Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9128

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
C/03/283700 / KG ZA 20-418
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het meest verstrekkende verweer dat er geen sprake is van een voorlopige voorziening wordt verworpen. Ook in kort geding kan een voorziening op grond van artikel 3:300 lid 2 BW worden toegewezen (HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR: 2002:AE4380). Gedaagde heeft niet toereikend onderbouwd op welke grond zij niet tot notariële levering van haar aandeel in de woning aan de erfgenamen gehouden is. De voorzieningenrechter acht daarom aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat gedaagde gehouden is om medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in de woning aan de erfgenamen door tussenkomst van een notaris. De voorzieningenrechter wijst het gevorderde toe en bepaalt dat het vonnis in de plaats komt van de voor de levering van het onroerende goed noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van gedaagde indien gedaagde niet voldoet aan veroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/283700 / KG ZA 20-418

Vonnis in kort geding van 13 november 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. P. Winkens te Hoensbroek,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. E. Meuwissen te Sittard.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 oktober 2020 met vier producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [overlijdensdatum] is overleden heer [erflater] . Hij was de broer van [eiseres] en de ex-echtgenoot van [gedaagde] .

2.2.

[gedaagde] en de heer [erflater] waren op 10 februari 1995 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Zij hebben tijdens het huwelijk gewoond in de echtelijke woning, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna te noemen: de woning). Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 februari 2010 op 4 maart 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Onderdeel van de echtscheidingsbeschikking is het echtscheidingsconvenant van 28 januari 2010 waarin onder andere is te lezen:

Artikel 4 Echtelijke woning

1. De echtelijke woning, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] , betreft een woning die partijen in eigendom hebben.

2. De woning is in 2006 gekocht voor een bedrag van € 143.000,-- k.k. en wordt thans gewaardeerd op een bedrag van circa € 150.000,--. De hoogte van de hypotheek op de echtelijke woning bedraagt € 150.000,--.

3. De echtelijke woning zal aan de man worden toebedeeld. De hypotheekschuld bij de MNF Bank NV (blijkens de hypotheekakte d.d. 09-10-2006) wordt eveneens aan de man toebedeeld. De man zal er zorg voor dragen dat de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen wordt.

4. Ter zake van de toedeling van de echtelijke woning aan de man vindt bij echtscheiding geen verrekening plaats.

5. Indien de man de woning verkoopt vóór 1 oktober 2012 en het tussen en het huis alsdan meer opbrengt dan € 150.000,--, dan zal de overwinst tussen partijen gelijkelijk verdeeld worden. In dat geval zal ook de opbrengst van de overlijdensrisicoverzekering gelijkelijk tussen partijen verdeeld worden.

6. Indien de man het huis ná 31-10-2012 verkoopt, vindt geen verrekening met de vrouw plaats.

Artikel 10 Vrijwaring en finale kwijting

1. Partijen vrijwaren elkaar over en weer (…)

2. Partijen verklaren ter zake van de verdeling en uitvoering van dit convenant, niets meer van elkaar te vorderen te hebben, hoe ook genaamd, en verlenen elkaar over en weer te dier zake finale kwijting.

Artikel 11 Ontbinding

Partijen doen uitdrukkelijk afstand van hun recht om ingevolge het bepaalde in artikel 6:265 BW ontbinding van deze overeenkomst te vorderen.

2.3.

De hypotheekverstrekker is na de echtscheiding niet akkoord gegaan met het ontslag van [gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. [gedaagde] heeft haar aandeel in de woning niet aan de heer [erflater] geleverd. De heer [erflater] heeft tot zijn overlijden in de woning gewoond en de lasten van de woning voldaan.

2.4.

De heer [erflater] heeft bij testament van 13 september 2010 over zijn nalatenschap beschikt. [eiseres] en haar drie broers zijn de erfgenamen van de heer [erflater] . [eiseres] is als gevolmachtigde van de overige erfgenamen zelfstandig bevoegd de nalatenschap te beheren en er over te beschikken (verklaring van erfrecht, productie 3 bij dagvaarding).

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] grondt haar vorderingen op de voornoemde verklaring van erfrecht en het echtscheidingsconvenant. Zij stelt dat de erfgenamen van de heer [erflater] tot verkoop van de door hen geërfde woning wensen over te gaan, doch dat [gedaagde] , voordat de erfgenamen daartoe kunnen overgaan, (haar aandeel in) de woning nog aan de erfgenamen dient te leveren. Doordat [gedaagde] weigert mee te werken aan de levering van haar aandeel in de woning vordert [eiseres] namens de erfgenamen, bij vonnis in kort geding, samengevat:

1. [gedaagde] te veroordelen binnen één maand na datum van dit vonnis volledige medewerking te verlenen aan de juridische levering van de woning, gelegen aan de [adres] te [plaats] , aan de erfgenamen van [erflater] , door tussenkomst van een door [eiseres] aan te wijzen notaris, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag, of gedeelte van een dag, dat [gedaagde] daarmee nalatig zal zijn;

2. te bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van de voor de levering van het onroerende goed noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde] , indien deze niet binnen de termijn van één maand na datum van dit vonnis de onroerende zaak, gelegen aan de [adres] te [plaats] , heeft geleverd;

3. [gedaagde] te veroordelen in de (na)kosten van dit geding.

