Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9229

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
C/03/283371 / KG ZA 20-404
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbestedingsrecht. Vaststelling reële kostprijs WMO-zorg hulp bij het huishouden.

Kwaliteit van het kostenonderzoek. Gebruik rekentool VNG/Actiz. Indexering.

Artikel 5.4 Besluit van 10 februari 2017, houdende regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de continuïteit in de hulpverlening tussen de cliënt en de hulpverlener.

Er is voldoende rekening gehouden met specifieke omstandig¬heden, verbonden aan de regio waarin de hulp wordt verleend en er is voldoende acht geslagen op organisatie-specifieke aspecten die een significante impact kunnen hebben op de kostenopbouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2020-0346
Module Aanbesteding 2020/1533
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/283371 / KG ZA 20-404

Vonnis in kort geding van 24 november 2020

in de zaak van

de stichting

STICHTING MEANDERGROEP ZUID-LIMBURG,

gevestigd te Landgraaf,

eiseres,

advocaat mr. M.C.G. Nijssen,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BRUNSSUM,

zetelend te Brunssum,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE SIMPELVELD,

zetelend te Simpelveld,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VOERENDAAL,

zetelend te Voerendaal,

4. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LANDGRAAF,

zetelend te Landgraaf,

gedaagden,

advocaat mr. K.M.J.A. Smitsmans.

Partijen zullen hierna Meander en de Gemeenten genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 oktober 2020, met producties,

  • -

    de brieven van 2 en 5 november 2020 van Meander, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 10 november 2020, met de pleitnota van Meander en de pleitnota van de Gemeenten.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Meander heeft raamcontracten met de afzonderlijke Gemeenten voor het verlenen van hulp bij het huishouden aan inwoners, die daarvoor zijn geïndiceerd. Meander is niet de enige aanbieder van hulp bij het huishouden in de Gemeenten.

2.2.

Voor Landgraaf geldt dat het raamcontract is gebaseerd op een (Europese) aanbesteding in 2012, ingaand per 1 januari 2013. Op grond van de laatste verlenging, die is ingegaan op 1 januari 2019, loopt dit raamcontract tot en met 31 december 2021. Verlenging na die datum is niet meer mogelijk. Het contract kent een tarief dat jaarlijks wordt geïndexeerd.

2.3.

Medio 2019 deelt Landgraaf Meander mede dat zij zich erop beraadt om per
1 januari 2021 opnieuw de hulp bij het huishouden aan te besteden, in verband met uitfasering van de algemene voorziening.

2.4.

Meander heeft raamcontracten met Brunssum, Voerendaal en Simpelveld op basis van een (Europese) aanbesteding in 2017. De raamcontracten zijn ingegaan per 1 januari 2018 en hebben een looptijd van drie jaar, te weten tot 1 januari 2021. De raamcontracten kunnen driemaal met een jaar worden verlengd. De contracten kennen een tarief, dat jaarlijks wordt geïndexeerd.

2.5.

Aan Meander wordt op 25 juni 2020 tijdens een bespreking duidelijk dat de Gemeenten gezamenlijk per 1 januari 2021 de hulp bij het huishouden zullen aanbesteden.

2.6.

De Gemeenten hebben zich in het kostprijsonderzoek en de aanbesteding laten bijstaan door inkoopadviesbureau op het gebied van Wmo-zorg Aelmo B.V. te Beverwijk (hierna: Aelmo).

2.7.

Op 10 juli 2020 publiceren de Gemeenten op TenderNed de aankondiging dat gezamenlijk een (Europese) aanbesteding in de markt wordt gezet inzake hulp bij het huishouden per 1 januari 2021 op basis van een per gemeente af te sluiten raamcontract. Als inschrijfdatum geldt 23 september 2020.

