Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9515

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
C/03/280651 / KG ZA 20-303
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:1939
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het in kort geding gevorderde straatverbod wordt afgewezen, het gevorderde contactverbod wordt toegewezen. Na het door eiseres verbreken van de affectieve relatie is gedaagde doorgegaan met het bestoken van eiseres met berichtjes, terwijl hem duidelijk was dat zij geen contact meer met hem wilde. In kort geding is slechts ruimte voor een ordemaatregel en in verband met de eisen van proportionaliteit wordt het gevorderde contactverbod voor een periode van 6 maanden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/280651 / KG ZA 20-303

Vonnis in kort geding van 3 december 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. G.J.E. Schoofs te Beek Lb (toevoeging),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. I.P. Sigmond te Heerlen (toevoeging).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 juli 2020 met acht producties

  • -

    de pleitnotities van de advocaat van [gedaagde]

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 augustus 2020

  • -

    de brief van mr. Schoofs van 28 september 2020 met bijlage (vier pagina’s)

  • -

    de brief van mr. Schoofs van 23 oktober 2020 met bijlage (zes pagina’s)

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling op 19 november 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad welke door [eiseres] is verbroken.

2.2.

[eiseres] heeft bij aangetekende brief van 29 juni 2020 (productie 6 bij dagvaarding) [gedaagde] gesommeerd om zijn belaging per direct te staken en gestaakt te houden en [eiseres] op geen enkele manier meer te benaderen.

2.3.

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 25 augustus 2020 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal het volgende overeengekomen:

1. [gedaagde] komt niet meer in de [adres] te [woonplaats] .

2. [gedaagde] benadert [eiseres] op geen enkele wijze, direct of indirect.

3. Mr. Schoofs zal de rechtbank op 14 december 2020 berichten of [gedaagde] zich aan het hiervoor vermelde heeft gehouden. Indien dat het geval is zal de zaak worden ingetrokken, indien dat niet het geval is zal de zaak worden voortgezet.

2.4.

[eiseres] heeft de voorzieningenrechter op 28 september 2020 en 23 oktober 2020 bericht dat [gedaagde] - kort gezegd - de bovenstaande afspraken 1 en 2 heeft geschonden en gevraagd het bij dagvaarding gevorderde straat- en contactverbod onder oplegging van een dwangsom op te leggen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] stelt dat zij een jarenlange turbulente relatie met [gedaagde] heeft gehad, welke zij heeft verbroken nadat zij door hem op 18 april 2020 is mishandeld (producties 1 en 2 bij dagvaarding) waarvan zij aangifte bij de politie heeft gedaan (productie 4 bij dagvaarding). Terwijl [gedaagde] wist dat [eiseres] geen relatie meer met hem wilde en door hem met rust wilde worden gelaten is [gedaagde] [eiseres] blijven benaderen, ook na de op 25 augustus 2020 ter zitting gemaakt afspraken. Dit laatste blijkt uit de na de zitting van 25 augustus 2020 door [gedaagde] aan [eiseres] gezonden foto, waarop partijen zijn te zien en waarop op de achterzijde is geschreven: “ik mis je” (productie bij brief van 28 september 2020), uit de brief van de buurvrouw van [eiseres] en de door haar aan [eiseres] gezonden WhatsApp-berichten met foto’s, waarop [gedaagde] is te zien in de straat van [eiseres] ter plaatse van de woning van [eiseres] (productie bij brief van 23 oktober 2020) en de door [gedaagde] voor de huisdeur van [eiseres] neergezette plastic tas met kandelaar en een briefje met de tekst: “dit is no van jou”.

[eiseres] vordert, gelet hierop, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

1. [gedaagde] verbiedt zich op te houden binnen een beperkt gebied c.q. straal van 500 meter rondom de woning van [eiseres] gelegen aan het adres [woonplaats] , [adres] en de daar omliggende straten, te weten het gebied dat begrensd wordt door de [straatnaam 1] , de [straatnaam 2] , de [straatnaam 3] en de [straatnaam 4] , zoals aangegeven op het door [eiseres] overgelegde stratenplan, zulks met machtiging op [eiseres] , om [gedaagde] te doen verwijderen met behulp van de sterke arm bij overtreding van dit verbod,

2. [gedaagde] verbiedt op welke wijze dan ook (telefonisch, via sms, whatsapp, e-mail, internet, per brief, in persoon, of welk ander middel dan ook ect) contact te zoeken / op te nemen met [eiseres] , gedurende een periode van vijf jaren,

3. aan [gedaagde] een dwangsom oplegt van € 1.000,- voor iedere keer dat één van de/beide bovenstaande verboden overtreedt, met een maximum van € 50,000,-,

Subsidiair:

Een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening,

Primair en subsidiair:

[gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten. Indien [gedaagde] niet, binnen 14 dagen na daartoe in gebreke te zijn gesteld, voldoet aan de veroordeling, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] betwist - samengevat - dat zijn handelwijze jegens [eiseres] onrechtmatig is geweest. Hij betwist de door [eiseres] (bij dagvaarding) gestelde contactmomenten, anders dan via WhatsApp, en voert aan dat hij ook na de afspraken van 25 augustus 2020 geen contact meer heeft gezocht met [eiseres] . De door [eiseres] ontvangen foto heeft hij niet gestuurd en de bewuste kadelaar had hij al eerder terug gegeven. Ook betwist hij dat hij de persoon is op de foto’s die door de buurvrouw van [eiseres] zijn gemaakt. De bij dagvaarding overgelegde WhatsApp berichten zijn naar de stelling van [gedaagde] slechts onschuldige berichten en liefdesbetuigingen, die onvoldoende zijn ter toewijzing van de verstrekkende vorderingen van [eiseres] , waarbij een forse inbreuk wordt gemaakt op zijn bewegingsvrijheid.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

4.2.

Een straat- en contactverbod vormt een inbreuk op de aan een ieder toekomende grondrechten om zich vrijelijk te verplaatsen en zijn mening te uiten. Voor het toewijzen van een dergelijke ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen.

4.3.

Op dit moment staat echter onvoldoende feitelijk vast dat [gedaagde] [eiseres] belaagt. Een voldoende ernstige belaging die een straatverbod rechtvaardigt, kan niet worden afgeleid uit de verklaring van de buurvrouw. Zo zij [gedaagde] al heeft gezien, blijkt uit niets dat hij toen [eiseres] heeft willen belagen. De overgelegde foto’s zijn onvoldoende duidelijk om met voldoende mate van zekerheid te zeggen dat [gedaagde] de persoon is die op de foto’s is te zien.

4.4.

Het contactverbod ligt voor toewijzing gereed. [gedaagde] is [eiseres] immers blijven benaderen, terwijl hij wist dat [eiseres] die benadering niet wilde. Uit de door [eiseres] overgelegd WhatsApp-berichten (productie 3 bij dagvaarding) blijkt dat [gedaagde] - in ieder geval - op 26 april 2020 wist dat [eiseres] de affectieve relatie definitief met hem had verbroken. Die dag is te beschouwen als peildatum einde relatie. [gedaagde] heeft immers op die datum in een WhatsApp-bericht aan [eiseres] geschreven: “Schatje ik wil tug ajb …”. Dat [gedaagde] daarna nog enige dagen heeft gepoogd om de relatie te herstellen, is niet zonder meer onrechtmatig. Op enig moment worden hardnekkige eenzijdige herstelpogingen wel onrechtmatig. De voorzieningenrechter houdt wat dit betreft, met inachtneming van het feit dat [gedaagde] wist dat [eiseres] hem beschuldigde van mishandeling, een periode van een week aan. Na die week behoort [gedaagde] zich te realiseren, gelet op de afwijzende houding van [eiseres] , dat hij de breuk niet meer herstelt zou krijgen, en moet hij stoppen met zijn eenzijdige pogingen om te breuk te herstellen.

[gedaagde] is echter doorgegaan met het bestoken van [eiseres] met berichtjes, terwijl hem duidelijk was dat zij geen contact meer met hem wilde. Dat is onrechtmatig. Het betreft hier, zo blijkt uit het overzicht WhatsApp-berichten (zie pleitnotities van 24 augustus 2020, randnr. 1.2) een twintigtal WhatsApp-berichten in de periode vanaf 6 mei tot en met 3 juli 2020. Dat is een niet-onaanzienlijk aantal, terwijl [gedaagde] wist dat dit handelen ongewenst was. Dit zoveel contact opnemen met [eiseres] is onrechtmatig jegens [eiseres] en voldoende grond voor toewijzing van het gevorderde contactverbod in kort geding, met dien verstande dat in het kader van deze procedure slechts ruimte is voor een ordemaatregel en in verband met de eisen van proportionaliteit het gevorderde contactverbod voor een periode van 6 maanden zal worden toegewezen.

4.5.

De gevorderde dwangsommen zullen worden gesteld per keer dat [gedaagde] het contactverbod niet naleeft en op de hierna te vermelden wijze worden gematigd en gemaximeerd.

4.6.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 1.655,96 (betekening oproeping € 102,96, griffierecht € 83 en salaris advocaat € 1.470,- (1.5 punt x tarief € 980,-).

4.7.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten kunnen worden begroot en worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] gedurende zes maanden na betekening van dit vonnis telefonisch, via sms, e-mail, internet, per brief, in persoon, of met welk ander middel dan ook, behoudens via zijn advocaat, contact op te nemen met [eiseres] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 50,- voor iedere keer dat hij niet aan de bovenstaande veroordeling voldoet met een maximum van

€ 20.000,-,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.655,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2020.1

1 type: CM