3.2.

[eiseres] stelt dat, doordat de woning niet kan worden verkocht en de vaste lasten van de woning lopen, zij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevorderde voorzieningen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de aard van de vorderingen en de doorlopende kosten heeft [eiseres] een spoedeisend belang bij toewijzing ervan.

4.2.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat er geen sprake is van een voorlopige voorziening, omdat in geval van toewijzing van het gevorderde een nieuwe constitutieve rechtstoestand tussen partijen wordt geschapen. Het gevorderde leent zich - naar de stelling van [gedaagde] - dan ook niet voor behandeling in kort geding en moet worden afgewezen.

4.3.

Dit verweer van [gedaagde] wordt verworpen. Ook in kort geding kan een voorziening op grond van artikel 3:300 lid 2 BW worden toegewezen (HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR: 2002:AE4380).

4.4.

De kern van het overige verweer van [gedaagde] is dat het gevorderde moet worden afgewezen, nu de afspraken die bij echtscheidingsconvenant zijn gemaakt nadien zijn gewijzigd. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

4.5.

[gedaagde] en de heer [erflater] hebben de afspraken die zien op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap in het echtscheidingsconvenant onvoorwaardelijk geformuleerd. De leveringshandelingen die nodig waren ter uitvoering van de verdelingsafspraken van de goederen die genoemd zijn in het echtscheidingsconvenant zijn verricht, behoudens de levering van het aandeel van [gedaagde] in de woning aan de heer [erflater] . Levering van dit aandeel is uitgebleven omdat – onverwacht voor [gedaagde] en de heer [erflater] – de bank niet wilde meewerken aan ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Deze situatie, die tien jaar geduurd heeft, doet niet af aan het feit dat de woning onvoorwaardelijk aan de heer [erflater] was toebedeeld.

4.6.

[gedaagde] stelt dat de heer [erflater] en zij nadien de afspraken uit 2010 gewijzigd hebben. Volgens [gedaagde] heeft de heer [erflater] afstand gedaan van zijn recht op toedeling van de woning en was het zijn uiterste wil dat de woning alsnog aan [gedaagde] toegedeeld zou worden. Voor de voorzieningenrechter is onduidelijk wat [gedaagde] hiermee precies bedoelt. De woning is in 2010 onvoorwaardelijk aan de heer [erflater] toegedeeld dus van afstand van een recht op toedeling kan geen sprake zijn. Voor zover [gedaagde] bedoeld heeft dat partijen de oorspronkelijke verdeling hebben opengebroken en nieuwe verdelingsafspraken gemaakt hebben, geldt dat wat [gedaagde] daarover gesteld heeft te vaag is. Dat “de woning op haar naam zou blijven” en “dat de woning voor [gedaagde] zou zijn als er met hem wat gebeurde” is niet toereikend als onderbouwing voor de stelling dat partijen nieuwe verdelingsafspraken gemaakt hebben. De hiervoor geciteerde uitspraken die de heer [erflater] volgens [gedaagde] gedaan zou hebben, kunnen – ervanuit gaande dat ze zo gedaan zijn – er ook op duiden dat hij op dat moment voornemens was om de woning na zijn dood aan haar na te laten. [gedaagde] spreekt zelf over “zijn uiterste wil”. Feit is echter dat de heer [erflater] de woning niet bij testament aan [gedaagde] heeft nagelaten.

4.7.

Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] niet toereikend onderbouwd op welke grond zij niet tot notariële levering van haar aandeel in de woning aan de erfgenamen van de heer [erflater] gehouden is. De voorzieningenrechter acht daarom aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat [gedaagde] gehouden is om medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in de woning aan de erfgenamen door tussenkomst van een notaris. Vooruitlopend op dat oordeel kan de gevorderde voorziening ad 1 worden toegewezen, echter onder de voorwaarde dat [gedaagde] gelijktijdig (op het moment van levering van haar aandeel in de woning) ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Die verplichting uit het echtscheidingsconvenant rust immers op de erfgenamen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd zoals in de beslissing vermeld is. Ook de gevorderde voorziening ad 2 is toewijsbaar.

4.8.

Gelet op het gevorderde is de discussie van partijen over de uitkering van de levensverzekering voor de beoordeling van dit kort geding niet relevant. Wat partijen daarover aangevoerd hebben, blijft daarom onbeoordeeld.

4.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- betekening oproeping € 102,96

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat € 980,00

totaal € 1.386,96.

4.10.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot en zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld is.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] binnen één maand na betekening van dit vonnis volledige medewerking te verlenen aan de juridische levering van haar aandeel in de woning aan de [adres] te [plaats] , aan de erfgenamen van [erflater] , door tussenkomst van een door [eiseres] aan de wijzen notaris, onder de voorwaarde dat [gedaagde] op het moment van levering ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening voor de woning,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan veroordeling 5.1. voldoet, tot een maximum van € 7.500,00 is bereikt,

5.3.

bepaalt dat dit vonnis in de plaats komt van de voor de levering van het onroerende goed noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde] indien [gedaagde] niet voldoet aan veroordeling 5.1.,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.386,96,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: CM