Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9630

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
AWB/ROE 18/1922
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015. Aanvraag hulp bij het huishouden uit 2018 op goede gronden afgewezen; verweerder mocht zich baseren op het rapport van de GGD-arts uit juli 2019. Diens onderzoek is voldoende en zorgvuldig geweest. Verzoek om benoeming van deskundige afgewezen.

Latere GGD-rapport uit oktober 2019 naar aanleiding van een nieuwe melding ziet niet op de in geding zijnde periode (december 2017 tot datum bestreden besluit 18 juli 2018). Hetgeen eiseres over het onderzoek uit oktober 2019 in beroep heeft aangevoerd alsmede de in 2020 overgelegde medische stukken blijven buiten bespreking. Verweerder dient op de latere aanvraag nog een besluit te nemen en de daarover naar voren gebrachte bezwaren en nadien verstrekte medische informatie te behandelen in een bezwaarprocedure.

Niet is komen vast te staan dat eiseres is gewezen op cliëntondersteuning. Eiseres is bij het huisbezoek en het medisch onderzoek bij de GGD-arts begeleid door haar begeleidster van Stand-By waardoor zij niet is benadeeld. Gebrek gepasseerd met een beroep op artikel 6:22 van de Awb, reden om vergoeding griffierecht en een proceskostenveroordeling.

Schadevergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn te wijten aan de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 18/1922

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L. Meys),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J.A. Bertholet).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor hulp bij het huishouden ingevolgde de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.

Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2019.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op de binnen de tien dagen termijn bij de rechtbank ontvangen medische informatie.

Verweerder heeft op 18 oktober 2019 de rechtbank nader bericht. Eiseres heeft haar visie gegeven. Partijen hebben daarna nog over en weer gereageerd op elkaars standpunten waarbij eiseres nog medische stukken heeft overgelegd.

De nadere zitting van 6 april 2020 heeft wegens het coronavirus geen doorgang gevonden. De rechtbank heeft partijen bij brief van 30 april 2020 medegedeeld dat er voldoende informatie is om uitspraak te doen en dat de rechtbank geen zitting nodig acht. De rechtbank heeft partijen verzocht om aan te geven of zij toch een zitting willen. Omdat eiseres heeft medegedeeld op een zitting te willen worden gehoord is een vooraankondiging voor een zitting op 27 juli 2020 naar partijen gestuurd. Deze zitting heeft niet plaatsgevonden omdat eiseres de rechtbank heeft bericht dat zij vanwege haar gezondheid niet naar de zitting kan komen en dat zij geen nadere zitting wenst. De rechtbank heeft verweerder medegedeeld dat zij het niet nodig acht opnieuw een zitting te houden en heeft verweerder verzocht om binnen een termijn van vier weken de rechtbank berichten of verweerder gebruik wenst te maken van het recht om op zitting te worden gehoord. Verweerder heeft de rechtbank bericht af te zien van een zitting. De rechtbank heeft op 14 september 2020 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 7 december 2017 bij verweerder een melding gedaan voor hulp bij het huishouden (hbh). Zij woont alleen in een eengezinswoning met vier slaapkamers. Zij heeft begeleiding individueel via Stand-By Heerlen.

1.1.

Op 21 december 2017 heeft een huisbezoek plaatsgevonden van een Wmo-consulent. Bij het gesprek is een begeleidster van Stand-By aanwezig geweest. Tijdens het huisbezoek heeft eiseres aangegeven dat zij vanwege rug- en knieklachten geen zwaar huishoudelijk werk kan doen. Verder is sprake van psychische klachten (depressies). Naast de individuele begeleiding heeft eiseres ook praktische thuisbegeleiding. Volgens eiseres is zij daarmee niet geholpen in het huishouden. Vanwege de fysieke beperkingen kan zij niet meehelpen bij de uitvoer van het zwaar huishoudelijk werk. Zij heeft verder aangegeven dat zij door schouderklachten niet boven schouderhoogte kan werken en dat zij niet goed kan bukken omdat ze niet teveel druk op haar gewrichten mag uitoefenen vanwege hypermobiliteit. Er zijn geen personen in het netwerk aanwezig waar zij een beroep op kan doen voor huishoudelijke taken.

1.2.

De consulent heeft op basis van het huisbezoek geen eenduidige medische noodzaak gezien voor overname van de huishoudelijke taken. Op 4 januari 2018 heeft de consulent overleg gevoerd met de GGD-arts [naam arts 1] . Volgens de GGD-arts is ten opzichte van de gegevens uit de vorige keuring niet duidelijk sprake van een medisch gewijzigde situatie, zodat het advies uit 2014, inhoudende een afwijzing van hbh, gehandhaafd kan blijven.

1.3.

Eiseres heeft op 17 januari 2018 het onderzoeks- en gespreksverslag voor gezien getekend en een aanvraag ingediend voor hbh. Zij heeft daarbij vermeld het niet eens te zijn met de conclusie van het gespreks- en onderzoeksverslag omdat haar gezondheid wel degelijk achteruit is gegaan zoals aangegeven bij mevrouw [naam Wmo-consulent] (Wmo-consulent). De praktische ondersteuning neemt geen huishoudelijke taken over. Zij kan vanwege haar fysieke beperkingen geen zwaar huishoudelijk werk verrichten.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres voor

hbh afgewezen omdat uit het onderzoek niet is gebleken dat zij de aangevraagde maatwerkvoorziening nodig heeft.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard waarbij verweerder zich op grond van het advies van GGD-arts [naam arts 2] ( [naam arts 2] ) van 9 juli 2018 op standpunt heeft gesteld dat er geen noodzaak bestaat voor overname van huishoudelijke taken. Volgens de GGD-arts is eiseres in staat om verdeeld over de week en zo nodig met gebruikmaking van hulpmiddelen, alle huishoudelijke taken te verrichten.

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank zal in het hiernavolgende de beroepsgronden van eiseres afzonderlijk bespreken.

Schorsing onderzoek ter zitting, nieuwe aanvraag

5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op de door eiseres in de tien dagen termijn overgelegde medische informatie. Eiseres heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij recent een onderzoek bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) heeft gehad. De rechtbank heeft verweerder verzocht navraag te laten doen naar de uitkomst van het GGD-onderzoek en heeft tevens verzocht om na te gaan of de GGD-arts in 2018 medische informatie heeft ontvangen.

6. Verweerder heeft de rechtbank bericht dat eiseres op 28 augustus 2019 is gezien door de GGD-arts nadat eiseres bij verweerder heeft aangegeven dat haar medische situatie is verslechterd. De GGD-arts heeft in zijn rapport van 14 oktober 2019 geconcludeerd dat er geen medische noodzaak was voor toekenning hbh. Verweerder heeft verder naar voren gebracht dat bij de keuring in juli 2018 toch nog naderhand medische informatie van de huisarts werd ontvangen maar dat die informatie geen nieuwe gezichtspunten opleverde.

7. Eiseres heeft op 10 december 2019 als reactie naar voren gebracht dat zij alles in één keer behandeld wil hebben. Zij heeft inmiddels een officiële aanvraag op 12 november 2019 ingediend. Volgens eiseres is het standpunt van verweerder gelet op het gespreksverslag duidelijk zodat verweerder al heeft beslist. Volgens eiseres heeft verweerder door toezending van het gespreksverslag op 15 oktober 2019 een besluit genomen. Het aanvraagformulier waarop eiseres stelt het niet eens te zijn met de afwijzing geldt dan als bezwaarschrift, aldus eiseres. Eiseres heeft verder inhoudelijke bezwaren ingebracht tegen het GGD-advies van

14 oktober 2019.

8. De rechtbank heeft partijen op 15 januari 2020 bericht dat de door eiseres op

10 december 2019 ingediende stukken naar het voorlopige oordeel van de rechtbank geen besluit vormen dat in onderhavige procedure van rechtswege dient te worden beoordeeld.

9. De rechtbank is van oordeel dat het GGD-advies van 14 oktober 2019 en de reacties van eiseres en verweerder op dit GGD-onderzoek, niet zien op de in geding zijnde periode december 2017 tot datum bestreden besluit 18 juli 2018. De melding van 26 juni 2019 en het onderzoek in oktober 2019 liggen ruim na periode in geding van onderhavig geschil.

De rechtbank zal hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht over het onderzoek uit oktober 2019 alsmede de bij brieven van 6 mei 2020 en 25 juni 2020 overgelegde medische stukken niet verder bespreken. Verder is de rechtbank, anders dan eiseres, van oordeel dat met toezending van het gespreks- en onderzoeksverslag op 15 oktober 2019 nog geen sprake is van een besluit op een aanvraag. Verweerder dient op de aanvraag van 12 november 2019 nog een besluit te nemen en de daarover naar voren gebrachte bezwaren en nadien verstrekte medische informatie te behandelen in een bezwaarprocedure.

