Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9406

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
8704182 CV 20-3874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand; waarheidsplicht; gevolgen voor proceskosten; regeling; laatste kans; geen voorwaardelijke veroordeling; voorwaarde kan niet meer vervuld worden; onderbouwing datum intreden verzuim voor wettelijke rente; buitengerechtelijke kosten te hoog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8704182 \ CV EXPL 20-3874

Vonnis van de kantonrechter van 25 november 2020

in de zaak van:

[eiser in verzet] ,

wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

eiser in verzet,

gemachtigde mr. J. in 't Ven,

tegen:

de stichting WONINGSTICHTING HEEMWONEN,

gevestigd te Kerkrade,

gedaagde in verzet,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser in verzet] en Heemwonen genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het door deze rechtbank op 8 juli 2020 tussen Heemwonen en [eiser in verzet] bij verstek gewezen vonnis onder zaak- en rolnummer 8533840 CV EXPL 20-2266

- de verzetdagvaarding

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 oktober 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Heemwonen heeft in de procedure die heeft geleid tot het verstekvonnis gevorderd dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,

  • -

    de tussen partijen gesloten huurovereenkomst ontbindt,

  • -

    [eiser in verzet] veroordeelt om het gehuurde te verlaten en te ontruimen,

  • -

    [eiser in verzet] veroordeelt tot betaling aan Heemwonen van

  • -

    € 2.377,80 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding

  • -

    € 496,00 aan gebruiksvergoeding per maand zolang het gehuurde niet is ontruimd

  • -

    € 90,20 aan buitengerechtelijke kosten en

  • -

    de (na)kosten van het geding.

2.2.

Bij verstekvonnis van 8 juli 2020 is de vordering toegewezen.

2.3.

[eiser in verzet] is in verzet gekomen tegen dat verstekvonnis. Hij vordert te worden ontheven van de bij verstekvonnis uitgesproken veroordeling, met veroordeling van Heemwonen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

[eiser in verzet] heeft op 6 augustus 2020 de verzetdagvaarding tegen het verstekvonnis van 8 juli 2020 uitgebracht, welk verstekvonnis op 13 juli 2020 is betekend aan [eiser in verzet] . De kantonrechter stelt vast dat het verzet tijdig (conform artikel 143 Rv) is gedaan.

3.2.

Aan haar vorderingen legt Heemwonen het volgende ten grondslag. [eiser in verzet] heeft zich in ernstige mate schuldig gemaakt aan wanbetaling van de huurpenningen van € 496,00 per maand. De huurschuld tot en met mei (de kantonrechter begrijpt: mei 2020) bedraagt € 2.377,80.

3.3.

[eiser in verzet] heeft het bestaan van die achterstand niet betwist. Hij voert aan dat bij een juiste weergave van de feiten en omstandigheden ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, de relatief geringe omvang van de huurachterstand en de correct verlopen minnelijke regeling. In december 2019 is een betalingsregeling is getroffen van € 100 per maand met ingang van januari 2020. Weliswaar verliep de automatische incasso in januari 2020 nog niet goed en sloop in april 2020 een fout in de aflossing, maar [eiser in verzet] is de regeling tot en met juni 2020 correct nagekomen. Hij is bereid en in staat om de regeling na te komen. Er is ten onrechte verstek verleend, omdat [eiser in verzet] wel verweer had gevoerd.

3.4.

De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat [eiser in verzet] een huurachterstand had en dat daarvoor een betalingsregeling is getroffen. Die omstandigheid is echter pas in de verzetprocedure aan het licht gekomen, omdat enerzijds door een administratieve fout van de griffie het verweer van [eiser in verzet] niet bekend was in de verstekprocedure en anderzijds Heemwonen in de dagvaarding met geen woord over een regeling spreekt.

3.5.

