Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9216

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
AWB 20/ 2855
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor tijdelijke uitbreiding basisschool. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarde uit het gemeentelijke parkeerbeleid, inhoudende dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen altijd rekening dient te worden gehouden met een Kiss & Ride voorziening bij basisscholen. Voor zover daartoe parkeerplaatsen moeten worden aangelegd verwijst de parkeernota (slechts) voor de normering naar de CROW rekenregels.

Verweerder had in elk geval moeten onderzoeken of en in hoeverre er aanleiding is om in de omgevingsvergunning voor de tijdelijke uitbreiding een Kiss & Ride parkeervoorziening als voorschrift op te nemen, dan wel dat op andere wijze kan worden voorkomen dat de uitbreiding van de school leidt tot toename van parkeerproblemen bij het halen en brengen van kinderen.

Ten aanzien van het onderzoek naar de eventueel benodigde Kiss & Ride voorziening overweegt de voorzieningenrechter dat redelijkerwijs is te verwachten dat daaruit een aanvaardbare oplossing zal voortvloeien. De kans dat uiteindelijk zal blijken dat de omgevingsvergunning voor de beoogde uitbreiding in het geheel niet verleend had mogen worden, acht de voorzieningenrechter dermate klein dat hij daarin geen aanleiding ziet om een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/2855

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2020 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam 1], te Heerlen,

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder.

Als derde-partij heeft aan de gedingen deelgenomen: de gemeente Heerlen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de gemeente Heerlen (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijke uitbreiding aan het schoolgebouw van de Basisschool Windekind aan de Van Weerden Poelmanstraat 192 te Heerlen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2020. Verzoeker is verschenen in gezelschap van [naam 2] die ter zitting zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, heeft ingetrokken en zich heeft aangesloten bij het verzoek van [Naam 1].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.M.A. Huppertz.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een tijdelijke uitbreiding aan het schoolgebouw van de Basisschool Windekind aan de Van Weerden Poelmanstraat 192 te Heerlen. Het betreft een uitbreiding met vijf leslokalen, een teamkamer, en een aantal toiletten, voor de duur van vijf jaar.

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bouwwerkzaamheden, althans de voorbereiding daarvan, zijn gestart en ter zitting is gebleken dat de planning is dat binnen vier weken de uitbreiding is gerealiseerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek niet reeds vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang dient te worden afgewezen.

4. Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende bezwaar bestaat in de regel aanleiding indien het bezwaar een gerede kans van slagen heeft en de verzoeker niet zonder enig nadeel de beslissing op het bezwaar kan afwachten. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder (en de derde-partij) die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt.

5. Aan de orde is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. De aangevraagde vergunning kan slechts worden geweigerd, indien sprake is van één van de criteria opgesomd in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Een van die criteria is dat de aangevraagde situatie niet in strijd mag zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Doet geen van deze weigeringsgronden zich voor, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend (het zogeheten limitatief-imperatieve stelsel). Dat betekent ook dat gronden die niet zijn terug te voeren op één van de in artikel 2.10, eerste lid, opgesomde criteria, niet kunnen leiden tot het oordeel dat de vergunning niet had mogen worden verleend. De voorzieningenrechter laat daarom dan ook de gronden die betrekking hebben op onderwijskundige regelingen buiten bespreking.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen gronden heeft aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de ten behoeve van de tijdelijke uitbreiding van het schoolgebouw te bouwen vijf leslokalen en een teamkamer (plus toiletten) in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan “Heerlen-Zuid”, het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening (of welstandsaspecten). In zoverre is er dan ook geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeker heeft gesteld dat vooraf constructief overleg met de omwonenden wenselijk was geweest. Dat kan niet worden ontkend maar door de aard van de besluitvorming (een zogenoemde gebonden beschikking) kan een tekortkoming daarin niet leiden tot de conclusie dat de omgevingsvergunning een gebrek vertoont dat noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Ook verzoekers argument dat een uitbreiding met drie lokalen voldoende is om de toename van 60 kinderen te huisvesten slaagt niet, omdat -daargelaten de juistheid van die stelling- dit niet tot de conclusie kan leiden dat een uitbreiding met vijf lokalen en een teamkamer in strijd is met het bestemmingsplan.

De bereikbaarheid van de school is een (ruimtelijk) aspect dat bij de totstandkoming van het geldende bestemmingsplan aan de orde is geweest en speelt geen rol (meer) bij de nu verleende omgevingsvergunning voor bouwen.

Voor zover verzoeker heeft aangevoerd te vrezen voor het cumulerend effect van het geluid van de te plaatsen ventilatoren met overige geluidsbronnen, wordt dit niet beheerst door het Bouwbesluit 2012, maar door het Activiteitenbesluit milieubeheer (waaraan vergunninghouder ook dient te voldoen). Dat laatste behoort bij de verlening van onderhavige omgevingsvergunning niet tot het toetsingskader.

Verzoekers stelling dat de teamkamer anders (voor buitenschoolse opvang) zal worden gebruikt kan evenmin grond zijn om de vergunningverlening als onrechtmatig te beoordelen. Bij die beoordeling komt namelijk aan de orde wat is aangevraagd en dat is een teamkamer. Als vergunninghouder (of de school) de ruimte anders gebruikt dan waarvoor die is aangevraagd is dat een handhavingskwestie.

7. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat de omgevingsvergunning ten onrechte ook voorziet in zes (extra) parkeerplaatsen op de bestemming “Maatschappelijke doeleinden”. Volgens verzoeker is een verharding weliswaar in het bestemmingsplan genoemd als toegestane functie maar heeft deze betrekking op gebruik voor bijvoorbeeld schoolpleinen en toegangspaden maar niet op gebruik als parkeerplaatsen, hetgeen volgens hem volgt uit het feit dat deze functie, anders dan bij sommige andere bestemmingen, bij “Maatschappelijke doeleinden” niet expliciet is benoemd.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Op grond van het facetbestemmingsplan ‘Stedenbouwkundige bepalingen Heerlen’ is voorwaarde dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen dient vast te staan dat voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand gehouden. Nu verharding op de betreffende percelen is toegestaan zonder dat daaraan enige specifieke beperking qua gebruik is verbonden, is er geen grond om aan te nemen dat gebruik van die verharding als parkeerplaatsen in zijn algemeenheid niet in overeenstemming is met de bestemming “Maatschappelijke doeleinden” en ook met de bedoelde voorwaarde uit het facetbestemmingsplan, kan zijn. Juist nu het gebruik van deze zes extra parkeerplaatsen kennelijk is voorbehouden aan leerkrachten van de school (en andere medewerkers) is daarmee bevestigd dat het gebruik van de parkeerplaatsen valt onder de op die percelen rustende bestemming. Verder blijkt ook niet uit (de overige bepalingen van) het bestemmingsplan dat parkeren slechts is toegestaan als expliciet is bepaald dat binnen een bestemming parkeren is toegestaan. Niet gesteld of gebleken is dat met het aanleggen van zes extra parkeerplaatsen in verband met de aangevraagde uitbreiding niet is voldaan aan de, ingevolge genoemd facetbestemmingsplan in verbinding met de “Parkeernota Heerlen” geldende norm van één parkeerplaats per klaslokaal.

Verweerder heeft ter zitting verklaard bereid te zijn met de omwonenden nogmaals te bekijken of de zes extra parkeerplaatsen wellicht beter iets anders gesitueerd zouden kunnen worden op een wijze waardoor aan de groenvoorziening minder afbreuk wordt gedaan.

De voorzieningenrechter is overigens van oordeel dat in de beslissing op bezwaar de voorwaarde uit het facetbestemmingsplan van het realiseren van parkeerplaatsen op eigen terrein, en het gebruik door personeel, ook als voorschrift aan de verleende omgevingsvergunning dient te worden verbonden. Het opnemen van de parkeerplaatsen op de tekening, die onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning, is onvoldoende om aan de voorwaarde uit het facetbestemmingsplan te voldoen. Aanleiding om daarvoor een voorlopige voorziening te treffen is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet omdat dit gebrek eenvoudig, en zonder (procedureel) nadeel voor verzoeker, te herstellen is.

8. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat in strijd met de geldende regels geen onderzoek is gedaan naar een Kiss & Ride voorziening. De hiermee samenhangende overlast is voor verzoeker het zwaarst wegende argument om bezwaar te maken tegen de tijdelijke uitbreiding.

Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt toegelicht en betoogd dat de Parkeernota Heerlen weliswaar bepaalt dat bij een basisschool rekening gehouden dient te worden met een Kiss & Ride voorziening en daartoe verwijst naar de rekenregels van het CROW, maar dat in de desbetreffende CROW-publicatie wordt afgeraden om daartoe parkeerplaatsen aan te leggen. Volgens verweerder is er daarom voor dat doel geen parkeervoorziening opgenomen.

Het facetbestemmingsplan verwijst voor de normering van parkeervoorzieningen naar de eerdergenoemde beleidsnota ‘Parkeernota Heerlen’. In de parkeernota is ten aanzien van de normen voor ‘zorg, onderwijs en overig’ bepaald dat bij een basisschool, crèche of kinderdagverblijf altijd rekening dient te worden gehouden met een Kiss & Ride voorziening en dat hiervoor de rekenregels van het CROW worden gebruikt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarde uit het gemeentelijke parkeerbeleid, inhoudende dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen altijd rekening dient te worden gehouden met een Kiss & Ride voorziening bij basisscholen. Voor zover daartoe parkeerplaatsen moeten worden aangelegd verwijst de parkeernota (slechts) voor de normering naar de CROW rekenregels. Dit betekent dat verweerder in elk geval had moeten onderzoeken of en in hoeverre er aanleiding is om in de omgevingsvergunning voor de tijdelijke uitbreiding een Kiss & Ride parkeervoorziening als voorschrift op te nemen, dan wel dat op andere wijze kan worden voorkomen dat de uitbreiding van de school leidt tot toename van parkeerproblemen bij het halen en brengen van kinderen. Daarbij komt gewicht toe aan het feit dat in de aanvraag voor de omgevingsvergunning sprake is van een leerlingenaantal van 390 en dat de tijdelijke uitbreiding van het schoolgebouw niet alleen een oplossing moet zijn voor interne problemen, maar ook voor terugkeer van leerlingen die thans elders ondergebracht zijn. Bij het voorgaande dient enerzijds rekening te worden gehouden met de toename van het aantal leerlingen dat met de uitbreiding van de school mogelijk wordt (ook al wordt daar op korte termijn niet naar gestreefd), maar het is anderzijds zo dat een eventueel tekort aan parkeerplaatsen in de bestaande situatie buiten beschouwing mag worden gelaten. Verweerder zal met inachtneming van het voorgaande in het kader van de beslissing op het bezwaar dienen te onderzoeken of, en zo ja in welke omvang, de aanleg van parkeerplaatsen voor een Kiss & Ride voorziening nodig is. De verleende omgevingsvergunning voor de tijdelijke uitbreiding is dan ook naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in zoverre in strijd met het geldende facetbestemmingsplan en het gemeentelijke parkeerbeleid.

9. In zoverre is er sprake van een gebrek in het besluit ten aanzien waarvan door verzoeker een voorlopige voorziening is gevraagd. De voorzieningenrechter weegt vervolgens de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder en vergunninghouder die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt.

Verweerder, vergunninghouder, de school en de leerlingen hebben een zwaarwegend belang bij voortgang van de bouwwerkzaamheden en verzoeker heeft ter zitting verklaard ook niet echt tegen de tijdelijke uitbreiding van het schoolgebouw te zijn, terwijl de voorzieningenrechter hiervoor voorlopig heeft geconcludeerd dat de verleende omgevingsvergunning in zoverre niet onrechtmatig is. Ten aanzien van het onderzoek naar de eventueel benodigde Kiss & Ride voorziening overweegt de voorzieningenrechter dat redelijkerwijs is te verwachten dat daaruit een aanvaardbare oplossing zal voortvloeien. De kans dat uiteindelijk zal blijken dat de omgevingsvergunning voor de beoogde uitbreiding in het geheel niet verleend had mogen worden, acht de voorzieningenrechter dermate klein dat hij daarin geen aanleiding ziet om een voorlopige voorziening te treffen.

10. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.

griffier

De voorzieningenrechter is buiten staat om de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 november 2020.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.