Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9440

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
C/03/276573 / HA ZA 20-196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Executiegeschil; de tuinen van partijen grenzen (deels) aan elkaar. In deze procedure ligt primair de vraag voor of eiser uit hoofde van het in hoger beroep bekrachtigde vonnis van de rechtbank Limburg van 15 april 2015 dwangsommen is verschuldigd. Partijen verschillen van mening over de vraag wat moet worden verstaan onder “het verwijderd houden van (…) alle overige beplanting” als bedoeld in r.o. 5.1. van het dictum van het vonnis van 15 april 2015. Oordeel van de rechtbank: de rechtbank moet in haar vonnis gedoeld hebben op “heesters en heggen” in de zin van 5:42 BW. Niet komen vast te staan dat eiser uit hoofde van het vonnis van 15 aprli 2015 dwangsommen is verschuldigd. Toewijzing vordering eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/276573 / HA ZA 20-196

Vonnis van 4 november 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.L.H. Holthuijsen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.E. Tip.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van het perceel met de daarop gelegen woning aan de [adres 1] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [kadasternummer 1] .

2.2.

[gedaagde] is eigenaar van een naastgelegen perceel aan de [adres 2] , kadastraal bekend gemeente [kadasternummer 2] . De tuin van perceel [kadasternummer 2] grenst deels aan het perceel van [eiser] .

2.3.

Partijen zijn met elkaar verwikkeld geweest in een bodemprocedure, die bij de rechtbank Limburg aanhangig is geweest onder zaak-/rolnummer: C/04/128130 / HA ZA 14-75. In die procedure heeft deze rechtbank bij vonnis van 15 april 2015 - voor zover voor deze zaak relevant - als volgt beslist:

5.1.

veroordeelt [eiser] tot het verwijderen en verwijderd houden van alle bomen respectievelijk alle overige beplanting op het perceel aan het adres [adres 1] , [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente [kadasternummer 1] binnen een afstand van, met betrekking tot de bomen, twee meter van de erfgrens en, met betrekking tot de overige beplanting, een halve meter van de erfgrens met het perceel aan het adres [adres 2] , [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente [kadasternummer 2] ,

5.2.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 250,= voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

2.4.

Voornoemd vonnis is bij exploot van 18 mei 2015 aan [eiser] betekend.

2.5.

Bij arrest van 23 augustus 2016 (zaaknummer 200.174.033/01) heeft het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch voornoemd vonnis bekrachtigd.

2.6.

Op 23 mei 2018, 11 juni 2018 en 26 juni 2018 heeft deurwaarder J.L.M. Vercoulen processen-verbaal van constatering met aangehechte kleurenfoto’s opgemaakt.

2.7.

Op 26 juni 2018 heeft de deurwaarder op verzoek van [gedaagde] een exploot betekend aan [eiser] , waarbij [eiser] bevel is gedaan om binnen twee dagen een bedrag van € 10.000,= aan verbeurde dwangsommen te voldoen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor recht verklaart dat [eiser] aan [gedaagde] geen bedrag verschuldigd is ter zake van verbeurde dwangsommen uit hoofde van het door de rechtbank tussen partijen op 15 april 2015 onder zaak-/rolnummer C/04/128130/HA ZA 14-75 gewezen vonnis, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, waaronder de nakosten en al deze proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt zich primair op het standpunt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het vonnis van 15 april 2015, zodat [gedaagde] ten onrechte aanspraak maakt op verbeurde dwangsommen. Subsidiair stelt hij dat [gedaagde] misbruik maakt van bevoegdheid. Meer subsidiair stelt [eiser] dat het opeisen van de dwangsommen in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In onderhavige zaak is sprake van een executiegeschil in de zin van artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) waarbij primair de vraag voor ligt of [eiser] uit hoofde van het in hoger beroep bekrachtigde vonnis van deze rechtbank van 15 april 2015 dwangsommen verschuldigd is. In een dergelijk executiegeschil heeft de rechter niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient zij zich volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (o.a. HR 23 februari 2007 ECLI:NL:HR:2007:AZ3085) ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient zij het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

4.2.