De Gemeenten hebben voor deze raamovereenkomst een combinatietarief vastgesteld van
€ 29,59 voor 2021 (Offerteaanvraag § 4.6 Financiering, pagina 17 van 23, productie 20 bij dagvaarding)1. Bijlage 8 van de Offerteaanvraag bevat de (door VNG/ActiZ ontwikkelde) rekentool voor hulp bij het huishouden (hierna: de rekentool), waarmee de Gemeenten de kostprijs hebben bepaald. Beoordeling van de inschrijvers vindt alleen plaats op basis van het wel of niet voldoen aan de gestelde eisen binnen de offerteaanvraag (pagina 14 van 23 Offerteaanvraag, productie 20 bij dagvaarding).

2.8.

In de eerste Nota van Inlichtingen van 28 augustus 2020 zijn verschillende vragen gesteld over de door de Gemeenten gehanteerde percentages en bedragen in de rekentool. In de tweede Nota van Inlichtingen van 11 september 2020 merken de Gemeenten het volgende op ter beantwoording van vragen die een verklaring zoeken voor het niet overnemen van de suggesties en eigen opmerkingen van de potentiële inschrijvers.

“Met betrekking tot de keuze en interpretatie over de wijze van invulling van de rekentool bijlage 8, welke is gebaseerd op de cao VVT 2019-2021, hebben de gemeenten gemeend om hier, mede op basis van input van diverse, lokale zorgaanbieders, tot een verantwoorde generieke invulling te komen. Er kunnen er over de wijze van invulling, op basis van individuele situaties, verschillende opvattingen bestaan. Het uitgangspunt van de gemeenten is één generieke invulling, welke uiteindelijk heeft geleid tot het vaststellen van een toekomstbestendige, controleerbare en reële kostprijs.

Gemeenten zijn dan ook van mening dat zij middels de door hun gekozen generieke wijze van invulling en uitwerking binnen de rekentool, tot een passend tarief voor het product HbH zijn gekomen, welke in lijn ligt met de minimale uitgangspunten, zoals gesteld binnen de AMvB.”

2.9.

Meander heeft op 22 september 2020 ingeschreven op de aanbesteding.

2.10.

Brunssum, Voerendaal en Simpelveld hebben op 30 september 2020 de raamcontracten met Meander met een jaar verlengd per 1 januari 2021 tot 31 december 2021.

3 Het geschil

3.1.

Meander vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de gemeenten te verbieden de inkoopprocedure ‘Hulp bij het Huishouden’, gemeente Simpelveld, Voerendaal, Landgraaf en Brunssum SVB-2021’ voort te zetten, tenzij de gemeenten alsnog aantonen, dat het tarief van € 29,59 is gebaseerd op de reële kostprijselementen als bedoeld in de Rekentool VNG/Actiz, en aantonen dat de toe te passen indexering voldoet aan de AMvB “Reële kostprijs Wmo 2015”;

  2. de gemeenten Brunssum, Simpelveld en Voerendaal te gebieden, binnen vijf dagen na het in dezen te wijzen vonnis, de op 25 juni 2020 gestaakte dialoog met Meander over de kostprijselementen op basis van de Rekentool VNG/Actiz voor te zetten, met in achtneming van hetgeen daarover wordt overwogen in het in dezen te wijzen vonnis, als onderdeel van het gedegen onderzoek naar de vaststelling van een reële kostprijs voor hulp in de huishouding in deze gemeenten en een adequate indexering, met ingang van 1 januari 2021, de dag waarop de per exploot van
    30 september 2020 medegedeelde verlenging van de raamovereenkomst ingaat;

  3. de gemeenten Brunssum, Simpelveld en Voerendaal te gebieden deugdelijk onderzoek te doen naar de reële kostprijs voor hulp in de huishouding in deze gemeenten, met in achtneming van hetgeen daarover wordt overwogen in het in dezen te wijzen vonnis, ter bepaling van een reële kostprijs en een adequate indexering, met ingang van 1 januari 2021, de dag waarop de per exploot van
    30 september 2020 medegedeelde verlenging van de raamovereenkomsten ingaat;

