Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:8871

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
AWB 20 /1787
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, verplichting mee te werken aan een onderzoek naar drugsgebruik en schorsen rijbewijs, verzoek afgewezen.

Verzoeker stelt dat hij al jaren aan ADHD lijdt en onder invloed van de door zijn psychiater voorgeschreven medicatie heeft gereden. Verzoeker heeft niet eerder een onderzoek heeft ondergaan als bedoeld in paragraaf 8.10 van de bijlage bij de Regeling geschiktheid 2000. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat onder deze omstandigheden het aangewezen is dat verzoekers gebruik wordt onderzocht door een specialist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/1787

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik en is - in ieder geval tot de uitslag van het onderzoek - zijn rijbewijs geschorst.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2020. Verzoeker is verschenen, vergezeld door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu eiser een bezwaarschrift heeft ingediend ter zake het besluit waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang bij het onderhavige verzoek genoegzaam is aangetoond.

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

4. Uit het door de politie, Eenheid Limburg, op 7 mei 2020 opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed blijkt dat verzoeker op 22 februari 2020 is gecontroleerd tijdens een verkeerscontrole. Bij verzoeker is een speekseltest uitgevoerd. De speekseltest gaf een indicatie voor amfetamine en cannabis (tetrahydrocannabinol). Voorts werden de volgende kenmerken waargenomen: overmatig transpireren, wijd opengesperde ogen en opgewonden gedrag.

4.1.

Het bij verzoeker na aanhouding afgenomen bloed is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut. In het daarover op 23 april 2020 opgemaakt rapport is het navolgende geconcludeerd:

1. In het bloed van [verzoeker] is amfetamine gemeten in een concentratie hoger dan de grenswaarde voor enkelvoudig gebruik.

2. In het bloed van [verzoeker] zijn diazepam en het omzettingsproduct desmethyldiazepam gemeten in concentraties waardoor de rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig was beïnvloed ten tijde van de bloedafname.

3. Er is sprake van combinatiegebruik van amfetamine en diazepam.

4.2.

Verzoeker is bij brief van 1 mei 2020 van deze uitslag op de hoogte gesteld. Daarbij is verzoeker gewezen op zijn recht op tegenonderzoek. Verzoeker heeft van dat recht geen gebruik gemaakt.

5. Op basis van deze informatie heeft de politie Eenheid Limburg, aan verweerder op

7 mei 2020 een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) gestuurd. Deze mededeling is aanleiding geweest voor verweerder om te komen tot het primaire besluit van 5 juni 2020. Gelet op de informatie verkregen van de politie twijfelt verweerder eraan of het wel veilig is dat verzoeker een rijbewijs heeft en aan het verkeer deelneemt. Daarom heeft verweerder verzoeker opgedragen een onderzoek naar zijn drugsgebruik te ondergaan. De geldigheid van het rijbewijs van verzoeker is daarbij gedurende het onderzoek geschorst.

6. Verzoeker kan zich met het primaire besluit niet verenigen.

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

8. In artikel 8, eerste lid, van deWvw 1994 is bepaald dat het een ieder verboden is een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.

In het vijfde lid is bepaald dat het een ieder verboden is een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.

In artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 is bepaald dat indien bij de algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR doen om onder vermelding van feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels gesteld.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) wordt een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet gebaseerd op feiten en omstandigheden die zijn genoemde in de bij deze Regeling behorende bijlage. In deze bijlage, onder B, III is inzake andere drogerende stoffen of een combinatie van drogerende stoffen vermeld :

- ten aanzien van betrokkene is proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in dat proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke kunnen leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

In artikel 131, eerste lid, en onder a, van de Wvw 1994 is – voor zover van belang - bepaald dat indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen besluit tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

In artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling is bepaald dat het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

In artikel 131, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 is bepaald dat bij het besluit, bedoeld in het eerste lid in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen wordt geschorst tot de dag waarop in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoeld besluit van kracht wordt.

De in artikel 130, derde lid, van de Wvw 1994 bedoelde gevallen zijn aangewezen in in artikel 5 van de Regeling waarin onder a is genoemd het geval dat betrokkene een motorrijtuig heeft bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol.

9. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2889), behoeft voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid slechts een vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoeker op 22 februari 2020 een auto heeft bestuurd. Evenmin betwist verzoeker de uitkomsten van het bloedonderzoek (diazepam met een waarde van 0,17 milligram per liter, desmethyldiazepam met een waarde van 0,23 milligram per liter en amfetamine met een waarde van 170 microgram per liter).

11. Uit de op 7 mei 2020 aan verweerder toegestuurde mededeling op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 - dat ten aanzien van verzoeker een vermoeden bestaat dat hij niet langer beschikt over de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig – blijkt dat de politie ten aanzien van verzoeker een proces-verbaal heeft opgemaakt inzake verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wvw 1994. In dit proces-verbaal zijn aanvullende gegevens opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van verzoeker, welke kunnen leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen namelijk: overmatig transpireren, wijd opengesperde ogen en opgewonden gedrag. Op grond van het gestelde in artikel 131, eerste lid, onder a, van de Wvw 1994 en artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling was verweerder gehouden tot het opleggen van een onderzoek naar verzoekers geschiktheid. Tevens was verweerder gehouden op grond van artikel 131, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 en artikel 5, aanhef en onder a, van de Regeling de geldigheid van het rijbewijs te schorsen. De verklaring die verzoeker heeft gegeven voor zijn gedrag en de waargenomen uiterlijke kenmerken, kan volgens de voorzieningenrechter niet hieraan afdoen, alleen al omdat deze niet van een medische onderbouwing is voorzien.

12. Verzoeker stelt dat hij niet heeft gereden onder invloed van drugs maar onder invloed van de hem door een psychiater voorgeschreven medicatie. Hij lijdt zijn hele leven al aan ADHD, maar de diagnose is pas op 8 augustus 2016 bij hem vastgesteld.

Vaststaat dat verzoeker heeft gereden onder invloed van 170 microgram per liter amfetamine terwijl de grenswaarde voor amfetamine 50 microgram bedraagt. Vaststaat eveneens dat verzoeker niet eerder een onderzoek heeft ondergaan als bedoeld in paragraaf 8.10 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000, in welke regeling de eisen zijn neergelegd met betrekking tot de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. In deze paragraaf is ten aanzien van ADHD bepaald dat bij de eerste beoordeling door verweerder een onderzoek moet plaatsvinden door een onafhankelijk specialist met kennis en ervaring op het gebied van ADHD bij volwassenen aan de hand van een checklist met risicofactoren. Voorts geldt dat personen met ADHD onbeperkt geschikt zijn als aan een aantal voorwaarden is voldaan. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat onder deze omstandigheden het aangewezen is dat verzoekers gebruik wordt onderzocht door een specialist. Het is aan de specialist om te beoordelen of er sprake is van een therapeutische dosering en of dit niet in strijd is met de eisen van geschiktheid, zoals genoemd in voornoemde paragraaf. Het feit dat in verzoekers bloed naast amfetamine diazepam is aangetroffen, draagt eveneens bij aan de noodzaak van een medisch onderzoek.

13. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en hij op het punt staat het bedrijf van zijn vader over te nemen. De voorzieningenrechter overweegt dat de wet- en regelgeving dwingendrechtelijk is en verweerder geen ruimte biedt om anders te handelen of om rekening te houden met het persoonlijk belang om over een rijbewijs te kunnen beschikken.

14. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat op grond van de nu voorhanden zijnde gegevens het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.C. Heyltjes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2020.

De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 10 augustus 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.