Verder geldt in algemene zin dat bij de beoordeling van de vraag of het dictum is overtreden, in aanmerking dient te worden genomen dat het dictum van het vonnis moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid (zie onder meer HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369).

De reikwijdte van het vonnis

4.3.

Om de vraag te beantwoorden of [eiser] in strijd heeft gehandeld met het vonnis van 15 april 2015 moet eerst beoordeeld worden wat moet worden verstaan onder “het verwijderd houden van (…) alle overige beplanting” als bedoeld in r.o. 5.1. van het dictum. [eiser] voert aan dat onder “alle overige beplanting” alleen “heesters en heggen” moeten worden verstaan, terwijl [gedaagde] betoogt dat dat deel van het dictum ziet op “alle beplanting”.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat uitleg van het dictum van het vonnis met inachtneming van de onder 4.1. en 4.2. opgenomen criteria meebrengt dat onder de passage “alle overige beplanting” moet worden verstaan “heesters en heggen”.

Zij overweegt daartoe als volgt.

4.4.1.

Uit de overwegingen van het vonnis van 15 april 2015 die tot de beslissing hebben geleid volgt onmiskenbaar dat de genomen beslissing steunt op artikel 5:42 BW. Immers wordt in de overwegingen allereerst artikel 5:42 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geciteerd en wordt vervolgens overwogen dat de enkele aanwezigheid van begroeiing in strijd met voormeld artikel (aldus artikel 5:42 lid 1 BW) onrechtmatig wordt geacht. Vervolgens overweegt de rechtbank dat tijdens de plaatsopneming door de rechter-commissaris is vastgesteld dat op het perceel bomen en struiken staan binnen de minimaal vanaf de erfgrens in acht te nemen afstand. De rechtbank vervolgt vervolgens met dat dat betekent dat [eiser] “deze” dient te verwijderen en de vordering kan worden toegewezen. Het woord “deze” heeft in deze overweging aldus betrekking op “bomen en struiken”.

4.4.2.

Verder geldt dat de afstanden vanaf de erfgrens (twee meter, respectievelijk een halve meter) zoals opgenomen in het dictum volledig overeenstemmen met de afstanden zoals opgenomen in artikel 5:42 lid 2 BW. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook evident dat r.o. 5.1. van het dictum van het vonnis van 15 april 2015 steunt op artikel 5:42 BW. Doel en strekking moet dan ook een veroordeling op basis van dat artikel zijn geweest.

4.4.3.

Artikel 5:42 BW lid 1 BW ziet expliciet op bomen, heesters en heggen en niet op alle beplanting, zodat de rechtbank met de passage “alle overige beplanting” uit het dictum gedoeld moet hebben op “heesters en heggen”. Gezien het voorgaande wordt het verweer van [gedaagde] dat de rechtbank op “alle beplanting” heeft gedoeld verworpen.

4.5.

[gedaagde] stelt zich verder op het standpunt dat onkruid onder de definitie van heester als bedoeld in artikel 5:42 BW valt. De rechtbank deelt niet het standpunt dat onkruid in zijn algemeenheid steeds onder de definitie van heester als bedoeld in artikel

5:42 BW valt. Dat betekent evenwel niet dat is uitgesloten dat onkruid in bepaalde gevallen onder de definitie van heester geschaard zou kunnen worden. Door [gedaagde] is echter niet een specifiek soort onkruid benoemd (dat zich in de “verboden zone” bevond) dat in dit geval onder de definitie van heester zou vallen. Het verweer van [gedaagde] wordt dan ook gepasseerd.

4.6.

Gezien voorgaande conclusies kan op basis van het feit dat de deurwaarder in het proces-verbaal van constatering heeft opgenomen dat hij heeft geconstateerd dat sprake “was van begroeiing van de beplanting dusdanig dat deze tegen de gaas die stond op de perceelsgrens van beide percelen was gegroeid, en zelfs op diverse plaatsen door de gaas was gegroeid” niet worden geconcludeerd dat sprake is van verbeurte van dwangsommen. Bij voornoemde omschrijving heeft de deurwaarder immers niet gespecificeerd om welk soort beplanting het ging.