  4. de gemeente Landgraaf te gebieden binnen vijf dagen na het in dezen te wijzen vonnis, de begin juni 2020 verzande dialoog met Meander over de kostprijselementen op basis van de Rekentool VNG/Actiz voor te zetten, met in achtneming van hetgeen daarover wordt overwogen in het in dezen te wijzen vonnis, als onderdeel van het gedegen onderzoek naar de vaststelling van een reële kostprijs voor hulp in de huishouding in deze gemeente en een adequate indexering, met ingang van 1 januari 2021, als onderdeel van de bestaande Overeenkomst Partnerschap bij Hulp in het Huishouden;

  5. elke voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht en die recht doet aan de belangen van Meander;

  6. aan de geboden sub 2), 3) en 4) een dwangsom te verbinden van € 100,00 per dag per gedaagde, met een maximum van € 7.500,00 per gedaagde, voor elke dag dat een gedaagde binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis geen gehoor geeft aan het betreffende gebod;

  7. de gemeenten hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, des dat de een betalende de ander in zoverre zal zijn bevrijd.

3.2.

Meander legt aan de vorderingen te grondslag dat de Gemeenten hebben nagelaten Meander te betrekken in de onderhandelingen c.q. de bepaling van het tarief per 1 januari 2021. Meander stelt dat de Gemeenten hebben nagelaten in de Offerteaanvraag een toelichting te verstrekken waarin helder is gemotiveerd op grond van welke keuzes en/of welke afwegingen, dan wel welke gemiddelden, of welke argumenten de Gemeenten hebben besloten tot vaststelling van de relevante kostprijselementen. Meander stelt dat, ómdat de gegevens van Meander, als grootste aanbieder in de regio, niet zijn betrokken bij het onderzoek naar de reële kostprijs voor hulp bij het huishouden de facto geen zorgvuldig onderzoek kan hebben plaatsgevonden. Meander stelt kortom dat de Gemeenten geen zorgvuldig onderzoek hebben gedaan naar de opbouw van de kostprijselementen in de regio, althans dat uit niets blijkt dat dit onderzoek is gedaan, zodat elke transparantie over die elementen ontbreekt. De vastgestelde kostprijs van van € 29,59 volstaat niet en is daarnaast niet adequaat geïndexeerd.

3.3.

De Gemeenten voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisendheid

4.1.

De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak. Indien de aanbesteding van hulp bij het huishouden van de Gemeenten doorgang vindt, zoals gepland, zal het daarin geboden tarief gelden vanaf 1 januari 2021. Het is in het belang van de continuïteit van de zorgverlening aan de inwoners van de Gemeenten dat voorafgaand aan de gunning c.q. voorafgaand aan de ingang van de verlengde contracten duidelijk is tegen welk tarief de aanbieders de uitgevraagde diensten zullen moeten leveren.

Ten aanzien van de reële kostprijs

4.2.

De kern van het betoog van Meander is dat het onderzoek van de Gemeenten niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Meander stelt in het kader van de aanbesteding dat de resultaten van het kostprijsonderzoek onvoldoende transparant zijn en bovendien te laat kenbaar zijn gemaakt. Meander heeft moeten inschrijven op de aanbesteding op basis van onvolledige informatie.

Meander stelt dat niet alleen een reële prijs moet worden bepaald bij de aanvang van een overeenkomst, maar ook bij een eventuele verlenging daarvan. Dat is immers een nieuw ijkmoment om te bezien of de prijzen reëel zijn. Dus zowel in het kader van de eventuele verlengingen als in het kader van de aanbesteding moet de reële kostprijs voor de komende periode worden bepaald.

1. Kostprijselementen en rekentool: kader

4.3.

In juni 2017 is in op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gebaseerde Algemene Maatregel van Bestuur Reële prijs Wmo 20152 in werking getreden (hierna: de AMvB). Dit besluit heeft ten doel dat een gemeente een reële prijs betaalt voor een Wmo-dienst, zodat de aanbieder (1) kan voldoen aan de gemeentelijke eisen aan de kwaliteit en continuïteit van de dienst en (2) kan voldoen aan de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die de dienst verleent. De AMvB stelt hiertoe nadere regels aan de al in de Wmo opgenomen verplichting om een reële prijs te hanteren. De bepaling van een reële prijs voor een voorziening wordt met dit besluit geregeld door de kostprijselementen waar het college een reële prijs op moet baseren, vast te leggen. De gemeente neemt een besluit over een reële prijs aan de hand van de kostprijselementen en de beschikbare kostprijsinformatie. Van belang is dat de gemeente bepaalde keuzes met betrekking tot kostprijselementen kan onderbouwen, zodat sprake is van transparantie over keuze en proces.

4.4.

Artikel 5.4 vormt de kern van de AMvB en vermeldt het volgende:

1. De gemeenteraad legt in ieder geval in de verordening vast dat het college een reële prijs vaststelt voor Wmo-diensten die door derden worden geleverd en dat deze prijs geldt als ondergrens voor een inschrijving in de aanbestedingsprocedure en bij de overeenkomst met een derde;

2. Het college stelt een reële prijs vast overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de dienst;

3. De reële prijs is gebaseerd op de volgende kostprijselementen:

a. Kosten van de beroepskracht;

b. Redelijke overheadkosten;

c. Kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

d. Reis- en opleidingskosten;

e. Indexatie van loon binnen een overeenkomst;

f. Kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

4. Het college heeft (ook) de mogelijkheid geen reële prijs vast te stellen en geen reële prijs als ondergrens te hanteren. Het college moet in dat geval de eis stellen aan inschrijvende partijen om een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op de kwaliteit van de betreffende voorziening en de kostprijselementen.

4.5.

De relevante bepalingen uit de vier gemeentelijke verordeningen volgen de AMvB.3

4.6.

Voor een redelijk deskundige en goed opererende zorgaanbieder (ook wel de “gemiddeld efficiënte zorgaanbieder”) wordt het tarief dat met in achtneming van genoemde kostprijselementen tot stand is gekomen in beginsel geacht kostendekkend te zijn. Op deze wijze wordt dan voldaan aan de proportionaliteitseis. Dat de verantwoordelijkheid voor een gezonde bedrijfsvoering uiteindelijk bij de aanbieder ligt en niet bij de gemeente spreekt voor zich.4

4.7.

De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft ingestemd met een door brancheverenging Actiz ontwikkelde rekentool voor het vaststellen van de kosten en het tarief (hierna: rekentool). Tussen Meander en de Gemeenten is niet in geschil dat de rekentool een geschikt instrument is om de reële kostprijs vast te stellen. Dit standpunt vindt steun in de rechtspraak5, zodat de voorzieningenrechter ervan uitgaat het gebruik van de rekentool weliswaar niet verplicht is, maar dat het wel een objectiveerbaar (hulp)middel is om tot vaststelling van reële prijzen te komen.

4.8.

Uitgangspunt bij de beoordeling is voorts, ook indien gebruik wordt gemaakt van de rekentool, dat de Gemeenten niet alleen een plicht tot kostprijsonderzoek rust, maar ook een plicht tot het delen van de informatie en afwegingen die hebben geleid tot de vastgestelde tarieven. Wordt dit inzicht gegeven dan wordt voldaan aan het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding en aan het vereiste van transparantie. Door aanbieders moet immers tijdig beoordeeld kunnen worden of de tarieven zorgvuldig tot stand zijn gekomen en welke informatie en afwegingen daaraan ten grondslag hebben gelegen. Zo wordt gewaarborgd dat alle (potentiële) aanbieders beschikken over dezelfde informatie (level playing field) én wordt voorkomen dat later blijkt dat tarieven zijn gebaseerd op aannames.

4.9.

De vraag die de voorzieningenrechter aldus moet beantwoorden is of de Gemeenten in voldoende mate aannemelijk maken dat het doorlopen proces en de vaststelling van het tarief voldoen aan de gestelde eisen.

4.10.

De voorzieningenrechter merkt op dat uit het voorgaande volgt, dat de Gemeenten in beginsel veel beleidsruimte hebben bij het bepalen van reële tarieven. De voorzieningenrechter hecht er voorts aan te benadrukken dat in kort geding geen ruimte is voor nadere bewijsvoering.

2. Kostenonderzoek

4.11.

Het onderzoek naar de kostenstructuur dat de Gemeenten dienen uit te voeren moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaraan stellen (vgl. artikel 3:14 BW). De Gemeenten dienen de relevante informatie in de markt te verzamelen. Een zorgvuldig kostenonderzoek vraagt daarom ook om openheid en medewerking van de aanbieders over de kosten die zij maken. Het gaat uitdrukkelijk niet over prijsonderhandelingen, maar om prijsconsultatie. Voorts dienen de Gemeenten een zorgvuldige afweging van belangen uit te voeren op basis van de in de wet (en de gemeentelijke verordeningen) genoemde kostprijselementen.

4.12.

Uitgangspunt voor dit kostenonderzoek is dat het bij hulp bij het huishouden (zorgvorm) gaat het om één type zorgverlener met een duidelijk omschreven niet complex takenpakket (type zorgverlener noodzakelijk voor die zorgvorm). Dat van deze dienstverleners tevens wordt gevraagd ook een signaleringsfunctie te vervullen, maakt dat niet anders. Dit aspect zal verdisconteerd (kunnen) worden in het kostprijselement opleiding.

4.13.

Uit de jurisprudentie vloeit voort dat in het onderzoek ook specifieke omstandigheden, verbonden aan de regio waarin de hulp wordt verleend, in aanmerking moeten worden genomen. Ook moet acht worden geslagen op bepaalde organisatie-specifieke aspecten die een significante impact kunnen hebben op de kostenopbouw.6

4.14.

De Gemeenten hebben bij conclusie van antwoord en ter kort gedingzitting toegelicht welke onderzoekshandelingen zij hebben uitgevoerd om de relevante data te verkrijgen. Dat dit inzicht over de onderzoeksaanpak te laat is gegeven (en zo ja, welke gevolgen dat zou moeten hebben), is niet (meer) gesteld en overigens ook niet gebleken.

4.15.

De Gemeenten hebben aangegeven dat zij – om een zogenoemd nulpunt te creëren voor een nieuw tarief – in het onderzoek hebben betrokken:

(1) de eigen ervaringen binnen het sociaal domein sinds 2007 opgedaan in het kader van hulp bij het huishouden,

(2) de op verzoek verstrekte gegevens van de gecontracteerde aanbieders, onder wie Meander, die door deze aanbieders zijn verwerkt in de rekentool,

(3) de Benchmark Care 2019 van bureau Berenschot (productie 14 bij CvA),

(4) de kamerbrief (productie 13 bij CvA),

(5) het door Aelmo uitgevoerde onderzoek naar prijzen van (a) gemeenten in de regio, en (b) zorgaanbieders in de regio.

4.16.

Meander uit ter kort gedingzitting kritiek op de punten 3, 4 en 5 zonder nader te verfeitelijken dat de Gemeenten deze benchmark, kamerbrief en dit eigen onderzoek niet in hun onderzoek zouden (hebben) mogen betrekken. Meander stelt dat het onderzoek van Aelmo in de regio ondeugdelijk zou zijn, omdat onduidelijk is welke contractsvoorwaarden in de regio gelden en omdat aanbieders worden “afgeknepen”.

4.17.

De voorzieningenrechter overweegt dat niet is onderbouwd waarom dergelijke marktgegevens niet ook gebruikt zouden mogen worden als indicatoren voor wat een reële kostprijs zou kunnen zijn. Vast staat immers dat niet enkel deze data zijn gebruikt ter onderbouwing van de keuzes binnen de rekentool. Hetzelfde geldt voor de Berenschot-benchmark en de kamerbrief. Dat deze documenten over een ander soort zorg gaan, wil niet zeggen dat ze niet relevant zijn voor de keuzes die gemaakt moeten worden binnen de hulp bij het huishouden. Niet aannemelijk is gemaakt dat door het gebruik van de uitkomsten van het Aelmo-onderzoek en de twee andere bronnen de Gemeenten relevante informatie hebben gemist, waardoor het onderzoek onvolledig en daardoor onzorgvuldig is.

4.18.

Meander formuleert met haar stellingen met name kritiek op punt 2. De voorzieningenrechter kan Meander niet volgen en overweegt als volgt.

Onweersproken is dat op 20 maart 2020 door Voerendaal, Brunssum en Simpelveld de gecontracteerde aanbieders om is input gevraagd. Ook Meander is op 20 maart 2020 gevraagd om de rekentool per 1 januari 2020 en 1 juni 2020 in te vullen en te retourneren. Meander heeft evenwel destijds op dat verzoek niet inhoudelijk gereageerd. Niet betwist is dat de overige aanbieders op 20 april en 8 mei 2020 de verzochte informatie hebben aangeleverd.

Landgraaf heeft zich op enig moment aangesloten bij de drie andere gemeenten inzake het aanbestedingstraject, in ieder geval per 9 juni 2020 (zie hierna). Meander heeft daarbij geen bedenkingen geuit. Er is geen reden (aangevoerd) waarom Landgraaf zich niet zou mogen beroepen op het door de overige drie gemeenten in het voortraject uitgevoerde kostenonderzoek.

De Gemeenten hebben daarop ingestemd met de uitgangspunten voor de aanbesteding hulp bij het huishouden 2021, waaronder de wijze van de tariefvaststelling, namelijk door gebruik te maken van de rekentool: op 26 mei 2020 (Voerendaal), 2 juni 2020 (Simpleveld en Brunssum) en 9 juni 2020 (Landgraaf). Anders dan Meander stelt, blijkt uit deze besluiten niet dat op dat moment ook de definitieve hoogte van de te hanteren kostprijs is vastgelegd. Inzicht in het onderliggende uitgangspunten-document ontbreekt overigens (zie bij de besluiten van de gemeenten, productie 27 bij dagvaarding) en nadere onderbouwing van haar stelling is door Meander in ieder geval niet verschaft.

4.19.

Meander heeft op 26 juni 2020 (pas) haar input geleverd. De voorzieningenrechter heeft geen enkele aanleiding om te moeten oordelen dat de stelling van de Gemeenten dat deze gegevens wel degelijk zijn meegenomen en zelfs hebben geleid tot enige aanpassing in de rekentool, onjuist is. Vast staat in ieder geval dat de kostprijs van € 29,59 op 10 juli 2020 vast is gelegd in de aanbestedingsdocumenten. De stelling van Meander dat geen rekening is gehouden in het kostenonderzoek met de input van de grootste gecontracteerde aanbieder van de Gemeenten, tevens de grootste regionale aanbieder moet daarom voor ongegrond worden gehouden.

4.20.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de stellingen ten aanzien van de (kwaliteit) van het kostenonderzoek geen hout snijden en niet kunnen leiden tot het oordeel dat de Gemeenten onzorgvuldig hebben gehandeld.

3. De rekentool

4.21.

Zoals gezegd dient de vast te stellen reële kostprijs de in de wet (en de gemeentelijke verordeningen) genoemde kostprijselementen te bevatten. De rekentool is een handvat om die elementen in de uiteindelijke prijs te verwerken. De voorzieningenrechter merkt op dat Meander steeds heeft benadrukt dat de rekentool door de Gemeenten zou moeten worden gehanteerd. Meander zou dan ook als geen ander bekend moeten zijn met het feit dat dit door de branche ontwikkelde instrument een hulpmiddel is. De rekentool is op onderdelen “gevuld” met suggesties aangedragen door bureau Berenschot na uitgebreid (benchmark)onderzoek. Dat het (slechts) suggesties betreft is ook in lijn met de AMvB. Daaruit vloeit immers voort dat er geen landelijke kostprijs wordt bepaald, maar dat er ruimte wordt gegeven om regionale en organisatorische verschillen te verdisconteren. Om lokaal maatwerk te kunnen leveren zal er dus aanleiding kunnen zijn om (naar boven of naar beneden) van de suggesties af te wijken.

