Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:958

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1161 + AWB - 19 _ 1050
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergunning op grond van de Wet natuurbescherming voor het exploiteren en wijzigen van een vleesvarkenshouderij.

Belang van de Stichting Kernoverleg Eys niet of onvoldoende rechtstreeks betrokken bij de verleende natuurvergunning.

ECLI:NL:RVS:2017:2271 ziet specifiek op omgevingsrechtelijke besluiten; rechtbank ziet geen reden om ten aanzien van besluiten zoals het bestreden besluit waarbij alleen natuurbeschermingsbelangen centraal staan, anders te oordelen.

Eiser is geen belanghebbende omdat zijn woning zich bevindt op ongeveer 800 meter van de varkensstal met vleesvarkens en op 1000 meter van het Natura 2000-gebied.

Het Domein Aldenborgh exploiteert een perceel met wijndruiven op ongeveer 300 meter van de varkensstal en is belanghebbende bij de natuurvergunning. Relativiteitseis tegengeworpen; geen sprake van duidelijke verwevenheid tussen de belangen van het Domein en de belangen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in het betrokken gebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 19/1161 en 19/1050

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2020 in de zaken tussen

[eiser 1] en Domein Aldenborgh, te Eys, eisers in 19/1161

(gemachtigde: mr. R.T.L.J. Jongen)

Stichting Kernoverleg Eys, te Eys, eiseres in 19/1050

en

het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder.

Als derde-partij heeft aan de gedingen deelgenomen:

[vergunninghoudster] , te Eys

(gemachtigde: ing. A.M.C.M. Crasborn).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [de maatschap] (verder: vergunninghoudster) een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het exploiteren en wijzigen van een vleesvarkenshouderij aan [adres] te Eys, gemeente Gulpen-Wittem.

Eisers en eiseres hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2019.

Voor eisers is [eiser 1] naar de zitting gekomen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eiseres is vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C.H. Lahaye en A.M.A.G. Maessen. Voor vergunninghoudster waren aanwezig [naam 3] en haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 25 juni 2015 heeft vergunninghoudster een aanvraag gedaan op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor onder andere het exploiteren en wijzigen van een vleesvarkenshouderij op de locatie [adres] te Eys. Die aanvraag is nadien enkele malen gewijzigd. De uiteindelijke aanvraag ziet op het huisvesten van 1000 varkens in een stalsysteem met een huisvestingssysteem code D 3.2.15.4 met luchtwasser BWL2009.12.v3. De reeds bestaande stal zal dienen te worden aangepast. De vleesvarkenshouderij produceert daarmee een totale ammoniakemissie van 450 kg NH₃ per jaar (berekening op grond van de Regeling ammoniak en veehouderij) alsmede 22,6 kg NOₓ per jaar vanwege vervoers-bewegingen. De inrichting van vergunninghoudster ligt binnen de invloedssfeer van de Nederlandse Natura 2000-gebieden ‘Geuldal’, ‘Kunderberg’ en ‘Geleenbeekdal’, de Belgische Natura 2000-gebieden ‘Voerstreek’ en ‘Vallée de la Guele en Aval de Kelmis’ en het Duitse Natura 2000-gebied ‘Wurmtal südlich Herzogenrath’.

2. Bij het bestreden besluit, dat is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft verweerder aan vergunninghoudster, met toepassing van de op

1 januari 2017 in werking getreden Wnb, een vergunning verleend voor het exploiteren van de vleesvarkenshouderij (artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb). Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat ten opzichte van de uitgangssituatie op 7 december 2004 (referentiedatum voor zowel de binnenlandse als de buitenlandse Habitatrichtlijn-gebieden) de stikstofdepositie in genoemde beschermde gebieden niet toeneemt.

Deze bedraagt 450 kg NH₃ / 32,81 mol op het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’ (stikstofgevoelig habitattype: eiken- en haagbeukenbossen, op ongeveer 170 meter van de vleesvarkenshouderij). Uitgangssituatie voor deze stikstofdepositie is de ‘Melding Activiteitenbesluit’ door vergunninghoudster van 27 december 2017.

2.1.

De rechtbank stelt vast, hetgeen ook niet in geschil is tussen partijen, dat daarin is aangegeven dat de stikstofdepositie van deze vleesvarkenshouderij in (de desbetreffende hexagoon van) het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’ wordt teruggebracht van 4500 (volgens de Hinderwetvergunning van 9 maart 1993 voor de bestaande stal) naar 450 kg NH₃.

3. Eisers en eiseres hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepen richten zich met name op de gevolgen van de stikstofdepositie in de omgeving van de vleesvarkenshouderij, zowel in als buiten het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’.

Belanghebbendheid en relativiteit

4. De rechtbank ziet zich ambtshalve geplaatst voor beantwoording van de vraag of alle eisers als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij het bestreden besluit en meer specifiek of zij kunnen opkomen voor de eventuele aantasting van de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’. Het aspect van de belanghebbendheid is geregeld in artikel 1:2 van de Awb en het andere aspect houdt verband met het zogenoemde relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb.

Artikel 8:1 van de Awb luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

Artikel 1:2, derde lid, van de Awb luidt: "Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen."

Artikel 8:69a van Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Zaak 19/1050

5.1.

Voor de beantwoording van de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 32-35) veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1066).

Volgens artikel 2, eerste lid, van haar statuten heeft eiseres ten doel:

“a. het bevorderen van de vitaliteit en leefbaarheid in en rond de kernen van Eys, Trintelen en Eyserheide, alsmede het bevorderen van het welzijn van de bewoners;

b. het bevorderen van een gezonde economische en sociale basis voor de bewoners van Eys, Trintelen en Eyserheide;

c. het organiseren dan wel sturen van activiteiten en evenementen;

d. het nader tot elkaar brengen van de bewoners in en rond de kernen van Eys, Trintelen en Eyserheide, waaronder begrepen het nader tot elkaar brengen van jong en oud;

e. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.”

Volgens artikel 2, tweede lid, van haar statuten tracht eiseres haar doel onder meer te verwezenlijken door:

“- het kritisch begeleiden van de ontwikkelingen in de gemeenschap;

- het bevorderen van onderling begrip tussen de verschillende groeperingen van de bevolking;

- het stimuleren, coördineren en tot ontplooiing brengen van activiteiten, die het woon- en leefklimaat bevorderen, voor zover dit niet door anderen geschiedt;

- het verzamelen, bespreken en begeleiden van initiatieven (burgerparticipatie);

- het fungeren als centraal punt voor vragen, wensen en klachten, alsmede het ter zake beantwoorden, verwijzen of bemiddelen;

- het behartigen van de belangen van de gemeenschap bij publiekrechtelijke en privaatrechtelijke organisaties en informele groeperingen;

- het vormen van werkgroepen die zich inzetten voor het doel van de stichting en het participeren in deze werkgroepen.”

5.2

De rechtbank stelt vast dat de doelomschrijving algemeen geformuleerd is en niet concreet aanknopingspunten biedt voor het behartigen van natuurbelangen en het in rechte opkomen voor natuurbelangen. Ter zitting is desgevraagd namens eiseres aangegeven dat er tot nu toe geen juridische procedures gevoerd zijn in dat verband en dat de feitelijke werkzaamheden veeleer betrekking hebben op het sociale en economische woon- en leefklimaat (leefbaarheid) van de bewoners in het bebouwde deel van de betreffende kernen. Zo is eiseres tot nu toe betrokken geweest bij de voorbereiding van de herinrichting van wegen en pleinen.

5.3

Gelet op de (formulering van de) statutaire doelstelling van eiseres en in het licht van de vermelde feitelijke werkzaamheden vindt de rechtbank dat het belang van eiseres niet of onvoldoende rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. De stelling van eiseres in dit verband dat ‘de natuur’ onderdeel uitmaakt van het woon- en leefklimaat is daarvoor onvoldoende. Eiseres voldoet daarom niet aan wat is bepaald in artikel 1:2, derde lid, van de Awb en dat betekent dat haar beroep niet- ontvankelijk is. Aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiseres, die overigens niet of heel weinig ingaan op de natuurbeschermingsaspecten die in het bestreden besluit aan de orde zijn, komt de rechtbank daarom niet toe.

Zaak 19/1161

6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271), is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Met de betrokkene wordt bedoeld de bewoner of eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van een perceel, waarop (milieu)gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden.

Volgens deze uitspraak van de Afdeling is het bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit is. De betrokken rechtzoekende hoeft derhalve niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts indien tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.

6.1

De rechtbank merkt bij deze (vaste) jurisprudentie van de Afdeling op dat die specifiek ziet op omgevingsrechtelijke besluiten ten aanzien van activiteiten zoals het bouwen, het oprichten / exploiteren van inrichtingen, het houden van evenementen en het realiseren van activiteiten in de sfeer van de ruimtelijke ordening.

De rechtbank ziet geen reden om ten aanzien van besluiten, zoals het bestreden besluit waarbij alleen natuurbeschermingsbelangen centraal staan, anders te oordelen.

7. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de omstandigheid dat door het bestreden besluit de stikstofdepositie in de desbetreffende hexagoon van het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’ niet toeneemt, niet uitsluit dat er door het toestaan van 450 kg NH₃ / 32,81mol stikstofdepositie ter plaatse sprake is van significante gevolgen en het besluit onrechtmatig is. Ze komen hierbij dus op voor de gevolgen van de vleesvarkenshouderij in het desbetreffende Natura 2000-gebied en de daarmee samenhangende bescherming van natuurbelangen.

7.1.

De rechtbank stelt vast, hetgeen ook niet in geschil is tussen partijen, dat de stikstofemissie vanwege de vleesvarkenshouderij op het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’ en meer in het bijzonder de desbetreffende hexagoon aangemerkt kan worden als ‘gevolgen van enige betekenis’ en mogelijk zelfs significante verstorende effecten kan hebben in de zin van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.

Belanghebbendheid [eiser 1]

8. Ten aanzien van [eiser 1] overweegt de rechtbank dat ter zitting is vastgesteld, op basis van de gedingstukken en luchtfoto’s, dat diens woning zich bevindt op ongeveer 800 meter van de varkensstal met vleesvarkens en op 1000 meter van het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’ (de relevante hexagoon).

Tussen deze in een dal gelegen woning en de op een helling gelegen (reeds bestaande varkensstal), die overigens gedeeltelijk onder het maaiveld is gebouwd, is sprake van zodanige bebouwing, begroeiing en aanwezig reliëf dat er geen zicht op de varkensstal is. De aard en omvang van de vergunde vleesvarkenshouderij (het aantal dieren) is zodanig dat er volgens de rechtbank bij de woning ook geen sprake is van ruimtelijke uitstraling vanwege deze activiteit. In dit licht en nu niet is aangegeven welke feitelijke gevolgen hij bij de woning van de activiteit ondervindt, oordeelt de rechtbank dat ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3469). [eiser 1] is niet als belanghebbende bij het bestreden besluit aan te merken en zijn beroep is niet-ontvankelijk.

Belanghebbendheid eiser Domein Aldenborgh

9. Ter zitting is vastgesteld dat Domein Aldenborgh meent belanghebbende te zijn, omdat het een perceel met wijndruiven heeft in de buurt van de varkensstal. Blijkens de gedingstukken en de ter zitting bekeken luchtfoto’s is het betreffende perceel van Domein Aldenborgh een langgerekt perceel. De dichtstbij gelegen perceelgrens bevindt zich op ongeveer 300 meter van de varkensstal met vleesvarkens. Ter zitting heeft eiser gesteld dat uitgegaan moet worden van een kortere afstand, omdat het Domein voornemens is een pachtcontract af te sluiten voor een ander, dichterbij gelegen, perceel ten behoeve van het planten van wijndruiven. De rechtbank zal met de aanwezigheid van dit perceel geen rekening houden, omdat dit voornemen een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft.

Het bestaande perceel met de wijndruiven ligt in een open agrarisch gebied. Vanuit (delen van) het perceel is er mogelijk enig zicht - het betreft een glooiend landschap en de varkensstal is gedeeltelijk onder het maaiveld gebouwd - op de varkensstal. Er is geen tussenliggende bebouwing en begroeiing aanwezig. Van enige ruimtelijke uitstraling kan er sprake zijn gezien de afstand tussen (delen van) het perceel en de vleesvarkenshouderij. Daarbij komt (en is misschien zelfs wel leidend want daarop ziet immers het bestreden besluit) dat de vergunde vleesvarkenshouderij ter plaatse van (een deel van) het perceel met de wijndruiven net zoals in (de desbetreffende hexagoon van) het Natura-2000 gebied ‘Geuldal’ stikstofdepositie vanwege ammoniakemissie kan veroorzaken, ondanks dat de overheersende windrichting ervoor kan zorgen dat die op (delen van) het perceel van Domein Aldenborgh minder is. De rechtbank neemt daarom aan dat er sprake is of kan zijn van ‘gevolgen van enige betekenis’ en dat Domein Aldenborgh is aan te merken als belanghebbende bij het bestreden besluit in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Relativiteitsvereiste ten aanzien van Domein Aldenborgh

10. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of Domein Aldenborgh het relativiteitsvereiste tegengeworpen moet worden. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van projecten en andere handelingen, die (significante) gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraken van de Afdeling van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:872), 21 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2835),

16 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS: 2019:3469) en 27 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4009) volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

Anders gezegd: artikel 8:69a van de Awb staat er dan niet aan in de weg dat het bestreden besluit als gevolg van de beroepsgrond over stikstofdepositie wordt vernietigd.

11. Ten aanzien van deze verwevenheid voor het perceel met de wijndruiven van Domein Aldenborgh overweegt de rechtbank als volgt.

12. Blijkens de gedingstukken en de ter zitting bekeken luchtfoto’s betreft het perceel met de wijndruiven een langgerekt perceel van ongeveer 200 meter in een open agrarisch gebied. De dichtstbij gelegen perceelgrens bevindt zich op ongeveer 500 meter en de meest ver weg gelegen perceelgrens op ongeveer 700 meter van het Natura-2000 gebied ‘Geuldal’ en meer in het bijzonder de relevante hexagoon. Ook bij de vaststelling van deze afstanden gaat de rechtbank niet uit van een kortere afstand als gevolg van het mogelijk in de toekomst nog af te sluiten pachtcontract voor een ander perceel. Tussen de meest dichtbij gelegen perceelsgrens en het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’, althans de relevante hexagoon, ligt in het open agrarische gebied de varkensstal op ongeveer 300 meter langs een weg. Aan de andere kant van die weg is er enige begroeiing met bomen. Richting dal - en door de glooiing nagenoeg of geheel onttrokken aan het zicht vanuit het perceel met de wijndruiven - ligt op ongeveer 170 meter van de varkensstal de desbetreffende hexagoon met enige begroeiing van het desbetreffende habitattype. Dit deel behoort tot het grotere Natura 2000-gebied ‘Geuldal’ en omvat 6,5 hectare. Het dichtstbijzijnde deel daarvan ligt op ongeveer dezelfde hoogte als het perceel met de wijndruiven maar op een grotere afstand van ongeveer 800 meter daarvan en op ongeveer 300 meter van de varkensstal. Daartussen ligt open agrarisch gebied. Van belang om nog op te merken is dat het in het hele Geuldal gaat om 460 ha met het desbetreffende habitattype.

Gezien voormelde afstanden en landschapstyperingen en in het bijzonder dat het perceel met de wijndruiven in een open agrarisch gebied ligt en duidelijk te onderscheiden is van de niet of nauwelijks in het zicht liggende hexagoon van het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’, is de rechtbank van oordeel dat er ten aanzien van Domein Aldenborgh geen sprake is van een duidelijke verwevenheid tussen de belangen van het Domein en de belangen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in het betrokken gebied.

13. Uit genoemde Afdelingsuitspraken volgt dat als die duidelijke verwevenheid er niet is, de naar voren gebrachte beroepsgrond buiten beschouwing blijft, omdat artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat de verleende Wnb-vergunning om die reden wordt vernietigd. Volgens de Afdeling dient in dit soort gevallen het beroep ongegrond verklaard te worden. De rechtbank sluit zich hierbij aan wat betreft de beroepsgrond van Domein Aldenborgh ten aanzien van het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’.

14. Ter zitting is namens Domein Aldenborgh nog aangevoerd dat de aanwezigheid van de vleesvarkenshouderij leidt tot minder insecten op het perceel met de wijndruiven.

15. Ten aanzien van deze beroepsgrond, die dus niet ziet op de bescherming van de natuurwaarden van het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’ maar op de gevolgen van de vleesvarkenshouderij voor het perceel met de wijndruiven, overweegt de rechtbank als volgt. Daarbij gaat de rechtbank, zoals aangegeven in de rechtsoverwegingen 9 en 12, uit van het bestaande perceel.

16. Daargelaten of artikel 8:69a van de Awb niet tegengeworpen kan worden - de bestreden Wnb-vergunning ziet immers slechts op de bescherming van natuurbelangen in Natura 2000-gebieden - is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen, omdat in het geheel niet onderbouwd is of en in hoeverre de stikstofdepositie vanwege de vleesvarkenshouderij hiervan de oorzaak is.

17. De namens eisers vermelde jurisprudentie ter zitting brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel over de belanghebbendheid en relativiteit.

Conclusie

18. Eiseres kan niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden aangemerkt en haar beroep is niet ontvankelijk (zaak 19/1050).

Het beroep van [eiser 1] is niet-ontvankelijk, omdat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb (zaak 19/1161).

Het beroep van Domein Aldenborgh is wel ontvankelijk, maar is ongegrond, deels vanwege artikel 8:69a van de Awb en deels omdat het beroep niet is onderbouwd (zaak 19/1161).

19. Voor een proceskostenveroordeling is er geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres (zaak 19/1050) niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van [eiser 1] (zaak 19/1161) niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van Domein Aldenborgh (zaak 19/1161) ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en

mr. R.M.M. Kleijkers en mr. J.M.E. Kessels, leden, in aanwezigheid van

J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

10 februari 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 10 februari 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.