De frambozenstruik

4.7.

Vervolgens debatteren partijen over de vraag of de ten tijde van het opmaken van de processen-verbaal van constatering door de deurwaarder aanwezige frambozenstruik de verbeurte van dwangsommen rechtvaardigt.

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat een frambozenstruik aangemerkt kan worden als een heester als bedoeld in artikel 5:42 BW, zodat ook de rechtbank daarvan uitgaat.

4.9.

De vraag die allereerst beantwoord moet worden is of is komen vast te staan dat de frambozenstruik die zich ten tijde van het opmaken van de processen-verbaal van de deurwaarder nabij de erfgrens bevond, stond op het perceel van [eiser] . De rechtbank is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord en heeft daartoe als volgt overwogen.

4.9.1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de processen-verbaal van de deurwaarder niet specifiek melding maken van de aanwezigheid van (de plek van) de frambozenstruik. Dit betekent dat op basis van de bij de processen-verbaal van constatering behorende foto’s moet worden beoordeeld of er zich op dat moment een frambozenstruik op het perceel van [eiser] bevond. Naar het oordeel van de rechtbank is de betreffende frambozenstruik, althans de stam daarvan, het best zichtbaar op de derde foto behorend bij het proces-verbaal van constatering van 23 mei 2018. Uit die foto volgt dat de frambozenstruik zich bevindt tussen twee hekwerken in. Door [eiser] is onbetwist aangevoerd dat het stuk grond dat zich tussen de hekwerken in bevindt in eigendom toebehoort aan [gedaagde] . De plek waar zich de wortel van de frambozenstruik bevindt, is op de foto niet zichtbaar. In elk geval kan naar het oordeel van de rechtbank niet op basis van die foto geoordeeld worden dat zich (ten tijde van het proces-verbaal van constatering) op 23 mei 2018 een frambozenstruik op het perceel van [eiser] bevond. Dit laatste geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens voor de foto’s bij de processen-verbaal van constatering van 11 juni 2018 en 26 juni 2018. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat uit de tweede foto bij het proces-verbaal van constatering van 26 juni 2018 duidelijk volgt dat de frambozenstruik afkomstig is van het perceel van [eiser] . De rechtbank kan dat niet uit die foto afleiden. Op basis van de opgemaakte processen-verbaal kan dan ook niet worden geconcludeerd dat [eiser] dwangsommen verschuldigd is aan [gedaagde] .

4.10.

Voor het overige zijn door [gedaagde] geen concrete feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [eiser] op het moment van het opmaken van de processen-verbaal door de deurwaarder (dan wel daarvoor of daarna) in strijd heeft gehandeld met het vonnis van 15 april 2015. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat uit hoofde van het vonnis van 15 april 2015 dwangsommen zijn verbeurd. Aan bewijslevering wordt niet meer toegekomen. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [eiser] kan worden toegewezen.

4.11.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Werkelijke proceskosten

4.12.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de werkelijk door hem gemaakte proceskosten vanwege misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [gedaagde] . De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten slechts voor toewijzing in aanmerking komt indien de aangesproken partij misbruik heeft gemaakt van procesrecht of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te vangen.

Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of rechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en HR 6 april 2012, ECLI:NL:2012:BV7828). Deze maatstaf kan ook toepassing vinden bij de beantwoording van de vraag of er aanleiding bestaat om een partij tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten te veroordelen. Verder geldt dat van misbruik van de bevoegdheid een in kracht van gewijsde gegaan vonnis/arrest te executeren, slechts in bijzondere gevallen sprake kan zijn. De rechtbank ziet voor een volledige veroordeling onvoldoende aanleiding.

4.13.

De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 100,89

- griffierecht 304,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.490,89

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] aan [gedaagde] geen bedrag verschuldigd is ter zake van verbeurde dwangsommen uit hoofde van het door de rechtbank tussen partijen op 15 april 2015 onder zaak-/rolnummer C/04/128130/HA ZA 14-75 gewezen vonnis,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.490,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. en 5.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.1

1 type: KB coll: