om de feitelijke rolverdeling van de in haar leven belangrijke volwassenen te formaliseren.

De geslachtsnaam behoort echter tot de identiteits- en afstammingskenmerken van een persoon die, ook na de periode gedurende welke die persoon afhankelijk is van zijn verzorgers, altijd bij hem blijven horen. Lichtvaardige wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige verdraagt zich niet met diens belang. Met een geslachtsnaamwijziging moet dan ook terughoudend worden omgegaan. Voor die terughoudendheid is nog meer aanleiding, nu het in deze zaak niet gaat om de wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige in de geslachtsnaam van de moeder, maar in de geslachtsnaam van de nieuwe echtgenoot van de moeder (stiefvader). De identiteit van [minderjarige] wordt immers, ondanks het ontbreken van contact tussen de vader en [minderjarige] , voor een niet onaanzienlijk gedeelte gevormd door de omstandigheid dat zij afstamt van de vader. De rechtbank wijst er in dit kader verder op dat de vader niet “alleen” de biologische vader is, maar ook de (met het gezamenlijk gezag belaste) juridische vader van [minderjarige] . In het licht van het voorgaande roept de door [minderjarige] gestelde wens “om de vader zo klein mogelijk te maken” dan ook ernstige vragen op, overigens nadrukkelijk zonder dat [minderjarige] op enigerlei wijze kwalijk te nemen.

6.2.2

[minderjarige] is volstrekt helder in haar wens om haar geslachtsnaam te wijzigen in die van haar stiefvader. Het (niet betwiste) argument dat de stiefvader van meet af aan op een voor [minderjarige] goede manier de rol van verzorger en opvoeder heeft ingevuld, acht de rechtbank positief. Daar staat tegenover dat de stellige wens van [minderjarige] voor een belangrijk deel steunt op het negatieve beeld dat zij van haar vader heeft. De beschikbare informatie bevat naar het oordeel van de rechtbank echter te veel aanwijzingen voor twijfel over de vraag of [minderjarige] genoeg ruimte is gegeven om zich aan de hand van objectieve informatie vrij en zelfstandig een correct en volledig beeld van de vader te vormen. De rechtbank stelt in dit verband vast dat het (zeer) negatieve beeld dat [minderjarige] volgens haar verklaring van de vader heeft, aansluit bij het beeld dat de moeder over en rond de vader heeft geschetst, overigens veelal zonder dat de moeder haar visie over de vader concreet heeft onderbouwd. Zo meent [minderjarige] dat de vader “om omgang zeurt”. Dit past bij de stelling van de moeder dat door de vader “steeds procedures zijn gevoerd”. Bij gebrek aan concrete informatie over de gang van zaken in en rond die procedures acht de rechtbank op voorhand echter niet aannemelijk dat de vader meerdere procedures heeft gevoerd om met de kinderen in contact te komen, om vervolgens (zonder meer?) niets te doen met voor hem begunstigende uitkomsten van die procedures. In voorkomend geval had het voor de moeder betrekkelijk eenvoudig moeten zijn de dan kwalijke handelwijze van de vader met concrete informatie te onderbouwen. Een dergelijke concrete onderbouwing ontbreekt en staat haaks op de ter zake relevante visie van de vader. De omstandigheid dat de moeder kennelijk is vergeten dat zij ook zelf procedures rond de kinderen is gestart, geeft daarbij blijk van een onjuiste, althans onvolledige, zienswijze op wat zich in het verleden tussen de vader en de moeder rond de kinderen heeft afgespeeld. Daarbij heeft het er alle schijn van dat deze “gekleurde” interpretatie van het verleden van de moeder, (al dan niet bewust gestuurd) voor [minderjarige] bepalend is geweest in de (negatieve) beeldvorming over haar vader. Daarmee bestaat gerede twijfel over de vraag of [minderjarige] op een objectieve manier over de vader is geïnformeerd, respectievelijk of [minderjarige] voldoende ruimte is gegeven zich aan de hand van objectieve informatie vrij en zelfstandig een correct en volledig beeld van de vader te vormen.

6.2.3

Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat nu te veel onduidelijkheid bestaat over de vraag of de informatie - waar de stellige wens van [minderjarige] op steunt -, objectief en volledig genoeg is geweest om de verstrekkende gevolgen van een geslachtsnaam-wijziging te overzien. De rechtbank zal daarom de raad verzoeken om met inachtneming van het voorgaande onderzoek te doen naar en advies te geven over de vraag of de beoogde wijziging van de geslachtsnaam in het belang van [minderjarige] wenselijk is.

6.3

Proceskosten

De beslissing over de proceskosten zal, evenals iedere andere beslissing, worden aangehouden.

7 Beslissing

De rechtbank:

- verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost-Nederland, locatie Maastricht, om met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechte is overwogen, onderzoek te doen naar en advies uit te brengen naar de volgende vraag:

 Is (verlening van [vervangende] toestemming voor het verzoek tot) de beoogde geslachtsnaamwijzing van de minderjarige [minderjarige] , geboren op

[geboortedatum] te [geboorteplaats] , in het belang van [minderjarige] wenselijk?;

- houdt iedere verdere beslissing aan, pro forma voor de duur van zes maanden.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C.A. Schreinemakers, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2019, in tegenwoordigheid van

mr. H.A.M. van de Ven, griffier.