4.22.

Dat de tarieven reëel moeten zijn, wil voorts zeggen dat bij de vaststelling van de tarieven rekening moet zijn gehouden met de sectorale uitvoeringswerkelijkheid en met de kostprijs van een ‘redelijk efficiënt functionerend’ aanbieder. De Gemeenten stellen zich blijkens het antwoord onder 78 in de tweede Nota van Inlichtingen op het standpunt dat zij een “verantwoorde generieke invulling” geven die past bij hetgeen uit het kostenonderzoek naar voren is gekomen op basis van (onder meer) de tariefinput van lokale aanbieders. Dat de gekozen kostenstructuur afwijkt van de individuele kostenstructuur van de potentiële inschrijver c.q. de aanbieders op het lopende contract is daarmee een feit dat voorzien is door de wetgever.

4.23.

Meander beklaagt zich er in wezen over dat de antwoorden op vragen in de eerste Nota van Inlichtingen niet gemotiveerd zijn en dat het antwoord 78 in de tweede Nota van Inlichtingen vervolgens onvoldoende specifiek is. De stellingen van Meander begrijpt de voorzieningenrechter dan ook zo dat, omdat niet wordt ingegaan op de specifiek aan de orde gestelde percentages en bedragen, maar volstaan wordt met een algemeen antwoord, de toelichting op die prijselementen en dus (op het tot stand komen van) de kostprijs niet transparant is.

4.24.

De verwijzing onder 78 naar een invulling op basis van de uitgevoerde marktverkenning onder lokale aanbieders is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de magere kant, maar dat uitgegaan is van tariefelementen die kenmerkend zijn voor die categorie volstaat. De Gemeenten mogen er immers vanuit gaan dat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver op het gebied van hulp bij het huishouden kennis heeft van de kostenstructuur van de gemiddeld efficiënte lokale zorgaanbieder en van de specifieke lokale omstandigheden.

Nergens is voorts de verplichting geformuleerd dat de Gemeenten verantwoording afleggen over de verschillen tussen de gekozen structuur en de suggesties in de rekentool, laat staan die van de individuele aanbieder.

4.25.

De gemeenten hebben ter zitting voorts (toch) uitgebreid toegelicht hoe en waarom de gekozen percentages en bedragen afwijken van de door Meander aangeleverde input inzake de door Meander (in de dagvaarding) specifiek benoemde onderdelen, te weten
(1) salaris en inschaling, (2) sociale lasten, (3) overige personeelskosten waaronder reiskosten, (4) overhead, (5) productiviteit, (6) marge, risico en innovatie. Dat die toelichting niet in lijn is met de Nota van Inlichtingen is door Meander ter kort gedingzitting gesteld, maar niet geconcretiseerd. Meander verwijst in de dagvaarding en ter kort gedingzitting steeds naar kengetallen uit haar bedrijfsvoering en geeft aan in te stemmen met de rekentoolpercentages, waaraan een landelijke benchmark ten grondslag ligt. Meander miskent daarmee dat de aanpak van de Gemeenten uitgaat van een “lokaal gemiddelde”, waarmee zij, onweersproken door Meander, veelal positief afwijkt van de suggesties van de rekentool. De voorzieningenrechter brengt hier in herinnering haar oordeel in rov. 4.19.

4. Indexering

4.26.

