Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9371

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
AWB/ROE 19/2170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van dierenspeciaalzaak in hoofdwinkelcentrum tegen omgevingsvergunning voor Boerenbondwinkel met Pets Place en Vets Place. Beroep gegrond. Onvoldoende gemotiveerd dat winkelformule Boerenbond met Pets Place en Vets Place in het van toepassing zijnde beleid past. Enkele verwijzing naar in beleid genoemde voorbeelden van branches die zich vaak perifeer vestigen, waaronder een tuincentrum met dierbenodigdheden, is daarvoor onvoldoende omdat daarmee niet is gemotiveerd dat wordt voldaan aan het in het beleid genoemde uitgangspunt dat detailhandel op perifere locaties aanvullend en niet bedreigend moet zijn voor detailhandel in bestaande hoofdwinkelgebieden en aan in beleid genoemd uitgangspunt dat er geen winkels mogen komen op bedrijventerreinen, behalve onder andere boerenbondwinkels en volumineuze detailhandel. Het feit dat Pets Place in de vorm van een totaalformule is gerelateerd aan het wel toegestane gebruik van de Boerenbond is eveneens een onvoldoende motivering omdat ingevolge de omgevingsvergunning van ondergeschiktheid of nevengeschiktheid van het onderdeel Pets Place geen sprake hoeft te zijn, zodat een winkel kan worden gerealiseerd die overwegend niet-volumineuze goederen verkoopt en waarvan niet meer zonder meer kan worden gesteld dat dit een tuincentrum of boerenbondwinkel betreft als bedoeld in het beleid. Gelet op het voorgaande eveneens onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig is (welke verklaring niet nodig is voor ontwikkelingen die passen binnen het beleid).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/2170

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [vestigingsplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Oord),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Philipsen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Pets Place Boerenbond Retail B.V.,
te Horst,

(gemachtigde: mr. H.G.M. van der Westen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder aan Pets Place Boerenbond Retail B.V. (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een Boerenbond, Pets & Vets Place-winkel (hierna: de winkel) en het bevestigen van reclameborden op het adres Bremweg 2a te Horst.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Partijen hebben over en weer schriftelijk gereageerd op elkaars standpunten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2020. [naam vertegenwoordiger eiser] is als vertegenwoordiger van eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [naam vertegenwoordiger vergunninghouder] is als vertegenwoordiger van vergunninghouder verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Vergunninghouder exploiteert op het adres Bremweg 2a te Horst de winkel. Op dit adres zat voorheen een Vitelia-winkel. Het betreffende perceel is in het bestemmingsplan ‘Inter Chalet’, vastgesteld op 8 oktober 2013 (hierna: het bestemmingsplan), bestemd als bedrijventerrein en voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel – land- en tuinbouwcentrum’. Ingevolge deze bestemming is, voor zover hier relevant, op het perceel perifere detailhandel toegestaan en tevens een land- en tuinbouwcentrum. Detailhandel in de vorm van speciaalzaken is aangemerkt als verboden gebruik. Naar aanleiding van een handhavingsprocedure, waarin verweerder zich op het standpunt stelde dat de winkel vanwege het assortiment (een speciaalzaak) in strijd is met het bestemmingsplan, heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor legalisering van zijn winkel. Hij heeft daarom op 9 augustus 2018 een aanvraag ingediend voor de activiteiten:

  • -

    bouwen, omdat de aanwezige reclame wordt vervangen; en

  • -

    afwijken van het bestemmingsplan, omdat – kortgezegd – de huidige bestemming bestaat uit grootschalige detailhandel als land- en tuinbouwcentrum, en het huidige assortiment meer is gericht op particulieren.

1.2.

Verweerder heeft op 21 februari 2019 kenbaar gemaakt voornemens te zijn om op grond van artikel 2.10 en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Daarin heeft verweerder betrokken dat de winkel één winkel vormt met één kassasysteem en één personeelsbestand, waardoor Pets Place en Vets Place niet als afzonderlijke winkels of een speciaalzaak zijn aan te merken maar samen met de Boerenbond één winkel en één winkelformule vormen. Doordat het assortiment van Pets Place is gericht op de particuliere huisdierenbezitter is dit in strijd met het bestemmingsplan, wat evenzeer zo te gelden heeft voor de onder meer op Pets Place gerichte reclame-uitingen. De activiteiten van Vets Place zijn naar hun aard en invloed volgens verweerder gelijk te stellen met bedrijfsactiviteiten die rechtstreeks op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan. Omdat de aanvraag volgens verweerder is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat de activiteiten niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening is verweerder voornemens mee te werken aan deze zogenaamde buitenplanse afwijking. Tevens heeft verweerder in zijn voornemen opgenomen dat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad niet nodig is omdat uit het besluit van de gemeenteraad van 20 oktober 2015 blijkt dat deze uitsluitend nodig is als onder meer de ontwikkeling niet concreet in een visie is afgekaderd.

