Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9503

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
8548629 \ CV EXPL 20-2466
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Achterstallige huur woonruimte, ontbinding ontruiming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8548629 \ CV EXPL 20-2466

Vonnis van de kantonrechter van 25 november 2020

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1] aan de [adres 1] ,

eiser,

gemachtigde [naam gemachtigde] (A&F Incasso & Partners BV),

tegen:

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats 2] aan de [adres 2] ,

gedaagde,

gemachtigde voorheen mr. S. de Block, thans procederende in persoon.

Partijen zullen [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties 1 t/m 4

  • -

    de conclusie van antwoord met een productie,

- de beslissing van 21 augustus 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald

- de brief van 21 oktober 2020 van de gemachtigde van [gedaagde] waarbij zij meedeelt dat zij zich als gemachtigde terugtrekt en de mondelinge behandeling niet zal bijwonen

- het proces verbaal van de op 22 oktober 2020 gehouden mondelinge behandeling waarbij

[eiser] en zijn gemachtigde zijn verschenen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2.

[gedaagde] huurt vanaf 29 januari 2020 tot en met heden van [eiser] de woning aan de [adres 2] te [woonplaats 2] (verder: het gehuurde). De huurprijs bedraagt € 735,00 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.

2.3.

[eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen telefonisch gesommeerd tot betaling van de achterstallige huur van maart t/m mei 2020 van € 2.205,00. De gemachtigde van

[eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 7 mei 2020 tot betaling gesommeerd. Aangezien betaling uitbleef heeft [eiser] [gedaagde] in rechte heeft betrokken.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de hoofdsom van € 2.205,00, te vermeerderen met de wettelijke rente tot en met 7 mei van € 7,35 en de wettelijke rente vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,

  2. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 735,00 per maand vanaf 1 juni 2020 tot en met de dag der gerechtelijke ontruiming

  3. de huurovereenkomst ontbindt en [eiser] toestemming verleent om na 14 dagen na betekening van dit vonnis, desnoods met behulp van de sterke arm der wet, het gehuurde te mogen ontruimen,

  4. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 330,75 aan buitengerechtelijke incassokosten,

  5. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt - zakelijk weergegeven - aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van haar verplichtingen van de huurovereenkomst. [gedaagde] laat immers na om de huurpenningen tijdig te voldoen waardoor een huurachterstand van meer dan drie maanden is ontstaan die ondanks meerdere sommaties en toezeggingen door [gedaagde] niet is voldaan.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] erkent de huurachterstand en stelt dat zij deze wil betalen indien zij weer inkomsten geniet. Zij genoot een bijstandsuitkering van de gemeente [plaats] en door haar verhuizing van de gemeente [plaats] naar [woonplaats 2] heeft zij zich bij laatstgemelde gemeente ingeschreven en er een bijstandsuitkering aangevraagd. Aangezien de gemeente [woonplaats 2] die aanvraag niet goed heeft verwerkt heeft [gedaagde] sinds februari 2020 geen inkomsten. Op 30 juli 2020 is bij de gemeente [woonplaats 2] een hoorzitting gepland waarbij [gedaagde] haar verzoek, om haar bijstandsuitkering met terugwerkende kracht sinds februari 2020 toe te kennen, kracht kan bijzetten. Gelet op de bereidheid om de huur te betalen verzoekt zij om haar een terme de grâce te verlenen.

4.2.

Ter mondelinge behandeling van 22 oktober 2020, waarbij [gedaagde] zonder bericht van verhindering of verzoek tot aanhouding niet is verschenen, hebben [eiser] en diens gemachtigde aangevoerd dat zij in de dagen kort voor deze mondelinge behandeling meermaals contact met [gedaagde] hebben gehad, dat de Gemeentelijke Kredietbank coöperatief is en [gedaagde] met een “A” achter haar naam heeft geregistreerd omdat zij bij gebrek aan informatie niet weet waar [gedaagde] van leeft, dat [gedaagde] nog geen enkele huurpenningen heeft betaald en dat [gedaagde] haar afspraken “dat alles in orde zal komen” niet gestand doet. In dat kader verklaarde [eiser] dat hij niet met het verlenen van een terme de grâce aan [gedaagde] kan instemmen en heeft hij vonnis gevraagd.

4.3.

Nu [gedaagde] de huurachterstand, die ten tijde van de dagvaarding drie maanden bedroeg, heeft erkend en het verzuim van [gedaagde] vaststaat, ligt het onder 1 gevorderde voor toewijzing gereed.

4.4.

Wat het overige gevorderde betreft lag het op de weg van [gedaagde] om tijdens de mondelinge behandeling de stellingen van [eiser] te bespreken en te weerleggen en om haar verweer nader toe te lichten. Nu [gedaagde] zonder bericht van verhindering of aanhouding niet ter mondelinge behandeling is verschenen en op geen enkele wijze aannemelijk of anderszins inzichtelijk gemaakt dat zij de huurachterstand en de lopende huurpenningen kan betalen, wordt in dat kader de door [gedaagde] verzochte terme de grâce, waarvan [eiser] heeft aangegeven dat hij daar niet mee kan instemmen, afgewezen. Het overige gevorderde zal als onvoldoende weersproken overeenkomstig de wet

worden toegewezen, met dien verstande dat de onder 3 gevorderde toestemming (de kantonrechter leest dat als machtiging) van [eiser] zal worden afgewezen. [eiser] behoeft immers geen machtiging van de kantonrechter om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat [eiser] bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.

4.5.

De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad € 330,75 is in overeenstemming met de gebruikelijke en redelijke tarieven en wordt daarom toegewezen.

4.6.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan dit vonnis begroot op:

  • -

    explootkosten € 102,96

  • -

    griffierecht € 236,00

  • -

    salaris gemachtigde € 420,00 (2 x tarief x € 210,00)

Totaal € 758,96.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

ontbindt de tussen [eiser] en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst voor de woning aan de [adres 2] te [woonplaats 2] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres 2] te [woonplaats 2] te ontruimen,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:

  1. de hoofdsom van € 2.205,00, te vermeerderen met de wettelijke rente tot en met 7 mei van € 7,35 en de wettelijke rente vanaf 8 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,

  2. € 735,00 per maand vanaf 1 juni 2020 tot en met de dag der gerechtelijke ontruiming,

  3. € 330,75 aan buitengerechtelijke incassokosten,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiser] gerezen en tot dit vonnis begroot op € 758,96,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken.

type: YT