Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9508

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
8740798 \ CV EXPL 20-4211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

tussenvonnis;

ambtshalve toetsen acceptgirokosten;

eindvonnis: toegewezen als gevorderd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8740798 \ CV EXPL 20-4211

Vonnis van de kantonrechter van 2 december 2020

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

N.V. UNIVÉ ZORG, betreffende ZEKUR,

gevestigd te Arnhem,

eisende partij,

gemachtigde Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonende op een geheim adres in de gemeente [gemeente] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 oktober 2020

- de akte.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de verdere beoordeling

2.1.

Eisende partij vordert, samengevat, de veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 704,25, vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

Ter onderbouwing van haar vordering voert eisende partij (samengevat) het volgende aan.

Eisende partij heeft op grond van een met gedaagde partij gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen bij gedaagde partij in rekening gebracht. De totale achterstand bedraagt volgens eisende partij € 1.346,38. Daarnaast is gedaagde partij aan haar de wettelijke rente verschuldigd. Eisende partij berekent de wettelijke rente tot 4 augustus 2020 op € 3,98.

Naar aanleiding van een eerder vonnis van 24 januari 2018 heeft eisende partij een bedrag groot € 646,11 in mindering op de (restant)vordering ontvangen.

2.3.

De kantonrechter constateert dat in de hoofdsom een bedrag van € 10,50 (7 x

€ 1,50) betrekking heeft op acceptgirokosten.

2.4.

Bij tussenvonnis heeft de kantonrechter eisende partij in de gelegenheid gesteld om het beding waar de vordering met betrekking tot de acceptgirokosten op is gebaseerd, te overleggen. Ook is eisende partij verzocht toe te lichten waarom gekozen is voor de betaalwijze middels acceptgiro alsmede waarom dit beding niet onredelijk bezwarend moet worden geacht.

2.5.

Eisende partij heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De kantonrechter is van oordeel dat het beding op voldoende begrijpelijke en duidelijke wijze is opgesteld en dat het beding voor de consument niet nadelig is. Uit de overgelegde informatie alsmede de daarop gegeven toelichting blijkt dat bij de drie kosteloze betaalwijzen een handeling van gedaagde partij nodig is. Indien gedaagde partij voor geen van deze mogelijkheden heeft gekozen, kan eisende partij niet anders dan betaling verlangen door middel van een acceptgiro. Op grond van het beding wordt daarvoor een bedrag van € 1,50 per factuur aan bijkomende kosten aan de consument in rekening gebracht. Gelet op het feit dat daarvoor een brief dient te worden uitgedraaid, in een enveloppe dient te worden gedaan, voorzien dient te worden van een frankering en tot slot aan de postbezorging moet worden aangeboden, is het bedrag van

€ 1,50 per factuur dat eisende partij hiervoor als bijkomende kosten in rekening brengt niet te hoog. Derhalve is geen sprake van een onredelijk bezwarend beding, zodat de kosten voor acceptgirokosten kunnen worden toegewezen.

2.6.

De overige vordering dient als niet althans onvoldoende betwist worden toegewezen.

2.7.

Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 105,09

  • -

    griffierecht € 499,00

  • -

    salaris gemachtigde € 120,00 (1 x tarief € 120,00)

totaal € 724,09

2.8.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&T en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten aan nakosten salaris. De gevorderde btw over de nakosten zal, voor zover die nakosten zien op het salaris gemachtigde, worden afgewezen nu hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 704,25, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 augustus 2020 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 724,09,

3.3.

veroordeelt gedaagde partij onder de voorwaarde dat deze niet binnen twee weken na aanschrijving door eisende partij volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 60,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, dit bedrag te vermeerderen met de hierover verschuldigd zijnde btw,

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

type: JEC