1.3.

Eiser heeft in reactie op dit voornemen bij brieven van 29 maart 2019 en 15 april 2019 zienswijzen ingediend.

2. De zienswijzen hebben niet geleid tot een wijziging van het eerdere voornemen. Verweerder heeft daarom bij het bestreden besluit de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.

3. Eiser is het daar niet mee eens. Onder verwijzing naar zijn zienswijze van 15 april 2019 heeft eiser zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat Pets Place en Vets Place aan te merken zijn als detailhandel c.q. een dierenspeciaalzaak, en niet als volumineuze detailhandel, waardoor dit op de locatie Inter Chalet niet is toegestaan. Eiser betwist daarnaast dat er sprake is van een land- en tuinbouwcentrum in de zin van artikel 1.40 van het bestemmingsplan. Dit brengt met zich mee dat de voorliggende ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan en het Provinciaal ontwikkelingsplan Limburg, alsmede met de uitwerking regionale detailhandelsvisie Noord-Limburg, vastgesteld op 4 juli 2017 door de gemeenteraad van de gemeente Horst aan de Maas (hierna: de detailhandelsvisie). Dat er sprake is van één kassa en een winkel-in-winkel-principe, waardoor er geen sprake meer zou zijn van een speciaalzaak, maakt dat volgens eiser niet anders, omdat detailhandel op grond van het bestemmingsplan en gemeentelijk en provinciaal beleid niet is toegestaan. De ruimtelijke effecten zijn volgens eiser ook niet vergelijkbaar omdat het vergunde gebruik volgens eiser een intensievere gebruikersdynamiek geeft dan rechtstreeks op grond van het bestemmingsplan toegestaan. Eiser wijst er verder op dat verweerder niet heeft aangetoond dat aan de voorwaarden voor beleidsmatige medewerking aan complementaire perifere detailhandel zoals benoemd in de detailhandelsvisie is voldaan. Daar komt bij dat er volgens eiser ook vanuit het Centrummanagement bezwaren van overwegende aard zijn tegen de keuze om af te wijken van het bestemmingsplan. Ter onderbouwing van die stelling heeft eiser een brief van de heer Nabben, voorzitter van het Centrummanagement, overgelegd, waaruit volgens eiser blijkt er bij de opstelling van het bestemmingsplan voor is gekozen om deze vorm van detailhandel niet toe te staan op de locatie Inter Chalet. Verder is eiser van mening dat er geen sprake is van de voortzetting van een bestaande situatie die rechtvaardigt om af te wijken van het beleid, omdat het assortiment tussen de Vitelia-winkel en de winkel verschilt. Gezien het voorgaande heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik pas verleend kan worden als verweerder bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geduid, wat verweerder in dit geval nagelaten heeft.

4. In geschil is de vraag of verweerder terecht de aanvraag om de omgevingsvergunning heeft verleend. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Juridisch kader

5. De rechtbank gaat uit van het volgende juridische kader.

5.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, staat dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

5.2.

Op grond van het bestemmingsplan geldt voor het terrein de bestemming ‘bedrijventerrein’ en – voor zover relevant – de functieaanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel - land- en tuinbouwcentrum’.

5.3.

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder g, sub 1, van het bestemmingsplan zijn de voor 'bedrijventerrein' aangewezen gronden bestemd voor perifere detailhandel en, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - land- en tuinbouwcentrum', een land- en tuinbouwcentrum.

In artikel 1.40 van het bestemmingsplan staat dat onder een land- en tuinbouwcentrum wordt verstaan: “een bedrijf dat in hoofdzaak gericht is op de verkoop van artikelen gericht op de land- en tuinbouwsector alsmede de hobby-agrariër, zoals landbouwwerktuigen, tuinonderhoud- en tuininrichtingsartikelen, dieren, dierbenodigdheden en diervoeders, plant- en zaaigoed en dergelijke.

Perifere detailhandel is volgens artikel 1.51 van het bestemmingsplan:

a. detailhandel in auto's, motoren, boten, caravans en tenten (beide laatste in combinatie met kampeerartikelen);

b. b. detailhandel in automaterialen;

c. detailhandel in keukens (inclusief inbouwapparatuur);

d. detailhandel in badkamers, sanitair en tegels;

e. bouwmarkten;

f. tuincentra;

g. (zeer) volumineuze artikelen, zoals zonwering, tuinhuisjes, buitenspeeltoestellen, zwembaden, tuinbeelden, haarden en kachels, grafzerken, (paarden)trailers, aanhangwagens etc.;

h. brand- en explosiegevaarlijke stoffen (waaronder consumentenvuurwerk), grove bouwmaterialen, landbouwwerktuigen;

i. woninginrichting (meubelen, woningtextiel, vloerbedekking, verlichting, woondecoratie).

5.4.

Ingevolge artikel 3.4.1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan wordt onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming in ieder geval verstaan detailhandel in de vorm van speciaalzaken. De gevoerde detailhandel dient deel uit te maken van het totaalconcept van een van de onderdelen 'bouwen en wonen', 'tuin' en 'land-en tuinbouwcentrum'.

De toetsingsmaatstaf

6. Niet in geschil is dat de aanvraag van vergunninghouder in strijd is met het op het perceel van toepassing zijnde bestemmingsplan omdat Pets Place en Vets Place een vorm van detailhandel betreft die niet valt onder een van de toegestane onderdelen en een dierenarts/dierenkliniek binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ niet is toegestaan. Verweerder heeft daarom bezien om of het mogelijk is om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik te verlenen. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met een bestemmingsplan, is een bevoegdheid van verweerder. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Verder geldt dat verweerder beleidsruimte heeft bij de beslissing of hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De bestuursrechter toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De rechtbank wijst in dit verband naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2182.

Het gemeentelijk beleid

7. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vestiging van een Boerenbond/Pets- en Vets-placewinkel past binnen de regionale detailhandelsvisie en het overige relevante gemeentelijke beleid. Verweerder dient immers met het beleid van de gemeenteraad rekening te houden voor zover dat bij de afweging van de ruimtelijk relevante belangen aan de orde is.

8. In de detailhandelsvisie staat als vertrekpunt dat winkels niet thuis horen op bedrijventerreinen, behalve als het gaat om verkoop van volumineuze goederen die zich lenen voor vestiging op een bedrijventerrein. Het bedrijventerrein Inter Chalet wordt getypeerd als een regionaal cluster met volumineuze detailhandel. Als voorbeeld van volumineuze detailhandel is onder meer opgenomen tuincentra (inclusief dierbenodigdheden). Ook is opgenomen dat bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein Inter Chalet de complementariteit met het centrum van Horst voorop staat. Dit betekent dat volumineuze en grootschalige detailhandel op perifere locaties aanvullend (en niet bedreigend) moet zijn voor de detailhandel in de bestaande hoofdwinkelgebieden. Bij nieuwe ontwikkelingen die vallen binnen de reikwijdte van de regionale detailhandelsvisie wordt in principe beleidsmatig meegewerkt – voor zover relevant – als er sprake is van een nieuwe formule die zich onderscheid door kwaliteit, specialisatie of gerichtheid op één of meer bepaalde doelgroepen.

9. Verweerder heeft er in de ruimtelijke onderbouwing op gewezen dat de soort detailhandel reeds is toegestaan ter plaatse (Boerenbond) en de functiewijziging alleen bestaat uit een verruiming van de doelgroep voor deze detailhandel (Pets Place) en de toevoeging van een dierenarts/dierenkliniek (Vets Place) die passend wordt geacht als onderdeel van het totaalconcept. Er is volgens verweerder sprake van een kleinschalige ontwikkeling die bijdraagt aan de kwaliteit van het perifeer gelegen winkelgebied Inter Chalet die geen negatieve effecten heeft op de bestaande regionale detailhandelsstructuur. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder verwezen naar de distributie-planologische rapportage die is bijgevoegd bij het bestemmingsplan en waaruit blijkt dat van een duurzame verstoring van de detailhandelsstructuur in Horst aan de Maas (en het welslagen van de centrumplannen aldaar) geen sprake is wanneer aan Inter Chalet het thema Dier wordt toegevoegd.

10. Partijen houdt verdeeld of Pets Place en Vets Place kan worden aangemerkt als volumineuze detailhandel zoals bedoeld in de regionale detailhandelsvisie.

11. Ten aanzien van Pets Place overweegt de rechtbank als volgt.

11.1.

Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit wordt ook wel het relativiteitsvereiste genoemd. Voor een volledig overzicht van het relativiteitsvereiste verwijst de rechtbank naar de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706. Eiser beroept zich op het gemeentelijke beleid waarin onder meer wordt ingegaan op de vraag welke detailhandel buiten het hoofdwinkelcentrum, waar eiser is gevestigd, op perifere locaties binnen de gemeente mag worden gevestigd, een en ander mede vanwege de gevolgen van die perifere vestigingen op het ondernemersklimaat in het hoofdwinkelcentrum en de aldaar gevestigde winkels. De rechtbank oordeelt gelet daarop dat het relativiteitsvereiste niet in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eiser voor zover gericht tegen het onderdeel Pets Place.

11.2.

De rechtbank stelt vast dat in de detailhandelsvisie een tuincentrum met dierbenodigdheden enkel als voorbeeld is genoemd van branches die zich vaak perifeer vestigen, zonder dat daarbij wordt aangegeven in hoeverre een dergelijke vorm van detailhandel ingevolge het beleid ook als wenselijk wordt gezien. Daar komt bij dat uit de toevoeging “met dierbenodigdheden” naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden geconcludeerd dat elke winkel waarin, gekoppeld aan volumineuze detailhandel, in welke vorm en omvang dan ook dierbenodigdheden worden verkocht, valt onder perifere detailhandel. In de detailhandelsvisie staat als beleid geformuleerd dat detailhandel op perifere locaties aanvullend en niet bedreigend moet zijn voor detailhandel in bestaande hoofdwinkelgebieden en dat winkels niet thuis horen op bedrijventerreinen, uitgezonderd de verkoop van volumineuze goederen. In de Integrale Structuurvisie 2015, waarnaar verweerder ter onderbouwing van het bestreden besluit eveneens heeft verwezen, wordt aangegeven dat er geen winkels mogen komen op bedrijventerreinen, behalve autobedrijven, bouw- en tuincentra en boerenbondwinkels. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, met de enkele motivering dat “een tuincentrum met dierbenodigdheden” in het beleid als voorbeeld is genoemd van branches die zich vaak perifeer vestigen, onvoldoende gemotiveerd dat de winkelformule Boerenbond met Pets Place en Vets Place in het door de gemeente gevoerde beleid past.

11.3.

Verweerder heeft daarnaast ter motivering van het bestreden besluit aangegeven dat Pets Place, waarbij sprake is van detailhandel die op zichzelf bezien niet als volumineuze detailhandel kan worden aangemerkt, hier als onderdeel van het totaalconcept toch passend is omdat het is gerelateerd aan het wel toegestane gebruik in de vorm van de Boerenbond. De rechtbank overweegt dat verweerder ook hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd waarom volgens hem de vestiging van Pets Place past binnen het gemeentelijke beleid. De rechtbank vindt het daarbij van doorslaggevend belang dat er in het bestreden besluit en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing in zijn geheel geen nadere eisen zijn gesteld aan de verhouding tussen Pets Place en de Boerenbond. De feitelijke verhouding tussen Pets Place en Boerenbond is momenteel ongeveer een 50/50-verdeling. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat als het assortiment van het totaalconcept vrijwel overwegend uit dat van Pets Place bestaat, dit volgens hem ook nog passend is binnen de verleende vergunning omdat er dan nog steeds sprake is van een combinatie van Pets Place en Boerenbond. Van ondergeschiktheid of nevengeschiktheid hoeft dus volgens verweerder geen sprake te zijn en dit is dan ook niet vastgelegd in de verleende vergunning. De rechtbank acht dit in strijd met de regionale detailhandelsvisie en de Integrale Structuurvisie 2015 omdat ingevolge het bestreden besluit een winkel kan worden gerealiseerd die overwegend niet-volumineuze goederen verkoopt en waarvan niet meer zonder meer kan worden gesteld dat dit een tuincentrum of boerenbondwinkel betreft als bedoeld in het beleid. Evenmin kan niet zonder meer worden gesteld dat deze winkel aanvullend en niet bedreigend is voor de winkel van eiser die is gelegen in een hoofdwinkelgebied. Bij deze beoordeling betrekt de rechtbank eveneens dat vergunninghouder ter zitting heeft toegelicht dat het mogelijk is dat er (steeds meer) diensten worden aangeboden bij de winkel die gerelateerd worden aan het toegestane gebruik, zoals het repareren en reinigen van in de winkel verkochte kleding en schoenen, het wassen en knippen van huisdieren en het verrichten van laagdrempelige veterinaire ingrepen.

11.4.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen omdat verweerder de winkelformule zoals is aangevraagd en vergund, zonder voorwaarden over ondergeschiktheid of beperkingen ten aanzien van het aandeel van de Pets Place-producten, niet zonder meer in overeenstemming met het beleid heeft kunnen achten en gelet daarop onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er desondanks sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing en desondanks medewerking is verleend.

11.5.

Uit het geconstateerde motiveringsgebrek vloeit eveneens voort dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad is gevraagd zoals bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht. Gezien het besluit van de gemeenteraad van 20 oktober 2015, waarbij categorieën van gevallen zijn aangewezen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist, is een dergelijke verklaring immers enkel niet nodig indien – voor zover relevant – de ontwikkeling concreet in een visie is afgekaderd. Ter zitting heeft verweerder daarover verklaard dat “in een visie afgekaderd” dient te worden uitgelegd als “passend binnen de kaders van een visie”. De rechtbank volgt deze uitleg omdat het bevoegd gezag bij een andere uitleg zonder verklaring van geen bedenkingen zou kunnen afwijken van een visie, zolang die afwijking maar ziet op een onderwerp waarover in die visie kaders wel zijn gesteld, welke uitleg onredelijk zou zijn. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vestiging van de winkelformule met een niet nader beperkt aandeel van Pets Place past binnen de detailhandelsvisie en structuurvisie, waardoor verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad is gevraagd.

12. Omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende is gemotiveerd, is het beroep gegrond en komt het voor vernietiging in aanmerking. In het kader van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank hieronder nog ingaan op eisers beroepsgronden over de vestiging van Vets Place en de ruimtelijke effecten door een intensievere gebruikersdynamiek.

13. Eiser heeft, als eigenaar van een winkel in dierbenodigdheden in het centrum van Horst in onderhavige procedure een concurrentiebelang dat mede betrekking heeft op het ondernemers- en detailhandelsklimaat binnen de gemeente. Met verweerder en vergunninghouder is de rechtbank van oordeel dat het eerder al genoemde relativiteitsvereiste in de weg staat aan eisers beroepsgronden jegens de vestiging van het onderdeel Vets Place. Eiser biedt zelf geen veterinaire ingrepen aan, waardoor hij ten aanzien van de vestiging van Vets Place ook geen concurrentiebelang ontleent. Het onderdeel Vets Place heeft geen ruimtelijke of andere gevolgen voor eiser. Eisers beroep op een intensievere gebruikersdynamiek strandt eveneens op het relativiteitsvereiste, omdat de ruimtelijke effecten ten gevolge hiervan zich alleen voordoen in de directe omgeving van de winkel van vergunninghouder en daarmee geen effecten hebben voor eiser. Deze beroepsgronden slagen dus niet.

Conclusie

14. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de vestiging van Pets Place - c.q. het aanbieden van producten die op zichzelf geen perifere locatie vereisen, in meer dan ondergeschikte mate aan de ter plaatse wel toegestane Boerenbond - past binnen het gemeentelijke beleid en aldus in redelijkheid niet kunnen besluiten tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. Eveneens heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom er geen verklaring van geen bedenkingen is gevraagd aan de gemeenteraad. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Er bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag van vergunninghouder dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

15. Omdat het beroep gegrond is zal de rechtbank verweerder opdragen om het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,- te vergoeden.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De proceskostenveroordeling bestaat in dit geval uit onderstaande componenten.

16.1.

Voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bedraagt de proceskostenveroordeling € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

16.2.

De rechtbank veroordeelt verweerder verder om de reiskosten van eiser te vergoeden ten bedrage van € 27,72,-.

16.3.

De door eiser gevraagde vergoeding van verletkosten van € 150,- voor het bijwonen van de zitting komt de rechtbank tenslotte niet onaannemelijk voor nu deze is opgebouwd uit 3 uren voor het bijwonen van de zitting en een bedrag van € 50,- per uur in overeenstemming is met artikel 2, eerste lid, onder e van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat verweerder wordt veroordeeld om deze te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit op de aanvraag van vergunninghouder te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal
    € 1227,72,- (€ 1.050,- + € 27,72,- + € 150,-).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mestrom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2020 .

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 30 november 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.