Melding 2017, aanvraag 2018

10. In artikel 2.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de maatschappelijke ondersteuning.

Op grond van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 voert het college, indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, in samenspraak met degene door wie de melding is gedaan, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Op grond van het vierde lid van dat artikel onderzoekt het college:

a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 verschuldigd zal zijn.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid (of participatie) die de cliënt ondervindt, beslist, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid (of participatie) en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

11. De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van (ECLI:NL:CRVB:2019:819) overwogen dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 voortvloeit dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo 2015 in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken (vergelijk de uitspraak van de Raad van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477).

12. Eiseres heeft aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt dat verweerder haar op haar recht op onafhankelijke cliëntenondersteuning heeft gewezen, hetgeen wel een vereiste is.

12.1.

Artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek wijst op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

12.2.

De rechtbank stelt vast dat uit de ter beschikking staande gegevens niet valt af te leiden dat eiseres is gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning. Hoewel de rechtbank daar niet zonder meer de conclusie aan wil verbinden dat verweerder dit heeft nagelaten, heeft verweerder deze stelling van eiseres in beroep niet weersproken zodat niet is komen vast te staan dat verweerder eiseres heeft gewezen op de mogelijkheid van cliëntondersteuning. Uit de stukken blijkt dat het huisbezoek op 21 december 2017 en het medisch onderzoek bij de GGD-arts op 28 mei 2018 tijdens de bezwaarprocedure in aanwezigheid van de begeleidster van Stand-By heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarmee niet benadeeld zodat de rechtbank dit gebrek zal passeren met een beroep op artikel 6:22 van de Awb.

13. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar haar persoonlijke omstandigheden zodat verweerder de onderzoekplicht van artikel 2.3.2. van de Wmo 2015 heeft geschonden.

13.1.

Uit het meldingsonderzoek van 26 februari 2018 blijkt dat de persoonlijke omstandigheden van eiseres staan beschreven in onder meer de kopjes ‘Wonen’, ‘Netwerk’, ‘Daginvulling’, ‘Financiën’, ‘Praktisch functioneren’, Belemmeringen zelfredzaamheid m.b.t. huishouden’. Verder staat het probleem van eiseres beschreven. Niet gezegd kan worden dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de persoonlijke omstandigheden en daarmee de onderzoekplicht van artikel 2.3.2. van de Wmo 2015 heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

14. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat het besluit een deugdelijke medische grondslag ontbeert. De GGD-arts heeft onvoldoende onderzoek gedaan om de zorgvraag van eiseres goed te kunnen in te schatten. Er is geen lichamelijk onderzoek verricht en geen informatie uit de curatieve sector verkregen. De GGD-arts heeft zijn stellingen onvoldoende gemotiveerd zodat sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Verder is de zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) niet gehanteerd door verweerder. Deze ZRM is een instrument waarmee de zorgzwaarte kan worden ingeschat.

14.1.

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de GGD-arts voldoende en zorgvuldig is geweest. Er heeft een spreekuuronderzoek en intercollegiaal overleg plaatsgevonden. In het rapport van [naam arts 2] is de anamnese uitgebreid weergegeven. Uit de weergave van de onderzoeksbevindingen blijkt dat een lichamelijk onderzoek is geweest. [naam arts 2] heeft informatie opgevraagd bij huisarts. Deze informatie was ten tijde van het opstellen van het rapport op 9 juli 2018 nog niet verkregen. Zoals vermeld onder 7 en ook blijkt uit het rapport van de GGD-arts van 14 oktober 2019 is de informatie van de huisarts op een latere datum, 26 juli 2018, ontvangen en leverde deze informatie geen nieuwe gezichtspunten op. [naam arts 2] heeft verder de reeds in het medisch dossier aanwezige informatie van de revalidatie-arts (2013 en 2014), de neuroloog (2013), orthopedisch chirurgen (2012, 2013, 2014) kort weergegeven.

14.2.

[naam arts 2] heeft overwogen dat eiseres een 50 jarige vrouw is met diffuse klachten van het bewegingsapparaat, passend bij een moeilijk objectiveerbaar beeld. [naam arts 2] benoemt een maag-bypass operatie, operatie aan beide schouders, gynaecologische operatie, knieklachten met name links, lage rugklachten en episodes van depressiviteit. Voor het moeilijk objectiveerbare beeld en voor de rugklachten heeft zij meerdere revalidatietrajecten gevolgd.

Eiseres heeft aangegeven dat ze slechter uit het revalidatietraject bij MiCare kwam dan toen ze eraan begon, maar dit is volgens [naam arts 2] , niet in overeenstemming met de informatie van revalidatie-arts [naam revalidatie-arts] in de ontslagbrief van 20 januari 2014, namelijk dat eiseres eenvoudige taken in en rond de woning duurzaam kon volhouden als ze haar taken en belastingen goed kon verdelen over de dag en de week. [naam arts 2] heeft overwogen dat in de beschikbare informatie over de rug, schouders en knieën geen noodzaak voor overname van huishoudelijk werk bevestigd kan worden. Verder heeft [naam arts 2] overwogen dat bij diffuse klachten aan het bewegingsapparaat in het algemeen geldt dat zowel overbelasting als inactiviteit vermeden dienen te worden omdat beiden tot toename van klachten kunnen leiden. Men kan alle huishoudelijk taken verrichten, gedoseerd dus verdeeld over de week en zonodig met gebruikmaking van hulpmiddelen. Er is geen noodzaak tot overname van huishoudelijk werk. Voor wat betreft de psychische klachten is er al ondersteuning die eiseres moet stimuleren tot het verrichten van huishoudelijke taken. Dit dient ongewijzigd te worden voortgezet.

14.3.

De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [naam arts 2] zijn stellingen onvoldoende heeft gemotiveerd. Zijn conclusie volgt uit de weergave van de ter beschikking staande medische informatie en zijn eigen bevindingen.

De stelling van eiseres dat verweerder de ZRM, een instrument om de zorgzwaarte in te schatten, niet heeft toegepast maakt niet dat sprake is van een motiveringsgebrek. Bovendien wordt de ZRM toegepast bij aanvragen voor maatschappelijke opvang en niet zozeer bij aanvragen voor hbh.

De in beroep overgelegde informatie van de huisarts van 20 september 2019, de dermatoloog van 26 september 2019 en interne geneeskunde van 25 juli 2019/22 augustus 2019 ziet op onderzoeken van ruim na de periode in geding. Bovendien blijkt uit deze informatie niet dat [naam arts 2] de medische situatie van eiseres ten tijde van het onderzoek in juli 2018 onjuist heeft ingeschat.

15. Volgens eiseres heeft verweerder de vergewisplicht geschonden door de conclusies van de GGD-arts klakkeloos over te nemen zonder verder onderzoek.

15.1.

De rechtbank kan eiseres daarin niet volgen. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder het medisch advies heeft beoordeeld en daarover heeft overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het advies of de getrokken conclusie, of dat is gebleken van enige onzorgvuldigheid van het aan het advies ten grondslag liggend onderzoek. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit zich mocht baseren op het advies van de GGD-arts.

Verzoek benoeming deskundige

16. Eiseres heeft verzocht om een deskundige te benoemen. De rechtbank ziet daar geen aanleiding voor omdat bij de rechtbank geen twijfels bestaan over de juistheid van het advies van de GGD-arts van 9 juli 2018. Zoals de rechtbank al onder 9 heeft overwogen ziet de in beroep verstrekte medische informatie uit 2020 niet op de in geding zijnde periode in onderhavig geschil.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Nu toepassing wordt gegeven aan artikel 6:22 van de Awb bestaat er aanleiding om – op grond van het bepaalde in artikel 8:74, tweede lid, van de Awb – te bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiseres dient te vergoeden. Voorts ziet de rechtbank hierin aanleiding om verweerder te veroordelen te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Verweerder dient verder de door eiseres gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 18,64 (2 x € 9,32) op basis van het openbaar vervoer tweede klasse.

Verzoek schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

19. Eiseres heeft bij brief van 27 mei 2020 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Volgens eiseres is de redelijke termijn van twee jaar overschreden.

19.1.

Uit de uitspraak van de CRvB van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3110) volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de berechting van een zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechter in eerste aanleg niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. Uit voornoemde uitspraak volgt tevens dat voor de toerekening van de termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan, respectievelijk de rechter, als uitgangspunt heeft te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd, voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen.

19.2.

In het geval van eiseres is de termijn aangevangen met het indienen van het bezwaarschrift op 2 maart 2018, zodat de rechtbank uiterlijk 2 maart 2020 uitspraak had moeten doen. De redelijke termijn is dan ook overschreden. Verweerder heeft binnen een half jaar beslist op het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan de rechter. De Staat zal worden gelast een schadevergoeding aan eiseres te betalen. Volgens vaste jurisprudentie moet worden uitgegaan van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van in totaal

€ 1.068,64 waarvan € 18,64 aan reiskosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.G. Cremers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 december 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.