De voorzieningenrechter merkt op dat zij de opmerking van Meander dat de kostprijs in de aanbesteding van de Gemeenten niet (adequaat) wordt geïndexeerd niet kan volgen. In § 4.6 van de Offerteaanvraag is toegelicht dat de cao VVT 2019-2021 wordt gevolgd. In de eerste Nota van Inlichtingen is daarop nog een nadere toelichting gegeven. Nergens is in de wet- en regelgeving of de jurisprudentie bepaald hoe en naar welke norm geïndexeerd moet worden. Voldoende aannemelijk is dat het volgen van de cao op de wijze zoals beschreven door de Gemeenten, de prijsstijgingen in de sector hulp bij het huishouden, waar personeelskosten de grootste kostenpost vormen, afdoende compenseert.

Conclusie

4.27.

De vordering onder 1 moet worden afgewezen, omdat de voorzieningenrechter tot het oordeel komt dat de totstandkoming van de reële kostprijs voor de inkoopprocedure hulp bij het huishouden van de Gemeenten voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

4.28.

Dit betekent dat, omdat er geen signaal is dat de Gemeenten de aanbesteding en gunning niet wensen voort te zetten, vanaf 1 januari 2021 het tarief van € 29,59 gehanteerd zal worden. Dit zo zijnde, valt niet in te zien waarom aan de zijde van Meander nog belang is bij voorzetting van de kostprijsdialoog in het kader van de verlengde raamovereenkomsten van de gemeenten Brunssum, Voerendaal en Simpelveld en de lopende overeenkomst wat betreft Landgraaf, zoals gevorderd onder 2, 3 en 4.

Voor het geval de gemeenten de aanbesteding en gunning niet voortzetten, overweegt de voorzieningenrechter dat de prijzen van de tot eind 2021 verlengde raamcontracten vastliggen in eerdere aanbestedingen en er sprake is van indexering conform het CBS-indexcijfer (voor gemeente Landgraaf, productie 2 bij dagvaarding en voor gemeenten Brunssum, Simpelveld en Voerendaal, productie 3 bij dagvaarding). Meander stelt nog dat maximering van de indexering vooraf in strijd is met de AMvB, waarbij zij verwijst naar
r.o. 5.16 van het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 21 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:437. Zonder nadere toelichting die niet is gegeven, is indexering conform het CBS-indexcijfer niet gelijk te stellen aan maximering vooraf van de indexering.

De vorderingen worden dan ook afgewezen.

4.29.

Voor hetgeen wordt gevorderd onder 5 is geen grond.

Proceskosten

4.30.

Meander zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van de Gemeenten. Deze worden begroot op € 656,00 aan griffierecht en € 980,00 aan salaris advocaat.

De rente en nakosten worden toegewezen als in het dictum wordt verwoord.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Meander in de kosten van het geding aan de zijde van de Gemeenten begroot op € 1.636,00 vermeerderd met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Meander niet binnen twee weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en vermeerderd met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:119 BW, over de (na)kosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de algehele betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken.7

1 Pagina 3 van 4 van de Raamovereenkomst, productie 20 bij dagvaarding spreekt van € 29,57 voor 2021.

2 Besluit van 10 februari 2017, houdende regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de continuïteit in de hulpverlening tussen de cliënt en de hulpverlener (Staatsblad 2017, 55). De AMvB is in werking getreden op 1 juni 2017 (Staatsblad 2017, 158)

3 Zie artikel 20 VMO 2020 Landgraaf, artikel 17 VMO 2020 Voerendaal, artikel 17 VMO 2020 Simpelveld en artikel 22 VMO 2020 Brunssum.

4 Toelichting op de AMvB, pag 6. Stbl. 2017, 55.

5 Hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:437, rov. 5.21.

6 Vgl. het in het kader van complexere jeugdzorg gewezen ECLI:NL:RBDHA:2019:11096, rov 5.4: “Het hanteren van reële tarieven vergt wel degelijk dat rekening wordt gehouden met gelegitimeerde regionale of anderszins goed onderbouwde kostenverschillen.”

7 type: EvB