Op Heemwonen rust op grond van artikel 21 Rv de plicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dat een betalingsregeling was getroffen, is een feit dat van belang is om te kunnen beslissen op een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst. Heemwonen is, zo stelt zij, een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, werkzaam op het gebied van de volkshuisvesting. Het had Heemwonen, een professionele sociale woningcorporatie, duidelijk moeten zijn dat zij bij dagvaarding melding had moeten maken van een getroffen regeling en dat zij ook duidelijk had moeten maken wat de inhoud van die regeling is. Het ligt dan op haar weg om aan te geven in hoeverre die regeling wel of niet wordt nagekomen. Door dat niet te doen heeft Heemwonen de waarheidsplicht geschonden. De kantonrechter zal aan de schending van artikel 21 Rv door Heemwonen de gevolgtrekking maken die zij geraden acht in die zin dat de kantonrechter in ieder geval de proceskosten van de verstekprocedure voor rekening van Heemwonen zal laten.

3.6.

Van belang is verder dat Heemwonen stelt dat [eiser in verzet] de regeling niet nakwam. [eiser in verzet] betwist dat. Uit het saldo-overzicht per 1 mei 2020 (productie 3 bij de oorspronkelijke dagvaarding) blijkt dat [eiser in verzet] in december 2019 een achterstand van € 1.685,80 had, waarvoor een betalingsregeling is getroffen van zestien maandelijkse termijnen van € 100 en een slottermijn van € 85,80. Uit dat overzicht blijkt ook dat [eiser in verzet] in de periode van januari tot en met april 2020 de lopende huur drie maal heeft voldaan (namelijk op 27 januari, 21 februari en 26 maart 2020) en daarnaast twee maal een bedrag van € 100 (namelijk op 2 februari en 26 maart 2020). In de periode januari-april 2020 had hij echter vier maal de lopende huur moeten voldoen en vier termijnen van € 100. Daarmee staat vast dat [eiser in verzet] de regeling niet is nagekomen en bovendien de lopende huur niet tijdig heeft betaald. Dat is, anders dan [eiser in verzet] stelt, aan hem te wijten. Het is immers zijn verantwoordelijkheid dat de huur stipt wordt betaald en dat de regeling wordt nagekomen, ook als daarvoor een automatische incassomachtiging wordt afgegeven die om welke reden dan ook niet wordt uitgevoerd. Bij deze stand van zaken is het in beginsel niet onbegrijpelijk dat Heemwonen heeft besloten om over te gaan tot dagvaarden.

Tijdens de mondelinge behandeling aangevoerde omstandigheden

3.7.

Tijdens de mondelinge behandeling op 28 oktober 2020 heeft [eiser in verzet] echter aangevoerd dat hij in de ochtend van 18 mei 2020 telefonisch contact heeft gehad met de incassoconsulente van Heemwonen en dat hij haar heeft laten weten dat hij “alles” had betaald en dat hij binnen één maand het restant van de huurachterstand zou kunnen voldoen. Heemwonen heeft de inhoud van dat telefoongesprek niet betwist. Zij bevestigt dat op 18 mei 2020 betalingen van [eiser in verzet] op haar rekening zijn bijgeschreven, hetgeen zij op 19 mei 2020 heeft gezien. De dagvaarding is betekend op 18 mei 2020. Er stond toen nog één termijnbetaling en één maand huur open. Dat blijkt ook uit het saldo-overzicht per 1 mei 2020 in samenhang met de door [eiser in verzet] in het geding gebrachte rekeningafschriften (productie 8 bij verzetdagvaarding).

3.8.

Verder heeft [eiser in verzet] - onweersproken - uitgelegd hoe het kwam dat hij tijdelijk geen inkomen had en dat hij in de loop van 2020 een goed betaalde baan heeft gekregen, waardoor hij de achterstanden en de lopende huur ineens kon betalen. Heemwonen heeft bevestigd dat [eiser in verzet] inmiddels de volledige huurachterstand heeft ingelopen en de lopende huur tot en met oktober 2020 heeft voldaan.

3.9.

Over (de inhoud van) het telefoongesprek heeft Heemwonen de kantonrechter ook niet geïnformeerd. Dat is echter wel relevant omdat [eiser in verzet] in feite verzocht om een laatste kans. De kantonrechter begrijpt dat het geduld van Heemwonen met [eiser in verzet] op een zeker moment op was, maar daar staat de uitleg die [eiser in verzet] geeft over het verlies van inkomen en het perspectief van nieuw inkomen tegenover.

