Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9192

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
AWB 20/2642 en 20/2857
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het schorsen van de verleende kapvergunning voor 16 bomen nabij het Gemmaklooster. Er is naar voorlopig oordeel geen reden om aan te nemen dat een van de weigeringsgronden voor de kapvergunning zich voordoet.

Verweerder heeft het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd wat betreft de vraag of in dit geval rekening moet worden gehouden met de luchtzuiverende kwaliteiten van de bomen en wat betreft de belangenafweging, maar de voorzieningenrechter acht dit in dit geval niet zo zwaarwegend dat het moet leiden tot het schorsen van de verleende vergunning omdat er geen reden is om aan te nemen dat het bestreden besluit onder aanvulling van de motivering niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 20/2642 en 20/2857

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2020 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S.J.H.G.M. Schils),
samen hierna: verzoekers.

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vereniging van Eigenaars Leyenbroekerweg 52 Sittard te Rotterdam, vergunninghoudster,

(gemachtigde: ir. J. Pennings).

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de Vereniging van Eigenaars Leyenbroekerweg 52 te Sittard een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van bomen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid onder g. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2020. Verzoekster is verschenen samen met haar partner de heer [naam partner] . Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich, voorafgaand aan de zitting, afgemeld. Voor vergunninghoudster zijn de gemachtigde en de heer [naam 1] verschenen.

Overwegingen

Waarover gaat deze uitspraak?

1. Vergunninghoudster heeft op 31 maart 2020 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het project ‘het kappen van 16 bomen’ bij het [naam 2] aan de [adres] te [plaats] . Verweerder heeft de vergunning verleend.

1.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het onderhavig geding enkel de verleende omgevingsvergunning van 8 september 2020 voor ligt. De omgevingsvergunning van 1 mei 2018 die ziet op de parkeerplaatsen ligt niet voor en de gronden gericht tegen deze omgevingsvergunning zal de voorzieningenrechter buiten beschouwing laten.

1.2.

In deze uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter over het verzoek om de vergunning te schorsen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.3.

De voorzieningenrechter stelt vast - dit is ook niet in geschil - dat sprake is van een spoedeisend belang omdat vergunninghoudster voornemens is om de bomen zo spoedig mogelijk te kappen.

Waarom zijn verzoekers het niet eens met de vergunning?

2. Verzoekster heeft, desgevraagd, ter zitting haar gronden van het verzoek samengevat en aangevoerd dat zij het met name niet eens is met de verleende vergunning om twee redenen. Als eerste noemt zijn het uitzicht vanuit haar woning en tuin. Aan de voorzijde van de woning van verzoekster zijn een aantal jaren geleden de bomen al gekapt. Ook heeft zij aan de voorzijde van haar woning al een parkeerplaats. Door de verleende vergunning heeft verzoekster straks ook aan de achterzijde geen bomen meer en een parkeerplaats. Daarnaast vindt verzoekster de luchtkwaliteit van belang.

2.1.

Verzoeker betwist dat artikel 4.12a van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Sittard-Geleen (APV) niet tot weigering van deze vergunning leidt. Verzoeker wijst er op dat de 16 bomen zich direct naast de [naam 3] bevinden, hetgeen een voornaam onderdeel van het [naam 2] is. Op grond van het gemeentelijke bomenbeleidsplan 2013 van de gemeente Sittard-Geleen (paragraaf 7.2) worden bomen bij kruisen en kapellen als waardevolle bomen bezien. Verder heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat de stelling van verweerder dat de bomen niet voorkomen op de lijst van monumentale en waardevolle bomen en dat dit daarom geen weigeringsgrond oplevert niet juist is. Immers, voornoemde lijst betreft nadrukkelijk een lijst met monumentale en waardevolle bomen die voorkomen op gemeentegronden. Particuliere gronden en dus ook onderhavige bomen zijn dus niet meegenomen. Ook betwist verzoeker dat het project voldoende concreet is voor wat betreft de inrichting van de parkeervoorzieningen op het terrein en dus is volgens verzoeker onvoldoende duidelijk of 8 van de 16 bomen, die zouden moeten wijken voor de parkeervoorzieningen, daadwerkelijk een belemmering voor het parkeerproject vormen.

Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat het beroep op het belang van de onderhavige bomen op de luchtkwaliteit en het voorkomen van hittestress ter plaatse te herleiden zijn tot de in artikel 4:12a van de APV genoemde waarden voor het milieu (sub a) en de leefbaarheid (sub f). Verweerder heeft ten onrechte, in het kader van de belangenafweging, deze onderdelen in het bestreden besluit buiten beschouwing gelaten.

2.2.

Ook verwijst verzoeker naar het vigerende bestemmingsplan “Kollenberg” en de daarin opgenomen bestemming ‘Maatschappelijk’ die geldt voor het perceel waar de bomen staan. In artikel 10.1 van de betreffende planregels wordt vermeld: “De gronden binnen deze bestemming zijn tevens bestemd voor de doeleinden en bouwmogelijkheden die in artikel 16, 17 en 18 voor de betrokken bestemming zijn aangegeven, inclusief de daarin opgenomen afwijkingsbevoegdheden en/of omgevingsverqunningvereisten.” Verzoeker leest voornoemde planregel zo dat de vergunningplicht voor het uitvoeren van werkzaamheden als opgenomen in de bestemmingen “Archeologie”, “Stedenbouwkundige Karakteristieken” en Beschermingszone Primair Water” onverkort in de bestemming “Maatschappelijk” van toepassing is, zodat in tegenstelling tot wat verweerder stelt de omgevingsvergunning ook betrekking moet hebben op de activiteit ‘het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’.

Artikel 16.4.1 onder a van de planregels bepaalt dat het verboden is om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden te vergraven, af te graven dan wel te egaliseren dieper

dan 0,30 meter. Algemeen bekend is dat wortels van essen in de huidige vorm en leeftijd een wortelstelsel hebben dat dieper reikt dan 0,30 meter in de bodem en dat om de wortels van onderhavige bomen in de grond te verwijderen dus dieper (af)gegraven zal moeten worden dan 0,30 meter. Verweerder heeft ten onrechte in het bestreden besluit beslist dat voor de activiteit ‘het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ geen vergunning nodig is.

2.3.

Tot slot heeft verzoeker een tegenonderzoek betreffende de bomen van 11 november 2020 en een artikel uit het Dagblad de Limburger van 11 november 2020 overgelegd.

Wat is de wettelijke grondslag?

3. Verzoekers zijn het niet eens met het bestreden besluit en hebben hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de gronden van de verzoeken of redelijkerwijs verwacht kan worden dat het bestreden besluit in bezwaar in stand kan blijven. De voorzieningenrechter verricht deze beoordeling aan de hand van de Wabo en de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Sittard-Geleen (APV).

3.1.

Op grond van artikel 4.11, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen. Niet in geschil is dat dit verbod van toepassing is.

Op grond van de Wabo kan deze (omgevings)vergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Artikel 4.12a van de APV luidt als volgt:

1. De vergunning kan worden geweigerd, dan wel onder voorschriften worden verleend in het belang van onder meer:

a. natuur- en milieuwaarden van de houtopstand;

b. landschappelijke waarden van de houtopstand;

c. waarden van stads- en dorpsschoon van de houtopstand;

d. houtopstand gelegen in een beschermd natuurmonument in de zin van de natuurbeschermingswet;

e. cultuurhistorische waarden van de houtopstand;

f. waarden voor recreatie en leefbaarheid van de houtopstanden.

2. Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of het onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

Zij verwijst zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen en de daarin vermelde in het eerste lid genoemde waarden.

3. Voor houtopstanden voorkomende op de gemeentelijke lijst van monumentale en waardevolle bomen (zie ook artikel 4.12f, eerste lid) wordt in beginsel geen vergunning verleend.

4. Een vergunning kan worden geweigerd indien de uitvoering van projecten nog niet voldoende concreet is of benodigde toestemmingen nog niet definitief zijn.

5. Een vergunning kan worden geweigerd indien de aanvrager van de vergunning niet, of niet tijdig, of niet volledig de aanwezigheid heeft gemeld van een monumentale en waardevolle boom of anderszins waardevolle houtopstand aan het bevoegd gezag.

6. Een vergunning kan worden geweigerd indien het ingediende groenplan niet door het bevoegd gezag is goedgekeurd.

3.2.

Bij de beoordeling van de vraag of in verband met de belangenafweging aanleiding is de gevraagde vergunning te weigeren, heeft verweerder beoordelingsruimte. Dat betekent dat het de vraag is of verweerder in zijn nog te nemen beslissingen op de bezwaren na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het handhaven van de kapvergunning kan komen. Hebben de bezwaren een redelijke kans van slagen, dan is er grond voor toewijzing van de gevraagde schorsing van de verleende vergunning.

Is de vergunning voldoende gemotiveerd?

4. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het oogpunt van een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor het kappen van bomen ter beoordeling van de waarden als bedoeld in artikel 4:12a van de APV mag worden verwacht dat een inventarisatie wordt gemaakt van de desbetreffende bomen, dat op deskundige wijze wordt vastgesteld wat de waarde van de bomen is en wordt bezien of een eventueel verlies aan bomenwaarde via herplanting gecompenseerd kan worden. In verband met de kenbaarheid en toetsbaarheid van een dergelijk onderzoek mag tevens worden verwacht dat daarvan een rapport wordt opgemaakt, waarin de vastgestelde boomwaarde en eventuele compensatiemogelijkheden inzichtelijk worden gemaakt. Vervolgens dient het aldus beoordeelde belang van de boomwaarden te worden afgewogen tegen het belang van de aanvrager bij het kappen van de boom.

5. Verzoekers hebben een beroep gedaan op de weigeringsgronden onder a, b, c en f van artikel 4.12a, eerste lid, van de APV en op het tweede en derde lid van artikel 4.12a van de APV.

Natuur- en milieuwaarden van de houtopstand (lid 1 a) en de boomwaarde (lid 2)

6. De voorzieningenrechter overweegt dat indien een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op handelingen waarvoor één of meer van de bij of krachtens de Wet natuurbescherming gestelde verboden gelden, de aanvrager van een omgevingsvergunning ervoor moet zorgen dat die aanvraag tevens betrekking heeft op die handelingen.

Het verkennend natuurwaardeonderzoek van bureau Verbeek van 13 augustus 2020 brengt in kaart wat voor de Wet natuurbescherming de gevolgen zijn van de kap van de bomen. In dit natuurwaardeonderzoek is een aantal maatregelen opgenomen. Rekening houdend met de te treffen maatregelen wordt voldaan aan de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Verder zijn de aangetroffen beschermde natuurwaarden in het onderzoeksgebied en de mogelijk aanvullend aanwezige beschermde soorten en gebiedsfuncties niet van dien aard dat de voorgenomen ingreep strijdig is met de doelstelling van de Wet natuurbescherming. Om die reden is het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming voor de voorgenomen ingreep niet nodig, mits uitvoering wordt gegeven aan de maatregelen die zijn opgenomen in
paragraaf 5.1. van het natuurwaardeonderzoek van bureau Verbeek.

6.1.

Vergunninghoudster heeft onderzoek laten verrichten naar de staat van de betreffende bomen door een deskundige, de heer E. Mercx. De deskundige heeft op
11 juli 2020 een visuele controle uitgevoerd en is tot de conclusie gekomen dat de te vellen bomen (essen) binnen 10 jaar geheel of gedeeltelijk dood gaan. De bomendeskundige van verweerder onderschrijft deze conclusie.

Verzoeker heeft een tegenonderzoek overgelegd van de Algemene Bomendienst Limburg van 11 november 2020. Uit dit rapport blijkt dat de te vellen bomen, tenzij essentaksterfte toeslaat, een levensverwachting hebben van 10 tot 15 jaar.

6.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat het verkennend natuurwaardeonderzoek, het advies van de heer E. Mercx alsmede het advies van de bomendeskundige van verweerder onzorgvuldig tot stand zijn gekomen dan wel dat de rapporten niet inhoudelijk concludent zijn, zodat verweerder het natuurwaardeonderzoek en de adviezen aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Het tegenonderzoek dat door verzoeker is ingebracht ondersteunt geen andersluidende veronderstelling.

6.3.

Gelet op het voorgaande is er naar voorlopig oordeel geen aanleiding om te veronderstellen dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet in stand kan blijven.

Landschappelijke waarden en waarden van stads- en dorpsschoon van de houtopstand (lid 1 b en c)
7. Verweerder stelt ten aanzien van de landschappelijke waarden dat de te vellen bomen vanaf de openbare weg slechts deels zichtbaar zijn. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Tijdens de mondelinge behandeling hebben verzoekers en de gemachtigden van vergunninghoudster, middels een luchtfoto, de feitelijke situatie geschetst.
De bomen aan de Beukeboomweg zijn direct zichtbaar vanaf de openbare weg.
Deze bomen worden echter niet gekapt. De voorzieningenrechter volgt verweerder dan ook in haar standpunt dat de te vellen bomen vanaf de openbare weg slechts deels zichtbaar zijn. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunning niet in stand kan blijven bij de beslissing op bezwaar.

Waarden voor recreatie en leefbaarheid (lid 1 f)

7.1.

Met betrekking tot het standpunt van verzoekers dat verweerder ten onrechte de luchtkwaliteit, hittestress en afwaterings(overlast) niet heeft betrokken in de afweging over de weigeringsgrond van het eerste lid onder f van artikel 4:12a, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In de toelichting op artikel 4:12a, eerste lid, staat dat “aan de hand van de in lid 1 genoemde criteria bijvoorbeeld rekening kan worden gehouden met (...) de natuurwetenschappelijke betekenis van houtopstand, bijvoorbeeld doordat daarop zeldzame epifytische of terrestrische planten groeien, hetzij hogere planten dan wel mossen of korstmossen, de luchtzuiverende kwaliteiten, de invloed op de bodemhuishouding en het microklimaat en de nestel- of schuilgelegenheid voor bepaalde diersoorten.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier om een kan-bepaling gaat en dat verweerder dus beleidsruimte heeft. Verweerder kan rekening houden met de ‘luchtzuiverende kwaliteiten’. Dit hoeft echter niet te betekenen dat de luchtzuiverende kwaliteiten van onderhavige bomen zodanig zijn dat gelet daarop verweerder in redelijkheid de kapvergunning bij de beslissing op bezwaar niet in stand kan laten. Hoewel verweerder het bestreden besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd, acht de voorzieningenrechter dit aspect niet zo zwaarwegend dat het moet leiden tot het schorsen van de verleende vergunning.

