Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9323

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
7280643 \ CV EXPL 18-6416
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurkoop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7280643 \ CV EXPL 18-6416

Vonnis van de kantonrechter van 25 november 2020

in de zaak van:

[eiser] ,

Wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

verder te noemen [eiser] ,

gemachtigde mr. G. van Dijk,

tegen:

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij,

verder te noemen Dexia,

gemachtigde USG Legal Professionals B.V.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 juli 2020;

  • -

    de akte na tussenvonnis zijdens Dexia;

  • -

    de antwoordakte zijdens [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 22 juli 2020 is Dexia in de gelegenheid gesteld zich bij (korte) akte uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om onderhavige zaak conform het huidige toetsingskader te heroverwegen, waarmee de eerder gegeven bewijsopdracht van de baan is. [eiser] is vervolgens toegelaten tot het indienen van een antwoordakte. Beide partijen hebben zich uitgelaten.

2.2.

Dexia verzet zich tegen genoemd voornemen, nu dit voornemen onverenigbaar zou zijn met de recente jurisprudentie van de Hoge Raad en haaks zou staan op een recente conclusie van Procureur-Generaal Wissink.

2.3.

De kantonrechter verwerpt dit bezwaar en overweegt daartoe als volgt.

Zowel de recente jurisprudentie als ook de conclusie van de Procureur-Generaal Wissink waarnaar Dexia verwijst, zien op een andere tussenpersoon dan Spaar Select en daarmee op een andere uit de stukken en stellingen volgende als vaststaand aan te merken werkwijze. De uitspraak is daarmee niet zonder meer toepasselijk op de onderhavige situatie. Van andere feiten en omstandigheden die desondanks maken dat er sprake is van toepasselijkheid op de onderhavige situatie is niets gesteld of gebleken,

Dit klemt te meer nu de uitspraak van de Hoge Raad van 24 april 2020 gaat over de vraag of het inzenden van een aanvraagformulier voor een effectenleaseproduct door een tussenpersoon kan worden beschouwd als het ‘doorgeven van een order’ in de zin van de effectenwetgeving. Die vraag is thans niet aan de orde nu in het onderhavige geval sprake is geweest van advisering, zoals reeds is overwogen in het tussenvonnis van 25 maart 2020, r.o. 4.17.

2.4.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:11363.30). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

2.5.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [eiser] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

2.6.

Zoals ook reeds in het tussenvonnis van 25 maart 2020 is overwogen heeft [eiser] de overeenkomst met Dexia afgesloten via tussenpersoon Spaar Select en is tussen partijen niet in geschil dat Spaar Select niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In dat vonnis is ook reeds geoordeeld dat sprake is geweest van verboden advisering (in de zin van artikel 41 NR 1999) en dat Dexia bekend was met de algemene werkwijze van Spaar Select.

2.7.

In tegenstelling tot hetgeen in het tussenvonnis van 25 maart 2020 is overwogen ten aanzien van het leveren van tegenbewijs, overweegt de kantonrechter thans dat, gelet op de recente ontwikkeling in de jurisprudentie in de Spaar Select-zaken, zonder nadere bewijsvoering een beslissing kan worden genomen. Verwezen wordt naar ECLI:NL:RBGEL:2019:2254, ECLI:NL:RBGEL:2019:2965, ECLI:NL:RBOBR:2019:6374, ECLI:NL:RBOVE:2019:3549, ECLI:NL:GHSHE:2019:4061, ECLI:NL:RBLIM:2020:3019 en ECLI:NL:GHSHE:2020:1541. In het licht van deze rechtspraak is de aanvankelijk aangekondigde bewijsopdracht niet meer aan de orde. Hetgeen door Dexia bij akte na tussenvonnis hiertegen wordt aangevoerd is gezien, maar wijzigt niets aan dit oordeel van de kantonrechter.

aansprakelijkheid
2.8. Nu Dexia ondanks dat sprake was van verboden advisering en zij hiervan op de hoogte was toch met [eiser] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7). Deze lijn is nadien bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

2.9.

De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld doordat Dexia niet heeft geweigerd de overeenkomst met [eiser] aan te gaan, terwijl [eiser] als potentiële cliënt bij Dexia was aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn.

2.10.

De als gevolg daarvan door [eiser] geleden schade, bestaande uit de door [eiser] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus dividenduitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de betaalde restschuld dient Dexia te vergoeden. De gevorderde wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim is geraakt, zijnde de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte van de schade. [eiser] heeft geen concreet bedrag ter zake van de schade gesteld. Dit moet echter inmiddels door partijen te begroten zijn.
Ook moet rekening gehouden worden met het fiscale voordeel dat door [eiser] is genoten. Dexia stelt, na herberekening, dat dit voordeel € 1.160,09 bedraagt.

Overwogen wordt dat het aan [eiser] is, die geacht mag worden over zijn eigen fiscale informatie te beschikken, om concreet aan te geven welk bedrag aan fiscaal voordeel hij heeft genoten. Nu hij dit nalaat zal worden uitgegaan van de juistheid van het door Dexia berekende bedrag.
Dit deel van de vordering zal derhalve worden toegewezen als na te melden.

buitengerechtelijke kosten
2.11. [eiser] heeft vergoeding gevorderd van buitengerechtelijke kosten. De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, over deze kwestie uitgesproken. In het arrest is geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen.
In de procedure van partijen zijn dezelfde buitengerechtelijke werkzaamheden gesteld als die, welke in het arrest aan de orde waren, namelijk het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken (zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven), het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van de belegger en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van de belegger te kunnen bepalen, zodat ook in dit geval geen aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

uitvoerbaar bij voorraad
2.12. [eiser] vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dexia voert verweer hiertegen en verzoekt een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarbij wijst Dexia er op dat deze vordering onderdeel is van het grote aantal procedures. De financieel nadelige gevolgen voor Dexia bij een (massale) uitvoerbaar bij voorraad verklaring van betalingsveroordelingen staan niet in verhouding tot het relatieve ongemak van [eiser] om wat langer te moeten wachten op betalingen, te meer omdat [eiser] zelf al vele jaren gewacht heeft voordat de procedure is begonnen. Ook is er een restitutierisico, aldus Dexia.
heeft op dit verweer niet inhoudelijk gereageerd. Volgens vaste jurisprudentie kan aangenomen worden, dat degene, die een veroordeling tot betaling van een geldsom vordert, het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft (HR 27 februari 1998, NJ 1998/512), terwijl een daartegenover gesteld restitutierisico geconcretiseerd moet worden (HR 17 juni 1994, NJ 1994/591). Dat de executie mogelijk tot ingrijpende gevolgen leidt, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar is slechts een omstandigheid die meegewogen moet worden (HR 28 mei 1993, NJ 1993/468). Dexia heeft niet onderbouwd dat en waarom uitvoerbaar bij voorraadverklaring voor haar zal leiden tot financieel nadelige gevolgen. Het gestelde restitutierisico is niet geconcretiseerd voor wat betreft de situatie van [eiser] . Het belang van Dexia weegt niet zwaarder dan het belang van [eiser] , zodat de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring toegewezen zal worden.

proceskosten

2.13.

Nu Dexia grotendeels in het ongelijk gesteld wordt zal zij worden veroordeeld in de proceskosten. De nakosten zullen, zoals gevorderd, worden vastgesteld op € 100,00.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat,

3.2.

veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen de door hem geleden schade, bestaande uit de door hem betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus dividenduitkeringen en het fiscale voordeel ad € 1.160,09) en het niet vergoede gedeelte van de betaalde restschuld, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf het moment waarop een desbetreffend gedeelte van de betaling daadwerkelijk is voldaan tot de dag van algehele voldoening,

3.3.

veroordeelt Dexia in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op:

  • -

    dagvaarding € 98,01

  • -

    griffierecht 79,00

  • -

    salaris gemachtigde 480,00 (2 x tarief € 240,00)

totaal € 657,01

3.4.

veroordeelt Dexia in de nakosten ten bedrage van € 100,00,

3.5.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.

typ: ksf

coll: