Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9276

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
ROE 20/427
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersbesluit in Venlo. Afsluiten weg voor gemotoriseerd verkeer. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke overlast en heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het noodzakelijk is fysieke voorzieningen (in de vorm van een poller) te plaatsen om het gebied maximaal autoluw te maken. De nadelige gevolgen van het verkeersbesluit zijn niet onevenredig in verhouding tot de te dienen belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 20/427

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , wonend te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2019 (het verkeersbesluit) heeft verweerder een geslotenverklaring ingesteld voor alle motorvoertuigen voor de wegen Achter Sint Jacob, Bergstraat, Dwarsstraat, Helschriksel, Kwietheuvel, Lichtenberg, Maasschriksel en Synagogeplein (het gebied). Hierbij heeft verweerder ook besloten om de geslotenverklaring fysiek te bekrachtigen door het plaatsen van verkeersborden, een dynamische wegafsluiting en paaltjes.

Bij besluit van 7 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het verkeersbesluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiseres woont aan het [adres] in [woonplaats] . Door het verkeersbesluit, meer specifiek door het plaatsen van een dynamische wegafsluiting (een poller) op de Lichtenberg, wordt de woning van eiseres onbereikbaar voor motorvoertuigen. Dat wil eiseres voorkomen.

Wat is de reden voor het verkeersbesluit en het bestreden besluit?

2. Verweerder heeft het verkeersbesluit genomen ter voorkoming of beperking van door het verkeer veroorzaakte overlast en hinder en door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of de functie van het gebied (autoluw en verblijfsgebied). Voor bestemmingsverkeer kan een ontheffing van de geslotenverklaring worden verkregen waarmee het ook fysiek mogelijk wordt om de poller op de Lichtenberg te passeren. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen het verkeersbesluit ongegrond verklaard, omdat - kort samengevat - de belangen die zijn gediend met het verkeersbesluit volgens verweerder zwaarder wegen dan het belang van eiseres, mede omdat eiseres niet onaanvaardbaar wordt beperkt in de gebruiksmogelijkheden van haar woning.

Waarom is eiseres het niet eens met het bestreden besluit?

3. Volgens eiseres is overlast niet de reden waarom in de plannen voor de wijk Q4 (waarvan het gebied onderdeel uitmaakt) is opgenomen dat de wijk autoluw wordt gemaakt. Bovendien is in de Visie 2022 niet opgenomen dat het gebied autoluw gemaakt moet worden of dat het feitelijk moet worden afgesloten. Het vooruitlopen op de definitieve situatie in 2022 kan dan ook geen mee te wegen belang zijn. De gestelde overlast in de vorm van zoekverkeer en fout parkeren doet zich ook niet daadwerkelijk voor. Verweerder heeft de overlast niet zelf vastgesteld, maar is afgegaan op klachten van omwonenden. Het hard rijden betreft voornamelijk scooters. Het hard rijden door scooters en de gestelde overlast van drugsrunners op brommers wordt niet opgelost door het verkeersbesluit, omdat scooters en brommers niet gehinderd worden door een paaltje of een dynamische wegafsluiting. Gelet hierop was er volgens eiseres geen noodzaak om het verkeersbesluit te nemen.

3.1.

Voorts is volgens eiseres in de plannen niets opgenomen over de wijze waarop de wijk autoluw wordt gemaakt. Verweerder had daarom moeten volstaan met het plaatsen van een verkeersbord en had geen dynamische wegafzetting mogen plaatsen. Dat dit een goede oplossing is, blijkt uit het gegeven dat eerder tijdelijk een verkeersbord ‘uitgezonderd bestemmingsverkeer’ was geplaatst en dat daardoor de gestelde overlast van zoekverkeer en foutparkeerders was opgelost.

3.2.

Het verkeersbesluit is gedurende de zomerperiode gepubliceerd in (enkel) de Staatscourant. Voorts is het verkeersbesluit door verweerder uitsluitend besproken met een werkgroep. Eiseres acht het besluit daarom onzorgvuldig voorbereid.

Wat is het toetsingskader?

4. Een verkeersbesluit is vereist voor het plaatsen van verkeersborden en onderborden voor zover daardoor een gebod of een verbod ontstaat.1 Een verkeersbesluit is eveneens vereist voor het aanbrengen van voorzieningen ter regeling van het verkeer indien die maatregelen leiden tot een beperking van het aantal categorieën weggebruikers dat van de weg of een gedeelte daarvan gebruik kan maken.2

4.1.

De motivering van het verkeersbesluit moet in ieder geval vermelden welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd.3 Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.4

4.2.

In het kader van een zorgvuldige voorbereiding, dient verweerder de nodige kennis te vergaren van de relevante feiten en de af te wegen belangen.5

4.3.

Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke belangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. Verweerder heeft bij het vaststellen van het verkeersbesluit een belangenafweging gemaakt, waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. De bestuursrechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. De bestuursrechter toetst daarom slechts of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).6

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. Eiseres heeft betoogd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de daadwerkelijke overlast. Eiseres stelt voorts dat er eigenlijk geen noodzaak is voor het verkeersbesluit; het probeert een niet bestaand probleem op te lossen.

5.1.

De rechtbank merkt op dat sprake is van een verkeersbesluit en dat verweerder volgens vaste rechtspraak niet de absolute noodzaak van een dergelijk besluit hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.7

5.2.

Uit de door verweerder overgelegde verslagen blijkt dat er bewoners en ondernemers zijn die de gestelde overlast als gevolg van hardrijders en foutparkeerders ervaren. Uit de door eiseres via de Wet openbaarheid van bestuur opgevraagde stukken blijkt voorts dat in de afgelopen jaren in de straten waarop het verkeersbesluit ziet, een groot aantal boetes is uitgedeeld voor foutparkeren. Daarmee is voldoende aannemelijk dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen worden gediend.

6. Eiseres heeft voorts gesteld dat verweerder met minder vergaande maatregelen had kunnen volstaan. Verweerder heeft stilgestaan bij de mogelijkheid om het verkeersbesluit te nemen zonder tevens fysieke voorzieningen aan te brengen om het verkeer te beperken. Uiteindelijk heeft verweerder ervoor gekozen om toch fysieke voorzieningen aan te brengen, omdat zonder zodanige beperkingen meer handhavend personeel moet worden ingezet. Voorts kan dit personeel niet op elk moment van de dag aanwezig zijn. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen besluiten dat fysieke ondersteuning een geschiktere optie is om de beoogde doelen te bereiken.

7. Alhoewel eiseres dit niet met zoveel woorden heeft gesteld, vat de rechtbank het betoog van eiseres dat het verkeersbesluit uitsluitend met een werkgroep is besproken, zo op dat zij niet slechts van mening is dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, maar ook dat haar belangen onvoldoende zijn meegewogen dan wel dat het verkeersbesluit haar onevenredig hard raakt.

7.1.

In dit geval is sprake van een besluit dat tot een onbepaalde groep belanghebbenden is gericht. Immers, door het verkeersbesluit worden omwonenden, ondernemers, leveranciers en verkeersdeelnemers in het algemeen geraakt. De eis van een zorgvuldige voorbereiding gaat niet zo ver dat van verweerder bij een dergelijk besluit zou kunnen worden verwacht dat met iedere eventuele belanghebbende wordt overlegd. Desalniettemin heeft verweerder een openbare informatiebijeenkomst gehouden waarin het voorgenomen verkeersbesluit is toegelicht. Eiseres heeft daaraan ook deelgenomen.

7.2.

Voor zover eiseres heeft gesteld dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat het in de zomer in de Staatscourant is gepubliceerd, overweegt de rechtbank dat bekendmaking in de Staatscourant is voorgeschreven in artikel 26 van het Babw. Aangezien het verkeersbesluit een besluit is dat tot een onbepaalde groep belanghebbenden is gericht, rustte op verweerder geen verplichting om het besluit aan iedere belanghebbende afzonderlijk toe te zenden.8

7.3.

Het voorgaande laat onverlet dat verweerder de betrokken belangen van alle belanghebbenden dient mee te wegen voor zover hij daarmee bekend is of redelijkerwijs bekend kon zijn.