Gevolg voor het verstekvonnis

3.10.

Als al deze omstandigheden bekend waren geweest voordat het verstekvonnis werd gewezen, dan zou de kantonrechter de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst niet onvoorwaardelijk hebben toegewezen. [eiser in verzet] hoort dus van de jegens hem bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling te worden ontheven. Dit betekent dat het verzet gegrond zal worden verklaard en dat het door de kantonrechter tussen partijen gewezen verstekvonnis zal worden vernietigd.

Ontbinding en ontruiming, gebruiksvergoeding

3.11.

De vorderingen tot ontbinding en ontruiming komen in de verzetprocedure niet voorwaardelijk voor toewijzing in aanmerking vanwege het volgende. In de verstekprocedure zou de kantonrechter, naar in de rede ligt, de ontbinding hebben toegewezen onder de voorwaarde dat [eiser in verzet] niet binnen één maand de volledige achterstand zou hebben betaald. Inmiddels is duidelijk dat er geen achterstand meer is. De voorwaarde is dus niet vervuld en kan ook niet meer vervuld worden. Daarom zal de gevorderde ontbinding en ontruiming worden afgewezen. Voor de gevorderde gebruiksvergoeding is daarom ook geen plaats.

Betaling huurachterstand en wettelijke rente

3.12.

Bij de vordering tot betaling van de huurachterstand heeft Heemwonen geen belang meer, nu die vordering volledig is voldaan. Bij gebrek aan belang wordt de vordering afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand steunt op de stelling dat “gedaagde partij conform huurovereenkomst de huurprijs van het gehuurde voornoemd in zijn geheel bij vooruitbetaling, voor de eerste van de maand, dient te voldoen maar nu echter sedert september 2018 een (structurele) huurachterstand heeft en gedaagde partij derhalve sindsdien in verzuim is”. Hiermee betoogt Heemwonen dat [eiser in verzet] sinds september 2018 in verzuim is. Enige onderbouwing ontbreekt echter. De kantonrechter volgt Heemwonen dan ook niet en wijst de vordering tot betaling van wettelijke rente af.

Buitengerechtelijke kosten

3.13.

[eiser in verzet] heeft gesteld dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten bij gebrek aan verzuim niet toewijsbaar zijn. Daarmee miskent [eiser in verzet] dat hij de regeling niet nakwam en dus wel in verzuim verkeerde. Heemwonen heeft aan de [eiser in verzet] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is, berekend op basis van de hoofdsom waarvoor Heemwonen de aanmaning heeft verstuurd, hoger dan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief (€ 90,02).

Proceskosten in verstek en verzet

3.14.

Hiervoor is onder 3.5 overwogen dat de proceskosten van de verstekprocedure voor rekening van Heemwonen komen. De kosten van [eiser in verzet] in die procedure worden begroot op nihil. In verzet moet Heemwonen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. Desondanks zal de kantonrechter Heemwonen niet in de proceskosten veroordelen. Redengevend is daarvoor dat de vorderingen worden afgewezen door omstandigheden die zijn opgekomen nadat Heemwonen [eiser in verzet] had gedagvaard, terwijl het niet onbegrijpelijk is dat Heemwonen had besloten om [eiser in verzet] te dagvaarden. Om die reden zal de kantonrechter de proceskosten in verzet compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

verklaart het verzet van [eiser in verzet] gegrond,

4.2.

vernietigt het door de kantonrechter te Maastricht op 8 juli 2020 onder zaaknummer 8533840 CV EXPL 20-2266 tussen Heemwonen als eisende partij en [eiser in verzet] als gedaagde partij gewezen verstekvonnis,

en opnieuw rechtdoende:

4.3.

veroordeelt [eiser in verzet] om tegen bewijs van kwijting een bedrag van € 90,02 aan Heemwonen te betalen,

4.4.

veroordeelt Heemwonen in de proceskosten in verstek, aan de zijde van [eiser in verzet] gevallen en tot op heden begroot op nihil,

4.5.

compenseert de proceskosten in verzet aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.6.

wijst af het meer of anders gevorderde,

4.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Driever en in het openbaar uitgesproken.

type: MD

coll: