Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:9127

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
C/03/284058 / KG ZA 20-429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, geen spoedeisendheid en niet geschikt om in kort geding te worden beslist

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/284058 / KG ZA 20-429

Vonnis in kort geding van 19 november 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. N.P.H. Vissers te Roermond,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.W.H. Kempen te Geleen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 8,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4,

  • -

    de mondelinge behandeling op 10 november 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagden] zijn buren. [eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] en [gedaagden] zijn eigenaar van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] .

2.2.

Partijen hebben eerder geprocedeerd bij deze rechtbank over de eigendom en het gebruik van de vliering en de poort die gelegen zijn tussen de woningen aan de [adres 2] en [adres 1] te [woonplaats] (zaak C/03/252602 HAZA 18-364).

2.3.

Voormelde procedure werd beëindigd door een vaststellingsovereenkomst die is vastgelegd in het proces-verbaal van voortzetting van de comparitie, gehouden op

12 december 2018.

2.4.

Tussen partijen is in deze vaststellingsovereenkomst, voor zover thans van belang, als volgt overeengekomen:

‘6. De voorgevel tussen [adres 3] en [adres 1] is in eigendom van [adres 2] vanaf [adres 3] tot de erfgrens zodanig dat er een doorgang van 90 centimeter is tussen de erfgrens en [adres 1] . Waarbij de nadrukkelijke opmerking verdient dat het gaat om een doorgang van 90 centimeter. Dit betekent dat wat betreft de breedte van de voorgevel er dus een nieuwe grens wordt bepaald, die dan afwijkt van de laatste kadastrale meting. Deze zal dan ook in de breedte ten voordele van de eigenaar [adres 1] ietwat worden opgeschoven.

7. Die doorgang van 90 centimeter zal worden doorgetrokken over de lengte evenredig en gemeten aan de muur van het pand [adres 1] .

8. Dit betekent dat de erfgrens, en de daarop staande schutting zal worden verplaatst voor die afstand totdat de 90 centimeter gemeten vanaf de muur vanaf het pand [straatnaam] bereikt is op het eigen perceel. Dit zal ongeveer zijn op een lengteafstand van 3,5 meter, naar schatting van partijen.

(…).

11. Voornoemde zal vóór 1 juli 2019 worden verwezenlijkt. (…).’

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot:

  1. het alsnog nakomen van de tussen partijen gesloten overeenkomst zoals vastgelegd in het proces-verbaal van voorzetting comparitie, gehouden op 12 december 2018, in het bijzonder de punten 6 tot en met 8 van deze overeenkomst, en aldus [gedaagden] te veroordelen tot het binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis verplaatsen van de schutting (zijnde de schutting die met een ‘x’ wordt aangeduid op de foto die als productie 7 bij dagvaarding is overgelegd) richting het perceel van [gedaagden] , zodanig dat er tussen het hoekpunt van de buitenmuur (hoekpunt zoals aangeduid met een ‘x’ op de foto die als productie 8 hierbij wordt overgelegd) en vervolgens gemeten vanaf een rechte lijn getrokken van dat hoekpunt evenwijdig aan de binnenmuur van [eiser] nergens een afstand minder dan 90 centimeter zal zijn, hetgeen tevens inhoudt dat de afstand van de schutting gemeten vanaf binnenmuur van [eiser] nergens minder zal zijn (90 cm + 13 cm =) 103 cm, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagden] hiermee in gebreke blijven;

  2. betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 980,00;

  3. betaling van de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij een veroordeling van [gedaagden] om – bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding – mee te werken aan het verplaatsen van de schutting. Hij voert aan dat hij in de huidige situatie met iets bredere zaken zijn binnenplaats niet kan bereiken. Via een andere weg is dat niet mogelijk, althans uiterst bezwaarlijk, omdat dan zaken door de woonkamer vervoerd moeten worden. Uit de gemaakte afspraken tussen partijen blijkt duidelijk dat [eiser] moet kunnen beschikken over een doorgang van 90 centimeter bij de poort. Daarnaast geldt dat de nakoming van afspraken, zoals vastgelegd in een proces-verbaal, naar zijn aard reeds als spoedeisend belang moet worden aangemerkt, aldus [eiser] .

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gevraagde voorziening moet worden afgewezen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of [gedaagden] de verplichtingen die voor hen voortvloeien uit de vaststellingsovereenkomst correct zijn nagekomen. [eiser] stelt dat uit de afspraken tussen partijen blijkt dat partijen het er over eens waren dat [eiser] effectief moest kunnen beschikken over een doorgang van 90 centimeter, gemeten vanaf de muur aan de straatzijde die deels voor de poort staat. De doorgang is thans echter slechts 77 centimeter breed op het smalste punt, gemeten tussen die muur en het punt waar [gedaagden] de schutting heeft staan. [gedaagden] hebben zich daarentegen op het standpunt gesteld dat afgesproken is dat er een doorgang van 90 centimeter moet zijn tussen de binnenmuur van [eiser] en het punt waar [gedaagden] de schutting heeft staan.

4.4.

De voorzieningenrechter is bevoegd een onmiddellijke voorziening bij voorraad te geven in een spoedeisende zaak waarin dat gelet op de belangen van partijen vereist is (artikel 254 Rv).

4.5.

Van een spoedeisende zaak is geen sprake. Onbetwist staat vast dat [eiser] zijn deel van de binnenplaats kan bereiken via de poort. Nog daargelaten dat er geruime tijd gelegen is tussen het moment waarop de schutting eind juni 2019 verplaatst is en het moment waarop deze procedure aanhangig is gemaakt, heeft [eiser] niet toereikend toegelicht waarom van hem niet verlangd kan worden de uitkomst van de rechtsstrijd die partijen verdeeld houdt in een bodemprocedure af te wachten. De door hem aangedragen argumenten zijn in ieder geval onvoldoende om spoed aan te kunnen nemen.

4.6.

Daar komt nog bij dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist. Ook om die reden moet de gevraagde voorziening geweigerd worden (artikel 256 Rv).

4.7.

Partijen verschillen immers van mening over de betekenis van de bepalingen 6, 7 en 8 van de vaststellingsovereenkomst van 12 december 2018, en meer in het bijzonder over het antwoord op de vraag vanaf welke de muur gemeten moet worden. De vraag hoe de genoemde bepalingen uitgelegd moeten worden, kan niet worden beantwoord enkel op grond van een zuiver taalkundige betekenis van die bepalingen. Het komt aan op de zin die de partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.8.

In de door partijen op 12 december 2018 gesloten vaststellingsovereenkomst is niet nader gedefinieerd vanaf welk punt – de hoek van de buitenmuur van [eiser] aan de straatzijde of de binnenmuur van [eiser] – de doorgang 90 centimeter dient te zijn. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan binnen het bestek van dit kort geding niet vastgesteld worden wie gelijk heeft. Gezien de uiteenlopende standpunten over wat destijds op 12 december 2018 is besproken voordat de afspraken op schrift werden vastgelegd, is nader onderzoek naar de feiten en mogelijk bewijslevering noodzakelijk om een oordeel te kunnen vormen over de kernvraag van dit geschil. Daarvoor is in kort geding geen plaats.

4.9.

Gelet op het voorgaande is er geen grond om een ordemaatregel te treffen in deze procedure. De vorderingen van [eiser] zullen dan ook worden afgewezen.

4.10.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.284,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.284,00,

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2020.1

1 type: AP