7.4.

In het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet welke belangen met het verkeersbesluit worden gediend en hoe deze belangen zijn afgewogen ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de belangen van belanghebbenden. Zo heeft verweerder toegelicht dat hij bepaalde uitgangspunten voor ogen heeft gehad bij de ontwikkeling van de wijk Q4, waaronder het maximaal autoluw maken van de wijk. Enkel bestemmingsverkeer dient toegang te hebben tot de wijk. Verweerder heeft vermeld dat met het verkeersbesluit het beperken van door verkeer veroorzaakte overlast en hinder en aantasting van het karakter of de functie van het gebied wordt beoogd.

7.5.

Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder de belangen van eiseres, concreet de bereikbaarheid van haar woning door eiseres en haar bezoek, en de nadelige gevolgen voor eiseres heeft meegewogen. Uit het bestreden besluit volgt ook dat verweerder bij de besluitvorming alle op dat moment redelijkerwijs kenbare belangen heeft meegewogen die met het besluit worden gediend en die door het besluit worden geraakt. Verweerder heeft dan ook voldoende zorgvuldigheid betracht bij het vergaren van kennis omtrent de betrokken belangen.

7.6.

Voor bewoners en ondernemers bestaat de mogelijkheid om een jaarontheffing van de geslotenverklaring aan te vragen. Aan de ontheffing kunnen maximaal tien kentekens worden gekoppeld. De gekoppelde kentekens kunnen de dynamische wegafsluiting feitelijk passeren. De kentekens kunnen voorts onbeperkt gekoppeld en ontkoppeld worden, waardoor eiseres en haar bezoek feitelijk onbeperkt de woning van eiseres kunnen bereiken. Wel is voor het aanvragen van een jaarontheffing een leges verschuldigd van € 26,00. Deze kosten zijn niet zodanig onredelijk dat eiseres in haar gebruik van haar woning ernstig wordt beperkt.

7.7.

Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het koppelen en ontkoppelen van kentekens niet gebruiksvriendelijk is en bovendien praktisch onuitvoerbaar. Iedere auto in het gebied moet namelijk een papieren ontheffing zichtbaar in de auto hebben liggen.

7.8.

De rechtbank acht het vereiste om een papieren ontheffing zichtbaar in de auto te hebben liggen in ieder geval niet zodanig onevenredig nadelig voor eiseres dat daardoor het bestreden besluit geen stand zou kunnen houden. Hetzelfde geldt voor de gebruiksvriendelijkheid van de (ont)koppelingsmogelijkheden. Beide punten zijn ongemakken, maar zij zijn niet van zodanige aard of ernst dat de nadelen onevenredig zijn ten opzichte van de met het verkeersbesluit te dienen belangen. Bovendien geldt dat het vereiste om een papieren ontheffing zichtbaar in de auto te hebben, is vastgelegd in een voorschrift verbonden aan de ontheffing. Een dergelijk voorschrift kan aan de orde worden gesteld in een aparte procedure gericht tegen de ontheffing.

7.9.

Mede gezien het bestaan van een reële ontheffingsmogelijkheid zoals hiervoor beschreven, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

Conclusie en proceskosten

8. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft dan ook in stand. Dit betekent concreet dat de geslotenverklaring van het gebied blijft gelden en dat verweerder die geslotenverklaring met fysieke maatregelen mag bekrachtigen.

9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T. Dohmen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffier.

De uitspraak is openbaar gemaakt op: 26 november 2020

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 26 november 2020

Rechtsmiddel

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

1 Artikel 15, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw 1994) en artikel 12, onderdeel c, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (het Babw).

2 Artikel 15, tweede lid, van de Wvw 1994.

3 Artikel 20 van het Babw.

4 Artikel 21 van het Babw.

5 Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).

6 Bij wijze van voorbeeld van deze vaste rechtspraak noemt de rechtbank de uitspraak van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2703 en de uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:190.

7 Als voorbeeld van deze vaste rechtspraak noemt de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:300.

8 Artikel 3:42 van de Awb.