Waarde van de bomen

8. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de bomen als monumentale of waardevolle bomen te bestempelen. Niet in geschil is dat de bomen niet ouder zijn dan 80 jaar en om die reden niet als monumentaal kunnen worden geacht. Daarnaast blijkt weliswaar uit het gemeentelijke bomenbeleidsplan 2013 dat bomen bij kruisen en kapellen waardevolle bomen zijn, maar de voorzieningenrechter acht aannemelijk dat hiermee, hoewel dat er niet met zoveel woorden staat, is gedoeld op bomen bij wegkruisen en –kapellen en niet bij een kapel als de onderhavige. Bovendien liggen de te vellen bomen 40 meter van de ingang van de kapel. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat dit niet in de ‘directe’ nabijheid van de kapel is. Verder komen de bomen ook niet voor op de lijst met monumentale en waardevolle bomen van 19 december 2018. Dat betreffende bomen op privégrond staan en de lijst enkel bomen noemt die op gemeentelijke grond staan acht de voorzieningenrechter niet van belang in het kader van artikel 4.12a, derde lid, van de APV. Met deze weigeringsgrond is bedoeld aan te geven dat bomen op de waardevolle bomenlijst in beginsel niet mogen worden gekapt en zegt niets over bomen op privégronden, waarvoor de andere weigeringsgronden van belang kunnen zijn.

Inrichting van het terrein en noodzaak van de kap

9. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het project voldoende concreet is. Er is een omgevingsvergunning verleent voor het project ‘het kappen van bomen’ voor de activiteit het (doen) vellen van een houtopstand van 16 essenbomen op het perceel [adres] te [plaats] . De essen worden geveld ten behoeve van de aanleg van 15 parkeerplaatsen. De 15 parkeerplaatsen vloeien voort uit de omgevingsvergunning van
1 mei 2018. Dat de precieze toekomstige invulling van het terrein nog niet concreet is, wat daarvan ook zij, betekent niet dat verweerder de kapvergunning niet had mogen verlenen. Noodzaak van de kap is blijkens de APV geen criterium voor het kunnen verlenen van een kapvergunning voor onderhavige bomen.

Vergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden op grond van het bestemmingsplan

10. Verzoekers hebben aangevoerd dat de omgevingsvergunning ook moet zien op de activiteit ‘het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ gelet op het bestemmingsplan ‘Kollenberg’. De voorzieningenrechter volgt verweerder in diens uitleg dat de zin dat de gronden binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ tevens bestemd zijn voor de dubbelbestemmingen inclusief de daarin opgenomen omgevingsvergunningvereisten, een algemene zin is die bij elke bestemming is opgenomen en dat daaraan niet de betekenis toekomt die verzoekers daaraan geven. In dit verband komt doorslaggevend gewicht toe aan de plankaart waaruit blijkt dat de betreffende dubbelbestemmingen niet op deze gronden rusten. Dat betekent dat ook de in de artikelen die zien op deze dubbelbestemmingen opgenomen vergunningplichten niet gelden voor de gronden waarop de bomen staan. Voornoemde zin kan daaraan niet afdoen.

Belangenafweging

11. Uit het standpunt van verweerder leidt de voorzieningenrechter af dat verweerder van mening is dat sprake is van een gebonden beschikking. De weigeringsgronden zijn echter niet limitatief-imperatief geformuleerd. De APV verplicht verweerder niet tot verlening van de vergunning indien geen van de weigeringsgronden zich voordoet. Dat betekent ook dat verweerder gehouden is een belangenafweging te verrichten op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bestreden besluit geeft slechts beperkt blijk van een dergelijke belangenafweging, met name waar het betreft de belangen van omwonenden. Gelet op hetgeen vanuit verzoekers, verweerder en vergunninghoudster is gesteld, ziet de rechtbank echter naar voorlopig oordeel geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit, onder aanvulling van de motivering, niet in stand kan blijven bij de beslissing op bezwaar.

Is er aanleiding om de vergunning te schorsen?

12. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat verweerder in redelijkheid de omgevingsvergunning in bezwaar niet in stand kan laten, onder aanvulling van de motivering.

Conclusie

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Haddoumi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.

griffier

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 november 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.